SLEUTELS TOT EENHEID deel 4

SLEUTELS TOT WARE EENHEID IN DE CHRISTELIJKE GEMEENTE deel 4

7. Dienen

We begrijpen dat ‘dienen’ het tegenovergestelde is van ‘heersen’. De Meester gaf ons het voorbeeld als Hij een vergelijk treft met het heerschappij voeren in de wereld: “Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden zal uw dienaar zijn en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; GELIJK de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Matth. 20:26-28). Dit zei Jezus naar aanleiding van de onenigheid onder de discipelen wie van hen als de eerste moest gelden. “De eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar”, dat in tegenstelling tot de wereld waar hun machthebbers weldoeners worden genoemd (maar het vaak niet zijn!) (Luk. 22:24-26).

Het is dus niet interessant in de gemeente, om indruk te maken door bijvoorbeeld welsprekendheid, want het gaat in wezen om dienstbaar willen zijn. Intelligentie of positie in de maatschappij geeft in de gemeente van God geen enkele voorrang en op die grond mag ook geen voorkeur gegeven worden, want daar gaat het puur om het dienen van God en elkaar.

Streven naar macht of het uitoefenen van heerszucht, het innemen van sterke leidersposities, dat zijn zaken die uit den boze zijn, of op zijn zachtst gezegd klein-menselijke manieren om invloed aan te wenden in de gemeente.

Simpel de gezindheid hebben van de Meester om de anderen te dienen, dat is de mentaliteit van een echte discipel! In de gemeente is er volop ruimte en veel gelegenheid om te dienen!

Het is de gemakkelijkste weg, om zich te laten dienen, maar dat is precies niet de taak die Jezus ons geeft. In de weg van dienen ging Jezus ons voor door de minste te zijn en de vieze voeten van zijn discipelen te wassen (Johannes 13). Kunnen wij hiermee uit de voeten in het praktische dienen, ook als klusjes en taken soms minder aangenaam zijn voor het vlees? Jezus zegt: “voorwaar, voorwaar. Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. INDIEN GIJ DIT WEET, ZALIG ZIJT GIJ, ALS GIJ HET DOET” (Joh. 13:16-17).

Het gaat niet om mooie theoretische kennis of woorden, maar om daden van dienstbaarheid. Geestelijke, verheven taal klinkt hol, als men niet eenvoudig kan dienen in het aardse en het geringe. Prachtige visies zijn leeg, als men niet gewoon kan dienen. Daartoe behoort bijvoorbeeld het klaarzetten van de stoelen, als men in een gehuurde zaal bijeenkomt, het koffie- en theeschenken na de gemeentesamenkomst met de afwas en het opruimen plus vele andere praktische, aardse dingen. Velen willen graag gezegend worden en genieten van die zegen voor zichzelf, maar als het belang verstaan wordt, om te dienen en ons lichaam in te zetten voor elkaar, dan is dat tot zegen van anderen!

Als men het Woord van God verkondigt in de gemeente gaat het er niet om een hoge positie in te nemen, maar elkaar te dienen met datgene wat de Heer elk in het bijzonder gegeven heeft op de door God aangewezen plaats (1 Kor. 12:18).

“Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom IN U wonen, onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft” (Kol. 3:16, NBV). “DIENT ELKANDER, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods. Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God; dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleent, opdat IN ALLES God verheerlijkt worde door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid is en de kracht, in alle eeuwigheid! Amen” (1 Petr. 4:10-11).

Het is zonneklaar dat het toen geen “koekoek éénzang” was in de gemeentesamenkomsten. In het Nieuwe Testament werden er geen predikanten aangesteld, die alle toespraken hielden, alle liederen opgaven en alle gebeden deden. Velen beschouwen dat als een “heilig huisje”, waaraan niet te tornen valt, maar het is in de Bijbel eenvoudigweg niet te vinden en daarom vormt het een blokkade voor de ontwikkeling van de heiligen tot wederzijds dienstbetoon.

Voor de opbouw, groei en eenheid van de gemeente is “de dienst van ALLE geledingen” nodig (Ef. 4:16). Dit mag gaandeweg weer meer en meer tot functioneren komen als ieder zich daarnaar uitstrekt en er vrijheid om mee te bouwen in de samenkomsten gegeven wordt, in plaats van een onbijbels patroon, waarbij die ene persoon domineert en alle anderen zouden moeten zwijgen (vergelijk Matth. 23:7-10; 1 Kor. 14:26-33; Ef. 4:16).

Als de Bijbel zegt dat we onszelf geen titels moeten (laten) geven als rabbi (=meester), dominee (=heer), vader (=papa of paus) en dan draait het erom of we Gods woorden willen eerbiedigen of niet! (Matth. 23:7-10). Bij het prat gaan op titels komt er gemakkelijk eerzucht en heerszucht mee, terwijl de gezindheid om te dienen essentieel is (Matth. 23:11).

Efeze 4:11 zegt dat de vijfvoudige bediening (apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars) door God gegeven is, opdat de heiligen toegerust worden tot dienstbetoon (Ef. 4:12). Met andere woorden dat zij dezen ook zelf mee gaan dienen tot opbouw van het lichaam van Christus. Voorwaarde daarbij is dat het Woord van Christus niet alleen op zondag bij je “logeert”, maar dat het rijk in je gaat wonen (Kol. 3:16), zodat je leert het om te zetten in je eigen leven en anderen ermee kunt dienen tot opbouw!

Als je de mensen dient, dan kun je heersen over de machten, maar als je over de mensen heerst, dan dien je de machten!

Denkt u dat er spoedig een scheuring optreedt in een gemeente, waar ze God en elkaar allemaal dienen en zich voor en aan elkaar geven?

Elkaar de voeten wassen

Het dienen met de daaraan verbonden voetwassing is een prachtig symbool (Joh. 13:1-17).

Wanneer je wel hommeles en onderling gekissebis in een gemeente hebt meegemaakt en een maar in onmin en boze bitterheid blijven leven MET, of nauwkeuriger gezegd TEGEN elkaar blijven leven, dan kun je je wel afvragen: hoezo, niet “strijden tegen bloed en vlees, maar tegen de boze geesten”? Aan een holle theoretische frase hebben we niets, anders is de boze toch nog de lachende derde! Het kenmerk van geestelijk onmondige kinderen is dat ze zich vleselijk gedragen door bijv. nog jaloers te zijn, ruzie te maken, te mopperen en partijschappen te voeden (1 Kor. 3:3).

Als Jezus ons niet de voeten wast, dan hebben wij geen deel MET Hem (Joh. 13:8, letterlijk). Dan komt het in zulke omstandigheden wel eens in je op: nu zou ik graag een aantal bakken water mee willen nemen en een stel handdoeken, waarmee we elkaar heel praktisch de voeten zouden kunnen wassen! Niet om van de voetwassing per definitie een vast samenkomstritueel te maken, zoals sommige groepen hebben – overigens op zijn tijd zeker niet gek of verkeerd – want als er een gegeven situatie is, waar het erom gaat elkaar dienstbaar te gaan worden, kan het letterlijk toepassen van de voetwassing best eens heilzaam zijn. Denkt u dat als wij de voeten der heiligen gewassen hebben (1 Tim. 5:10), dat het dan gemakkelijk is om onmin met elkaar daarna te krijgen?

In elk geval sprak Jezus in geestelijke zin: “Indien nu Ik, uw Here en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij ook doet, gelijk Ik u gedaan heb” (Joh. 13:14-15). Denk eens in: iemand komt aan jou en je vuil (dat stinkt!) en jij krijgt de genade om je daaraan over te geven en je voeten van hun stoffige wandel te laten reinigen! Tenzij je roept: “ja maar, ze moeten met hun ‘poten’ van me afblijven”, of als je meent: “ik ben nooit vuil, ik heb nooit iets verkeerds aankleven”, dat zit allemaal bij de ander(en). Een zondaar van de straat bad eens oprecht: “Heer, maak van dit vuile ‘shithuis’ een mooie tempel voor U”!

Laten wij geen ‘eigenlijk zou ik moeten’-christen worden. Het woord ‘eigenlijk’ is in feite door de duivel uitgevonden (Charles H. Spurgeon). Nee, zo zal het onder ons niet zijn! “Indien gij dit WEET, zalig zijt gij, als gij het DOET” (Joh. 13:17). Daarom: wie onder u groot (vader!) wil worden, zal uw dienaar zijn! (Matth. 20:26).

8. Ootmoed of nederigheid

Wij verstaan dat ‘ootmoed’ het tegenovergestelde is van ‘hoogmoed’. Het woord dat wij meestal gebruiken is nederigheid. Merkwaardigerwijs staat deze goddelijke deugd niet in het rijtje van de vrucht van de Geest (Gal. 5:22). Iemand gaf als reden daarvoor eens kernachtig aan dat dit komt, omdat ootmoed of nederigheid de enige grond of bodem is waarin de vrucht van de heilige Geest kan groeien. Dat is een boeiende gedachte voor het praktische leven!

Ootmoedigen hebben er geen problemen mee als zij in het ootje worden genomen, want zij hebben geleerd wat het is om te buigen, in plaats van de typisch menselijke trek om zichzelf altijd te willen verdedigen, die zo dichtbij is, toe te passen. Zij hebben in de levenssituaties ondervinding wat het is, zoals een lied zegt: “De wateren des levens, zij vloeien naar benêe en wie vol Geest wil worden, moet in die richting mee”. Hebt u ooit water tegen een berg zien opgaan?

Met God kun je nooit afgaan, als je gewillig je kunt onderwerpen aan Zijn woord, dat zegt: “de nederigen geeft Hij genade (Jak. 4:6b; 1 Petr. 5:5b). Dit principe vinden we al terug in het oude verbond (Spreuk. 3:34). In de “laagvlakte” van het elkaar onderdanig zijn in de vreze van Christus (Ef. 5:21) en het je ALLEN omgorden met nederigheid jegens elkander (1 Petr. 5:5a) vind je des te grotere genade van God als hulp, om geestelijk op je hoogte in Christus in de hemelse gewesten (Ef. 2:6) te gaan staan en te overwinnen.

Wie nederig geworden is, gaat niet op jacht naar eigen ‘strepen’ in het zoeken van eer. Het hebben of halen van eigen gelijk door het laatste woord te willen spreken vindt men niet bij hen die in de levensschool geleerd hebben wat ootmoed werkelijk in de praktijk is. In de ervaringen van elke dag hebben zij geleerd van het is om de ‘onderste weg’ te gaan en dat betekent vaak zwijgen en stil – zijn.

Natuurlijk gaat dit niet zonder de strijd aan te binden met bijvoorbeeld de verzoekingen tot hoogmoedige gedachten bij jezelf, of de menselijke zucht naar rivaliteit in de gemeente. Trots is vaak de oorzaak van scheuring en de geest van rebellie en weerspannigheid begint met ontevredenheid over de eigen positie. Denk maar aan de voorbeelden in het Oude Testament van Korach ten opzichte van Mozes en van Absalom tegenover David.

“In ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender (belangrijker, NBV) dan zichzelf” (Fil. 2:3) is zo typerend op de weg van Jezus. De weg van Jezus, zoals die subliem is geschetst in Fil. 2:1-8, is nu juist de weg naar beneden, die daarna naar omhoog voert. Het is de weg van vernedering naar verhoging (Matth. 23:12; Luk.1 4:11; Luk. 18:14). Dit is een goddelijke wetmatigheid! “Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen” (Matth.1 8:4).

Als het gaat om de gaven en bedieningen die Hij aan de mensen geeft, dan worden deze gegeven door Hem, die (eerst) is NEDERGEDAALD, Hij is het (daarna) ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen (Ef. 4:9-11). Hoogmoedigen weerstaat Hij, die kan Hij niet gebruiken. Ootmoed gaat VOORAF aan de eer (Spreuk. 15:33; Spreuk. 18:12).

De weg naar omhoog in de hemelen via de weg omlaag op aarde

Een weg, die nog veel verder omhoog voert, is de weg van de liefde in combinatie met de gaven (1 Kor. 12:31; 1 Kor. 13; 1 Kor. 14). Ook in dit verband loopt de weg naar omhoog de hemelen door via de weg van nederigheid: het op aarde de onderste weg leren gaan! We noemen een paar uitdrukkingen uit 1 Kor. 13: “de liefde zoekt zichzelf niet, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen”, enzovoort. Ootmoed of nederigheid gaat gepaard met zelfverloochening en dat is een bijbels begrip dat haaks staat op de geest van deze tijd.

Waar men het ‘ZELF’ zo sterk profileert, ook in christelijke kringen, mogelijk uit reactie tegen de geest van verwerping en afwijzing met zijn ‘je bent niets’, ‘je bent minderwaardig’ en ‘je bent waardeloos’, kan men zich afvragen of het gaat om het mogen zijn van een vernieuwde persoonlijkheid in Christus, of dat de ‘ego-gerichtheid’ langs een achterdeur weer binnenkomt. Wij mogen ons hoeden voor de ‘sloten’ aan twee zijden: van zelfverwerping enerzijds en zelfverheffing anderzijds. We willen noch in de ‘laagmoed’, noch in de hoogmoed zijn!

De “gewilde nederigheid” (Kol. 2:18) in houding of maniertjes, mag overboord gegooid en vervangen worden door een gezonde nederigheid van hart (Matth. 11:29). Een zodanig hart is zacht, ontvankelijk, soepel en buigzaam gemaakt onder Gods hand.

Een zich nederig voordoen vindt nogal eens plaats door het misbruiken van de tekst “Mijn genade is u genoeg” (2 Kor. 12:9a), waarin men dan de strekking legt, dat Paulus en wij maar zondaars zijn en moeten blijven tot de dood, maar dat Gods genade gelukkig genoeg is, om die zonden te bedekken. Dat is valse genade op grond van een interpretatie van een halve tekst en daarmee ook valse nederigheid, die niet leidt tot gehoorzaamheid en overwinningsleven.

Dit vers werd door de Here tegen Paulus in een specifieke situatie gezegd, toen een engel van satan hem met vuisten sloeg en God hem verzekerde: “Mijn genade is u genoeg (dat wil zeggen voldoende en toereikend, om deze situatie aan te kunnen!), want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid” (2 Kor. 12:9). Het was geen genade van God om zijn zogenaamde “voortdurende zondigen” te bedekken, maar genade als een krachtige hulp van God, om deze omstandigheden te doorstaan EN te overwinnen! Deze kracht van Christus kwam over Paulus, terwijl hij in zijn zwakheden roemde! Als hij zwak was (naar de mens, naar het vlees, in de natuurlijke wereld gesproken), dan was hij machtig (door Gods kracht kon hij in de geestelijke wereld zijn geest verheffen!) (2 Kor. 12:7-10). Paulus en zijn metgezel Silas (Silvanus) konden uit ervaring bemoedigen en betuigen dat – zoals Petrus schrijft – dit de ware genade is; daarin moet gij vaststaan (1 Petr. 5:12).

Met mensen, die waarachtig nederig van harte zijn, kan God Zijn gemeente bouwen! Zij koesteren geen gedachten hoger dan die hen voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid (Rom. 12:3). Zulke mensen hebben er geen moeite mee, om een “beweging naar beneden” te maken (al kunnen zij wellicht slechts 10% aan fouten bij zichzelf vinden en ligt de oorzaak misschien wel voor 90% bij de ander), om het hart van die ander te kunnen winnen. Wijsheid is immers bij de ootmoedigen (Spreuk. 11:2).

Paulus schrijft over het wandelen in ALLE ootmoed (Ef. 4:2) en hij sprak uit ruime eigen ondervinding en ervaring (Hand. 20:19). De sleutel van de weg omlaag te gaan op aarde, leidt er immers toe dat de weg omhoog voert in de hemelen. Met God ga je uiteindelijk alleen maar op! Immers: Hij KROONT de ootmoedigen met heil (Ps. 149:4).

Om eenheid in de gemeente te bewaren is de gezindheid van nederigheid en het weerstaan van het “omhooggaan” (door bijvoorbeeld competitiedrang, jaloezie op andermans zegen) een onmisbare zaak. Als je gepasseerd wordt, of niet gevraagd voor een taak, dan kun je nederigheid van God tonen, OF vallen in verwijt naar die ander, enz.

De tegengestelde weg leidt tot verderf

De antichrist en wie (gaan) behoren tot zijn geestesrichting volgen de omgekeerde route. Zij proberen eerst omhoog te gaan in zelfverheffing en zullen daarna ten diepste vernederd worden! Deze mens der wetteloosheid of zoon des verderfs is de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God, of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods (=beeld van de individuele mens en beeld van de gemeente) zet, om aan zich te laten zien dat hij god is (2 Thess. 2:3-4). Het einde of de afgang van de antichrist is dat hij gegrepen wordt en in de poel des vuurs geworpen (Openb. 19:20).

9. Oordeelt niet

Elkaar de maat nemen komt veel voor in gemeenten. Het leidt tot een voortdurend letten op elkaar, beoordelen van elkaar, praten over elkaar, kritiseren van elkaar en soms zelfs tot een veroordelende houding naar elkaar.

Veroordeling van anderen onder een vrome dekmantel is een wapen in handen van ‘religieuze’ boze geesten. Deze oordeelszucht over de ander, die eis naar de ander en kritiek op de ander is een gif van de oude slang, dat mensen en hele gemeenten kapot kan maken.

In elk geval werkt de ‘oordeelgeest’ op zijn minst verlammend ten aanzien van eenheid!

Jezus maakte hier korte metten mee door te zeggen: “Oordeelt NIET” (Matth. 7:1). De Heer gaf daarbij de leerzame illustratie van de balk in eigen oog niet zien, maar wel de splinter bij de ander opmerken. Jezus vond dat huichelarij, omdat je pas scherp genoeg kunt zien, om die splinter bij die ander te verwijderen, als je EERST de balk uit je eigen oog hebt weggedaan (Matth. 7:3-5). Kortom: oordeel de ander niet, maar oordeel jezelf! Dat wil zeggen: “Zie toe op jezelf en op de leer” (1 Tim. 4:16). Met andere woorden: kloppen mijn daden wel met de woorden die ik spreek, of de leer die ik verkondig? “Indien wij echter onszelf beoordeelden (=toetsten), zouden we niet onder het oordeel komen. Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd (=opgevoed), opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden” (1 Kor. 11:31-32).

De wijsvinger naar de ander die de schuld heeft (of: zou hebben), is dichtbij, maar ben ik bereid mijzelf op de proef te stellen en te onderzoeken, of ik wel in het geloof ben en of ik zeker weet dat Jezus Christus in mij is (2 Kor. 13:5)? Als ik mijzelf de spiegel wil voorhouden en eerlijk naar binnen durf te kijken, dan word ik mild voor anderen in de gemeente. Ook als ze naar het aanzien nog fouten (lijken te) maken, die ik ondertussen allereerst bij mezelf heb gezien. Niet om mijzelf daarmee te deprimeren, want de dingen zien in Gods licht leiden tot reiniging en heiliging. Het oordeel (=scheiding, bijv. tussen wat God wil en wat zonde is, of tussen mens en macht der duisternis) wordt tot overwinning gebracht! (Matth. 12:20).

Wij zullen toezien op onszelf en waakzaam zijn (bijvoorbeeld Luk. 21:34-36). God geeft ons steeds een beetje licht, om te oordelen over wat we bij onszelf zien en op die wijze scheiding aan te brengen tussen duisternis en licht, tussen goed en kwaad in ons leven!

Jezus sprak: “nu gaat er een oordeel over deze wereld, nu wordt de overste dezer wereld buiten geworpen” (Joh. 12:31). God brengt oordeel (=scheiding) aan tussen de mens en de overste van de macht der lucht, die hem in deze wereld beheerste, geheel, of nog op bepaalde deelgebieden in ons leven.

Het is een heerlijke zaak dat we de ander niet hoeven te oordelen, maar onszelf onder de loupe durven te nemen en dat de machten der duisternis uitgeworpen kunnen worden, om te beginnen uit ons eigen leven en uit de gemeente. Laten we deze sleutel gebruiken, die zo bevorderend werkt voor de eenheid tussen christenen!

10. Altijd de gevoeligheden van elkander verdragen

In Romeinen 14 (vergelijk 1 Kor. 8:7-13; 1 Kor. 10:23-33) lezen we over ‘sterken’ en ‘zwakken’ en vinden we een heel gebied, waar vaak een strijd over gevoerd is, bijvoorbeeld over wat men wel of niet eten mag en welke dagen men al dan niet zal vieren.

Wij lezen: “Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden van de zwakken verdragen en niet onszelf behagen (=ons eigen belang dienen, NBV)” (Rom. 15:1). Door zichzelf te behagen in het vasthouden en uitdragen van eigen meningen, is er veel onenigheid ontstaan over ondergeschikte punten, die bijzaken zijn.

Op dit terrein – het gaat immers niet over zonden – is vrijheid en verdraagzaamheid nodig en daarom elkaar te aanvaarden, ZOALS Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods (Rom. 14:1-2; Rom. 15:7).

“De God der volharding en vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar het voorbeeld van Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit EEN mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken” (Rom. 15:5-6).

Het is jammer als men ter wille van eten (en dergelijke punten) het werk van God afbreekt (Rom. 14:20). Men heeft dan niet hetzelfde licht over detailonderwerpen. Deze verscheidenheid in en schakeringen mogen er zijn over niet-wezenlijke kwesties.

De leden die het zwakst zijn, zijn noodzakelijk en krijgen meer eer, opdat er GEEN VERDEELDHEID in het lichaam zou zijn en de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen (1 Kor. 12.22-25).

Ergens anders schrijft Paulus: “Indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren” (Fil. 3:15). Het gaat op die plaats wel over christenen met een 100% gezindheid, die naar het volkomene jagen (Fil. 3:12) en die in vertrouwen zeggen: “maar hetgeen wij bereikt hebben, in DAT spoor dan ook verder (Fil. 3:16). Samen! In plaats van ieder op zijn eigen spoor maar uit elkaar verder te gaan als gevolg van een niet-wezenlijk punt van verschil in inzicht. Paulus schrijft: “Let wel op wat ik zeg, want de Here zal u in alles inzicht geven” (2 Tim. 2:17).

De apostel geeft aan te letten op het geweten van de ander en ter wille van degene die zich daaraan kan stoten bepaalde zaken te laten, bijvoorbeeld het drinken van wijn (Rom. 14:15,21). Het is belangrijk er attent in te zijn niet door aardse zaken tot een aanstoot of ergernis voor je broeder of zuster te worden!

De hoofdrichtlijn luidt: “Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert” (Rom. 14:19). Dan gaat men niet muggenziften over futiliteiten, of zaken die elke oprechte christen in het geloof dat hij bij zichzelf heeft voor Gods aangezicht mag houden zonder zich verwijten te maken bij hetgeen hij goed acht (Rom. 14:22).

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *