Binnenlicht en buitenlantaarn

De menselijke geest en Gods Geest

We lezen in Spreuken 20:27: “De geest van de mens is een lamp des Heren, doorzoekende al de schuilhoeken van het hart”. De spreukendichter geeft aan dat het licht van de menselijke geest niet geheel en al gedoofd is sinds de zogenaamde zondeval. Daarmee zou de menselijke geest helemaal in het duister verkeren volgens de gangbare opvatting. Als wij met name denken aan de lamp van ons geweten, dan verstaan wij dat deze ‘stem’ in ons binnenste bij een goed funktioneren ervan de schuilhoeken van ons hart kan doorzoeken. Bij sommige mensen is echter het geweten als met een brandijzer toegeschroeid (1 Tim.4:2, St.vert.) en dit doelt dan op de aantasting van het zuivere geweten door de machten der duisternis.

De algemene opinie is dat de mens in één keer verdorven werd door de zondeval. Opmerkelijk is echter, dat God bij Kaïn een appèl deed op zijn geweten, op zijn besef van goed en kwaad.  “En de Here zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, INDIEN GIJ GOED(!) HANDELT? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, DOCH OVER WIE GIJ MOET HEERSEN” (Gen.4:6,7). De keuze tot goed handelen was nog mogelijk, evenals het heersen over de belager tot zonde! De zonde als belager is een persoon: de duivel. In plaats van de kop van de slang aan te pakken en het slangenvenijn in de kiem te smoren, maakte Kaïn de slechte keus zijn broer een kopje kleiner te maken. In 1 Joh.3:12 staat als conclusie: “hij was uit de boze”.

In de engelenwereld had een zondeval plaatsgevonden, die onherroepelijk was. Bij de mens is de verleiding van buitenaf door de satan tot stand gekomen en zo is deze tot ‘zondeverval’ gekomen (een proces van afwijken en onnut worden door het addergif, zoals we in Rom.3:11,12 lezen). Daarom is er ook voor de mens verlossing mogelijk door het werk van Jezus Christus en geldt in onze nieuwe leven: “laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen” (Rom.6:12). Hier wordt de zonde als koning voorgesteld, dus als een persoon, evenals trouwens ook de dood (Rom. 5:14).

De menselijke geest is van goddelijke komaf en als zodanig diens lamp! Toch is zij door  en onder de beïnvloeding van het rijk der duisternis een zwakke lamp. Zij is ALLEEN uiteindelijk niet opgewassen tegen de pressie van de boze geesten. We kunnen de menselijke geest vergelijken met een lamp van bijvoorbeeld 40 of 60 watt. Daarmee vergeleken kunnen we het ongelofelijke potentieel van Gods Geest zien als een ‘elektriciteitscentrale’. Toch sluit Gods Geest aan bij de menselijke geest en is er sprake van een ‘huwelijk’, als men een kind van God geworden is, die tevens gedoopt is in Gods Geest (Rom.8:16). De heilige Geest van God versterkt de zwakke menselijke geest enorm, zodat de mens krachtig wordt om de strijd tegen de geesten der duisternis aan te kunnen en daarin te overwinnen!

 

Zelfonderzoek in Gods licht

Als wij de menselijke geest vergelijken met een zaklamp, dan kunnen we Gods Geest wel een schijnwerper noemen. Deze werpt het zoeklicht naar binnen en spreekt over ons doden van de werkingen des lichaams door de Geest (Rom.8:13). Dat is dus niet de passieve gezindheid van: “de Geest moet het maar doen” of “wijk nu al eigen kracht”. Integendeel: onze eigen inzet daarbij is een goede zaak. Het eerste gebod zegt immers onder andere: De Here, uw God liefhebben met… AL UW KRACHT.  Als wij onze eigen kracht inzetten, merken wij dat wij tekort komen, om de zege te behalen, dat de kracht van de menselijke geest ontoereikend is en dat wij behoefte hebben aan Gods kracht, die ons als mens niet uitschakelt, maar juist inschakelt. “Indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven” (Rom.8:13). Bij dit onderzoeken van ons leven, onze reakties in de situaties, zijn we ten volle betrokken en er valt veel in onze gedragingen te reinigen. Als wij zelf op dat moment niet voldoende licht hadden, om onze manier van optreden te ‘zien’, dan geeft de Geest van God ons er vaak achteraf meer licht over.

Op die wijze valt er nadat we gedoopt zijn in de heilige Geest veel te doden. Als wij dingen bij onszelf ontdekken, die naderhand bezien beter hadden gekund, dan hoeft ons dat niet te ontmoedigen. Integendeel, we grijpen veeleer hoop om verder te komen en meer van het karakter en de mentaliteit van Christus tot uiting te laten komen.

Als wij licht van God over ons leven krijgen, dan kunnen wij onszelf oordelen. Oordelen is scheiding maken in ons binnenste tussen goed en kwaad, tussen zonde en gerechtigheid en tussen mens en macht. Reeds in het oude verbond lezen we: “Want bij U is de bron des levens, IN UW LICHT ZIEN WIJ HET LICHT” (Ps.36:10). “Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is…” (Joh.3:19a). Toen Jezus kwam als het licht der wereld, voltrok zich een scheiding tussen de mensen, die Hem volgden en het rijk der duisternis. Helaas zijn er ook mensen die de duisternis liever gehad hebben dan het licht (Joh.3:19b). Maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke dat zij in God verricht zijn (Joh.3:21). De belofte is: “wie Mij volgt, zal nimmermeer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben” (Joh.8:12).

Een eerlijk en gezond zelfonderzoek in Gods licht is heilzaam en helpt ons op de weg vooruit. Laten wij niet luchthartig over de dingen in ons innerlijk leven heenwalsen. Wie de hoop heeft Jezus gelijk te zijn, reinigt ZICHZELF, gelijk Hij rein is (Joh.3:3, St.vert.). Regelmatig vermaant de Schrift ons met “zie toe op uzelf” (bijv. Luc.21:34; 1 Tim.4:16). Met andere woorden: kijk of je leven klopt met de gezonde leer!

Bij het avondmaal lezen we: “ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker” (1 Cor.11:28). “Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen” (1 Cor.11:31). Hier kunnen wij niet lichtvaardig mee omgaan. Het is nodig onszelf af te vragen hoe onze wandel in de praktijk is en waar nog ijdele wandel is ons hiervan te reinigen. Als wij de waarheid over onszelf erkennen, zal de waarheid ons vrijmaken. Om op sektoren in ons leven losgekoppeld te worden van de machten der duisternis is het vaak nodig voorbede te vragen. Dat is helemaal geen gezichtsverlies, want daardoor word je juist vrij van banden. Het is een masker om de schijn van in het volle licht te wandelen op te houden en te blijven jubelen, als dit niet in geest en waarheid is. In het licht van het Woord kunnen we onszelf onder de loupe nemen en ont – maskeren wat bijvoorbeeld bedriegelijke, geveinsde vroomheid was. God zoekt waarheid in het verborgene! (Ps.51:8). Hij wil zo graag dat wij echt en puur zijn! “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie, of bij mij een heilloze weg is, en leid mij op de eeuwige weg (Ps.139:23, 24).

Dit zijn ernstige dingen, die we niet af kunnen wimpelen met een oppervlakkige blijdschap. “Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk” (2 Cor.13:5).

In onze woonkamer hebben wij een spotje gericht op een zwart hoekelement. Soms zie je daar stof liggen. Licht van God over ons leven, toont ons die gebieden waar verdere reiniging kan plaats vinden.

Als in een boodschap bijvoorbeeld het gebied jaloersheid in het licht wordt gesteld, dan kunnen we onszelf toetsen waar we mogelijk nog last hebben van de geest van jaloersheid. Soms kan een getuigenis ons treffen: als de Heer hem of haar daarvan bevrijd heeft, dan kan ik daar dus door dezelfde kracht van God ook de overwinning behalen! Ook een geestesuiting kan soms zo raak zijn, dat er een schuilhoek wordt belicht met daarbij de bemoediging van verlossing en herstel. Een regel uit een lied kan iets in ons leven aanwijzen, zodat we aan dat punt gaan werken.

Wat een hoop op verdere, diepere innerlijke vernieuwing biedt God ons! Als wij de dingen waar God ons gaandeweg licht over geeft serieus nemen, dan zijn we in ontwikkeling, in voortdurende heiliging! Deze grondige doorlichting door Woord en Geest, die ons noopt tot zelfonderzoek, is een enorme hulp, om nog resterende, voorheen wellicht onbewust aanwezige duistere plekken te beschijnen. Dit niet om ons te verblinden, maar om nog donkere of mistige terreinen op te klaren en ons de ogen te openen voor een verdere, voortgaande reiniging en verlossing. “Op Hem hebben wij immers onze hoop gevestigd, dat Hij ons ook verder verlossen zal” (2 Cor.1:10b). De tegenstander tracht op sommige gebieden in ons leven lang zijn poot stijf te houden, maar hij zal – als wij getrouw de weg van Jezus gaan – terrein na terrein verliezen!

 

Licht naar buiten

Van Jezus staat: “Ik ben het licht der wereld” (Joh. 8:12 en 9:5). Er is echter ook geschreven: “Gij zijt het licht der wereld” (Matth.5:14).

De opdracht is: “Want gij waart vroeger duisternis, maar thans zijt gij licht in de Here; wandelt dan als kinderen des lichts” (Efeze 5:8). Of: “Doet alles zonder morren of bedenkingen, opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld, het woord des levens vasthoudende…” (Fil.2:14,15,16a).

Waar in ons eigen leven Gods licht geschenen heeft, daarmee kunnen wij anderen nadien helpen. Reeds aan Abram zei God: “Ik zal u zegenen en gij zult tot een zegen zijn” (Gen.12:2). In zoverre wij verlost zijn, kunnen wij ook anderen helpen tot bekering, Geestesdoop, bevrijding en levensheiliging. Naarmate wij deelhebben aan het leven van Christus, kunnen wij uitdelers van dit heil aan anderen zijn. Wij kunnen anderen niet verder helpen dan daar waar we zelf zijn. “In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen” (Joh.1:4). Ons leven zal in toenemende mate het licht van Christus uitstralen naar de mensen. Wij ervaren soms wel dat onze lichtsterkte nog beperkt is en dat wij (nog!) niet in staat zijn, om elk mens die op ons pad komt in de naam van Jezus van duistere machten vrij te zetten. We zoeken naar vermeerdering van kracht, licht, inzicht, wijsheid en gezag, om anderen meer en beter te kunnen dienen! Laten wij lichtdragers zijn met een bewogen hart voor gebonden en beschadigde schepselen Gods.

 

De buitenlamp van gastvrijheid

De elektriciteit voor een buitenverlichting bij een huis komt van binnenuit het huis.

Als er binnen leidingen zijn, kan er ook naar buiten toe een snoer getrokken worden tot verlichting.

Een tijdje deed de buitenlamp bij ons het niet. Tot we ons bewust werden dat dit voor iemand bij ons -’s avonds op de stoep niet bepaald een welkom entree bood. Daarom werd er een nieuwe lamp ingedraaid.

Geestelijk is het precies zo. Laat er een “kom en zie” van ons mogen uitgaan! Wees zo alert om de buitenlamp in je leven bewust te laten branden, zodat je mensen in nood kunt uitnodigen. Zo’n open huis is het tegenbeeld van de “my home is my castle”- gedachte. Ook eenzame zielen binnen de gemeente, snakken naar warme, gastvrije huizen, waar zij begrip vinden en hulp, om een stap tot God te doen, of om verder herstel te vinden. “Weest gastvrij jegens elkander, zonder morren” (1 Petr.4:9). Er bestaat ook een zogenaamde, formele gastvrijheid, waarbij er van binnen gesputterd wordt. Dat komt, omdat er helaas ook onder christenen nog heel veel voor zichzelf geleefd wordt. Laten wij toch de tijd uitkopen, om voor anderen te leven en van harte anderen uit te nodigen, zoveel als in ons vermogen ligt. Een hart vol van ontferming reikt anderen graag licht en warmte aan.

 

De buitenlantaarn aan in de gemeente

“Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven” (Matth.5:14b). Wanneer wij het pad van de rechtvaardigen gaan, dat is als het glanzende morgenlicht en steeds helderder straalt tot de volle dag (Spreuken 4:18), dan verlangen wij ernaar mensen in de duisternis licht te schenken, zodat ze aan de weet komen waarover zij kunnen struikelen. Als wij een heerlijke verkondiging horen over de openbaring van de zonen Gods, die met Jezus de zuchtende schepping gaan herstellen, dan verlangen wij nu reeds in het klein te anticiperen op dat komende volle heil en willen wij ook leren werken met de krachten van de toekomende eeuw tot zegen van de mensen om ons heen. Wat wij nu aan licht om ons heen mogen verspreiden, is een voorbode van hetgeen we op grotere schaal straks mogen doen. Het is de kostelijke opdracht, om samen met Jezus tot licht der volken te zijn, opdat Gods heil reike tot het einde der aarde (Jes.49:6).

 

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *