HET SAMENKOMEN VAN DE GEMEENTE

HET SAMENKOMEN VAN DE GEMEENTE

Heeft een ieder iets?

“Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden”
(1 Kor. 12:27).

In de gemeente is veel te doen! Elk lid wordt opgeroepen tot het gaan dragen van MEDEVERANTWOORDELIJKHEID Daartoe behoren bijvoorbeeld:

  • een dienende opstelling (stoelen sjouwen, koffie zetten en afwassen dragen bij tot het welzijn van allen!)
  • het geven van een maandelijkse bijdrage aan de gemeente, een ieder naar vermogen. Met een ANBI-status van de gemeente zijn de giften belastingaftrekbaar.
  • het geregeld voorbede doen voor de gemeente, haar leidinggevenden en haar noden.
  • het regelmatig danken voor de zegen die God geeft.
  • hart en oog hebben voor nieuwkomers in de gemeente, zodat zij aangesproken worden en  contact krijgen met ons en met de Heer, die wij dienen.
  • iets inbrengen in de samenkomst: een lied, een lering, een openbaring, een tong, een uitleg (1 Kor. 14:26) of een getuigenis.
Naar een hoger peil

Ons past een actieve op de werking van de heilige Geest gerichte gezindheid! Als wij naar de samenkomst gaan en verwachten dat ‘men’ wel een woord zal brengen en dat ‘iemand’ wel de zangdienst zal doen, dan is onze instelling passief en op consumeren gericht. De mentaliteit van ‘geestelijke’ tegenover ‘leek’ kan in verfijnde vorm ook in (volle) evangelische gemeenten aanwezig zijn of binnensluipen, als het podium afstand schept tot deelname vanuit de zaal.

“De oudsten zullen het wel doen en regelen” is vanuit de zaal een al te gemakkelijk afschuifsysteem. Of ook: “we hebben een goede gastspreker, die de tijd wel zal vullen”. Maar als die gastspreker het nu eens op het allerlaatste moment laat afweten, zijn wij daar dan geheel verlegen mee? Of geloven wij dat de Heer via meerderen onder ons toch wel een goede invulling aan de samenkomst zal geven?

De Heer verlangt ernaar dat elk lid zijn deel zal kunnen (gaan) geven in een vrije, wederzijdse dienst tot opbouw! Als wij nog op uitsluitend ontvangen gericht zijn, namelijk dat de Heer mij in de samenkomst zal zegenen, dan komen we er niet toe zelf een opbouwende bijdrage aan het geheel te leveren. God wil niet dat wij alleen maar consumeren, maar Hij wil via ons iets goeds ‘produceren’ voor de ander.  Wanneer er gebeden wordt, laten het niet steeds dezelfden zijn, maar laten wij ons allemaal uitstrekken naar meer vrijmoedigheid! Datzelfde geldt ook voor het streven naar de uitingen van de Geest. Die van de Heer verwachtende houding is gezonder dan passief af te wachten wat de broeder of zuster op het podium zal doen.

Geleid door Gods Geest

Het gaat niet om het hanteren van menselijke gebruiken en regels, maar of wij als discipel (=gedisciplineerd) de Geest van God willen volgen in de samenkomst. Deze discipline biedt een goede balans tussen orde en vrijheid! De Heer wil graag werken in de bijeenkomsten en het gesmeerd laten lopen door de verse olie van de Geest. Het is duidelijk dat de vrijheid in de dienst niet aan menselijke regelgeving (bijv. op de minuut geplande schema’s) onderworpen moet zijn, maar in harmonie met het Woord van God mag functioneren. Elk lid mag komen tot dienstbetoon en opbouw van de ander. Dat is immers bijbelse mondigheid! Ieder is medeverantwoordelijk voor de inhoud, voor het geestelijk peil van de samenkomst.

Als wij bijvoorbeeld weten dat als het avondmaal gevierd wordt, dat daar omheen gelegenheid is om iets te delen, dan is het heerlijk dat die ruimte er is en dat veelkleurige bijdragen – het liefst kort, levend en fris – naar voren kunnen en mogen komen.

Het is goedkoop om elkaar te kritiseren op een uiteraard nog onvolkomen bijdrage. Wij staan allen in een bepaalde ontwikkeling in ons leven met God en mogen daarin groeien. Uiteraard willen we niet in een omslachtige ‘verhaaltjessfeer’ blijven steken, maar meebouwen tot nut voor de anderen door hulp aan te reiken voor de dagelijkse levenswandel met de Heer. Van een getuigenis kunnen de ‘rafels en de franjes’ best afgeknipt worden, zodat het meest kernachtige overblijft, wat God kan gebruiken om het hart van anderen aan te raken.

Een bijdrage tot opbouw

Hoe staat het met mijn door-de-weekse verbinding met de Heer? Ben ik bezig in gebed en Woord? Is het Woord voor mij zo levend, dat ik een frisse bijdrage heb voor het geheel, als de gemeente bijeenkomt? Welsprekendheid is geen vereiste, wel een brandend hart, dat iets goeds doorgeeft van het leven met God! Als wij dat leven dagelijks uitleven, dan valt er iets door te geven. Het is nodig en nuttig dat wij de oproep verstaan, om iets te hebben in de samenkomst om de ander te zegenen, aan te sporen of te bemoedigen. Zo niet, dan komen we in de ‘verkerking’ terecht, waar de ene persoon alle diensten verricht en het volk slechts luistert.

Laten wij echter gericht zijn op de leiding van de Geest van God, die gebruik wil en kan maken van ons allen, voor ons allen! Geef daarom uw vrijmoedigheid niet prijs en laat uw mond niet snoeren door de boze!

Woordverkondiging blijft nodig!

Laat de Heer u en mij kracht geven om te dienen (1 Petr. 4:10) – elk lid op zijn wijze (Ef. 4:16) – tot opbouw van de gemeente! Heerlijke stimulans! En…uiteraard blijft er volop plaats voor goede onderwijzing (Rom. 12:7) en toerusting (Ef. 4:12) vanuit het Woord, dat levend en krachtig is! Deze stevigheid en gedegenheid willen we niet graag missen of inruilen. Als u leiding geeft, doe het met ijver (Rom. 12:8). Zodoende krijgen we met ‘elk-ander’ pittige samenkomsten vol van gedeelde inbreng met steeds meer diepgang en inhoud! Daarom: samen op naar VOLWASSENHEID in dienstbetoon!

Jildert de Boer
© Verdieping en Aansporing

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *