DELEN TOT OPBOUW VAN ELKAAR IN DE GEMEENTESAMENKOMSTEN

DELEN TOT OPBOUW VAN ELKAAR

IN DE GEMEENTESAMENKOMST  

Volgens de principes van 1 Korinthiërs 14:26-40

Bouwen aan het lichaam van Christus

Het lichaam van Christus te bouwen is een grootse opdracht voor ALLE leden (Ef. 4:16; 1 Petr. 4:10-11). Dit is niet enkel een taak voor een voorganger of voor oudsten. Al hebben deze leidinggevenden een speciale taak, elk lid van het  geestelijke lichaam mag nuttig zijn om dat lichaam te dienen tot geestelijke opbouw en welzijn (1 Kor. 12:7; 1 Kor. 14:1,12).

Het is duidelijk dat wij kundige bouwmeesters nodig hebben om het fundament te leggen en hoe daarop wordt voortgebouwd (1 Kor. 3:10). Het woord ‘voorgangers’ wordt trouwens in het nieuwe testament steeds in het meervoud gebruikt (Hebr. 13:7,17,24; Hand. 15:22, St. Vert.). Dat is veelzeggend: er is sprake van meervoudig leiderschap. Elke gemeente dient daarom mimimaal twee oudsten of opzieners te hebben (Tit. 1:5; Hand. 14:23; Hand. 20:17,28; Fil. 1:1).

Dienaren gevraagd

Verder hebben we de uitspraak van Jezus: “Want een is uw Meester en gij zijt ALLEN broeders”  (Matth. 23:8). “Gij zult u niet rabbi laten noemen”. Of vul in ‘dominee’ of iets dergelijks. Dominee betekent ‘heer’ en het woord ‘domineren’ is ervan afgeleid. Het is geen bijbels ambt dat alleen die ene broeder mag preken, dopen, avondmaal bedienen en de zegen uitspreken, wat aan anderen in veel kerken niet is toegestaan.

Deze titels van mensen zijn onnodig, want we zijn slechts verlegen om ware dienaren. “Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn” (Matth. 23:11). Dat vraagt nederigheid, om je leven in te zetten voor de broederschap. Helaas komt op het ‘christelijk erf’ veel heerschappij voeren over de kudde naar voren (Matth. 20:25; 1 Petr. 5:2-3). Dit in plaats van VOORBEELDEN voor de kudde te zijn. Degenen die goede leiding geven hebben het zo: “De apostelen en oudsten groeten ALS  BROEDERS de broeders…” (Hand. 15:23). ALLEN zijn immers broeders.

Iets delen in de samenkomsten

Van daaruit verstaan we ook 1 Kor. 14:26: “Hoe staat het dan, broeders? (adelphos, dat broeders en zusters kan betekenen). Telkens als gij samenkomt, heeft een ieder iets.” Dus niet ‘soms’, bijvoorbeeld eens per maand, maar telkens moet die ruimte er zijn om vrije bijdragen te kunnen delen te midden van de gemeente. “Een psalm, een onderwijzing, een openbaring, een tong, een uitlegging.” Dat is niet slechts de dienst van de ene voorganger, maar de dienst van alle geledingen tot opbouw in de liefde (Ef. 4:16). Het lijstje dat de apostel opsomt is niet volledig. Er is ook ruimte voor openbaar gebed door meerderen en het geven van persoonlijke getuigenissen door broeders en zusters. Deze uitingen of bijdragen gebeuren spontaan in de samenkomsten.

Het is niet de bedoeling dat mensen van te voren al bij degene, die de dienst leidt, gaan aangeven dat zij in de samenkomst een woord of getuigenis hebben en zo hun plek in de diensten bij voorbaat reserveren. Dat betekent immers dat het dan gauw gebeurt dat de dienst van te voren wordt ingepland en er geen ruimte meer is voor spontane bijdragen uit het hart van andere broeders en zusters. Zij kunnen er niet tussen komen als er al afspraken van te voren worden gemaakt door anderen met degene die verantwoordelijk is om de samenkomst te leiden. Zo dient het niet te gaan en zo is het de bedoeling niet, om 1 Kor. 14:26 alvast op die manier van te voren in te vullen. Er mag vertrouwen zijn dat ter plekke van de samenkomst de Geest nu dit en dan dat gemeentelid kan leiden en gebruiken om de gemeente op te bouwen.

Er staat niet dat ieder per se iets moet hebben, maar uit vrije beweging kan ‘ieder iets hebben’ om de ander mee op te bouwen. Niet alles komt van die ene persoon die ervoor is aangesteld, maar er komt iets van velen. Er is ruimte voor Woordverkondiging, maar ook voor zang, gebed, getuigenis en het meedelen van geestelijke gaven, die ook in onze tijd werkzaam mogen zijn.

Dat vraagt om een open samenkomst, waarbij men niet uit angst voor ontsporing de teugels in menselijke handen houdt. Wel dat men de risico’s eerlijk benadert in het geloof dat God wil werken, maar met de bereidheid om alles te toetsen wat ingebracht wordt, zoals geschreven staat: “Blus de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, beproef alle dingen, behoud het goede” (1 Thess. 5:19-21).

De vrijheid van de Geest

Wat een werkingen van de Geest gaan op die manier van het lichaam van Christus uit en is er van ‘kerkje spelen’ geen sprake. “Waar de Geest des Heeren is, is vrijheid” (2 Kor. 3:17). De Geest moet ons beheersen, zodat we ons ook in onze samenkomsten door de Geest willen laten leiden. Uiteraard in gebondenheid aan het Woord.

Het gaat er niet om dat ieder nu heel democratisch zijn zegje mag doen. Alles moet tot opbouw gebeuren (1 Kor. 14:26b). Dus is er geen behoefte aan impulsieve oprispingen, maar dat wij ons afvragen of dat ‘iets’ wat we hebben nuttig en opbouwend voor de gemeente.

Het is Gods bedoeling dat we met iets goeds komen dat tot nut is van de gemeente. Dat wil zeggen: niet met iets dat verwarring geeft of dat kant noch wal raakt. Natuurlijk zijn dit dingen die geleidelijk aan geleerd mogen worden. Daarom mag niemand afgerekend worden op een eenvoudige, maar oprechte toevoeging. Ieder staat in een bepaalde mate van ontwikkeling in Christus. Natuurlijk is er verschil tussen oud en jong, ervaren of onervaren, geestelijk of vleselijk, al lang deelnemend in de gemeente of pas lid geworden. Het is goed om op gepaste wijze bescheiden te blijven, maar ook je vrijmoedigheid niet prijs te geven. Het is belangrijk ervoor te waken, in het bijzonder door de oudsten, niet de onbedachtzame en eigenwijze mensen de leiding in handen te geven. Mensen mogen zich bewust worden dat zij soms terughoudend en voorzichtig leren zijn en niet altijd ‘haantje de voorste.’ Laten wij ons afvragen: “Heer, ben ik nu degene die iets in mag brengen, of is het beter te wachten en de ander voorrang te geven”. Dit geeft een gezonde balans tussen vrijmoedigheid en vreze des Heeren (ontzag en eerbied voor God). Deel te krijgen aan de Geest van wijsheid en openbaring (Ef. 1:17-19) kost ook tijd en geloofsgroei. Van daaruit ontvangt de gemeente opbouw in het geloof. 

Correctie van de Korinthiërs: Paulus geeft  richtlijnen

In de gemeente van Korinthe was er wanorde. Velen spraken in tongen in de dienst, maar de tongen werden niet uitgelegd. Er werd door elkaar heen geroepen en dat voerde niet tot opbouw van de gemeente. Omdat het chaotische samenkomsten waren, werd het werd een soort ratjetoe.

Paulus reguleert het niet zo dat voortaan alles maar door een en dezelfde persoon geleid moet worden, maar hij geeft wel een aantal gezonde richtlijnen die de voorkomende uitwassen inperken. De apostel geeft een dozijn richtlijnen hoe er in de samenkomsten op een ordelijke manier gedeeld kan worden.

  • Het spreken in talen (tongen) mag door twee, hoogstens drie mensen gedaan worden (1 Kor. 14:27a).
  • Laat één het uitleggen (1 Kor. 14:27b).
  • Ieder op zijn beurt (1 Kor. 14:27b).
  • Als er geen uitlegger is, laat hij dan in de gemeente zwijgen, maar laat hij tot zichzelf en tot God spreken (1 Kor. 14:28).
  • Laten twee of drie profeten spreken en laten (daarna) de anderen het beoordelen (1 Kor. 14:29). Het beoordelen of het naar het Woord is, maar ook het voor je eigen leven beoordelen. Dat kan uitgesproken worden in getuigenissen (vergelijk 1 Kor. 14:31): “God heeft mij door deze boodschap die we hoorden licht gegeven over…”.
  • Als aan een ander die daar zit iets geopenbaard wordt, laat dan de eerste zwijgen (1 Kor. 14:30).
  • U kunt allen, de één na de ander, profeteren, opdat allen leren en bemoediging ontvangen (1 Kor. 14:31). Het leren is hier niet didachen (vergelijk ons woord ‘didactiek’=lesgeven of een lering of onderwijzing geven zoals in 1 Kor. 14:26, het Duitse ‘lehren’), maar manthanosin (iets leren of lering ontvangen, het Duitse ‘lernen’).
  • De geesten van de profeten zijn aan de profeten zelf onderworpen (1 Kor. 14:32). Zij hebben macht over hun geest (NBV).
  • Want God is geen God van wanorde, maar van vrede (harmonie), zoals in alle gemeenten van de heiligen (1 Kor. 14:33).
  • Laten uw vrouwen in de gemeenten zwijgen. Het is hen immers niet toegestaan te spreken, maar bevolen onderdanig te zijn, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen leren, laten zij dat dan thuis aan hun eigen man vragen. Het is immers schandelijk (lelijk) voor vrouwen om in de gemeente te spreken (1 Kor. 14:34-35).

Het gaat hier om een specifiek zwijgen, niet om een totaal zwijgen, waarbij men immers de vrouwelijke helft van de  gemeente het zwijgen oplegt en zij uitgeschakeld worden om zich concreet te uiten. In bepaalde kringen gebeurt dat. Dat is ongerijmd, omdat het in 1 Kor. 11:5 gaat om de vrouw die bidt of profeteert, ook in de samenkomsten. In de gemeente gebeurt dat hardop. Wanneer moest de vrouw zwijgen? Zij moest geen vragen stellen in de gemeente, mogelijk over de toetsing van profetieën, waar het in de vorige verzen om ging. Dat leidde in Korinthe tot discussie, waarbij vrouwen hun eigen mannen in verlegenheid brachten of hen overtroefden en voorbij streefden. Dat stond lelijk in de gemeente. Daarom moesten ze thuis onderdanig aan hun eigen man opheldering vragen en van hem leren.

  • Daarom broeders (adelphos, dat wil zeggen broeders en zusters), streef ernaar te profeteren, en verhindert het spreken in andere talen (tongen) niet (1 Kor. 14:39).
  • Laat alle dingen op een gepaste wijze en in goede orde gebeuren (1 Kor. 14:40).

Menselijke organisatie?

Helaas worden veel samenkomsten geregeld volgens menselijke organisatie. Jammer genoeg heeft men vaak de diensten volgens vaste patronen ingericht die geen of weinig ruimte bieden als inbreng door gemeenteleden. Door alles te plannen en voor te programmeren of alles vanaf het podium te regisseren wordt de vrijheid van de Geest om via de leden te kunnen werken en iets te delen tot opbouw weggenomen. Of er wordt sterk op beknibbeld.

Dit geeft zogenaamd orde in de kerk, maar het is ‘de dood in de pot.’ De mensen vullen de banken of stoelen en luisteren alleen maar naar de dienst van die ene broeder die spreekt en alles doet. Hij is ervoor ingehuurd. De functie van de overige broeders en zusters is ‘stoelverwarmer’. Zij zijn slechts goed om te zingen en in de collecte te geven. Verder is het statisch in zo’n dienst, terwijl de Geest dynamisch en met kracht wil werken. De gemeente is namelijk een levend en bewegend organisme.

De heiligen mogen tot dienstbetoon komen

God echter heeft de diensten van apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars gegeven, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus (Ef. 4:11-12). Het is de bedoeling dat die heiligen zelf gaan dienen tot opbouw van de gemeente. Dit kan werken in de praktijk en het is heerlijk wat een bemoediging, vermaning en aanvuring dit aan elkaar geeft voor de dagelijkse levenswandel als christen. Zo werken de bijeenkomsten om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken (Hebr. 10:24-25).

Jildert de Boer

© Verdieping en Aansporing

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *