Engelen in handelingen en de engel aan Branham’s zijde

Een kleine impressie (8)

uit het boek ‘In het huis Mijns Vaders…’     door Jildert de Boer

Engelen en gezichten in het Bijbelboek Handelingen

Het weinig voorkomen van gezichten wordt in de Bijbel niet als iets positiefs opgevat. In 1 Sam. 3:1b lezen we ten tijde van de jonge Samuël in dienst van Eli: “Nu was in die dagen het woord des Heren schaars; gezichten waren niet talrijk” met bijna meteen daarachter: “Nog was de lamp Gods niet uitgegaan” (1 Sam. 3:3).

Er kan opgemerkt worden dat de Bijbel laat zien dat het soms gebeurt dat engelen in directe zin met mensen communiceren. In onze tijd lijkt dit een zeldzaam verschijnsel. Daarbij teken ik tevens aan dat de dienst van ware profeten in onze tijd vaak een ondergesneeuwd terrein is, mede omdat er ook zoveel valse profetie voorkomt. Toetsing is altijd geboden, ook van openbaringen, die zich door middel van gezichten aandienen.

Ik wil nu nagaan wat het praktische boek van de Handelingen der apostelen zegt over engelen en gezichten.

De Pinksterbelofte in Hand. 2:17-18 geeft aan: “uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen… .”

In Hand. 5:19 lezen we: “Maar een engel des Heren opende des nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten en zeide: Gaat heen, gaat in de tempel staan en spreekt tot het volk al deze woorden des levens.”

Een ander voorbeeld vinden we in Hand. 8:26: “En een engel des Heren sprak tot Filippus en zeide: Sta op en ga tegen de middag de weg op, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza. Deze is eenzaam.” Daarbij zien we nog dat de leiding van de Geest tevens wordt vermeld: “En de Geest zeide tot Filippus: Treed toe en voeg u bij deze wagen” (Hand. 8:29).

In Hand. 9:10 spreekt de Here tot een discipel, genaamd Ananias in een gezicht “Ananias” en hij zeide: “Hier ben ik, Here.” Vervolgens legde de Here hem uit hoe hij Saulus kon vinden en wat hij moest doen. Naar blijkt uit Hand. 9:12 sprak de Here omgekeerd ook tot Saulus over de komst van Ananias tot genezing.

Een volgend voorbeeld is het verhaal over Cornelius dat we lezen in Hand. 10:3-6 (vergelijk Hand. 11:13): ”Hij zag in een gezicht, omstreeks het negende uur van de dag, duidelijk een engel Gods bij zich binnenkomen en tot hem zeggen: Cornelius! Hij staarde hem aan en werd zeer bevreesd en zeide: Wat is er, heer! En hij zeide tot hem: Uw gebeden en aalmoezen zijn voor God in gedachtenis gekomen. En nu, zend mannen naar Joppe en nodig een zekere Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus; deze is de gast van een Simon, een leerlooier, wiens huis bij de zee ligt.” Cornelius was gehoorzaam aan de opdracht van de engel, die tot hem sprak, zodra deze weggegaan was (Hand. 10:7-8). Bij Petrus werkte God intussen ook aan de andere kant van de lijn door middel van een gezicht en een stem (Hand. 10:9-18; Hand. 11:5-10). “En terwijl Petrus nog steeds over het gezicht nadacht, zeide de Geest: Zie twee mannen zoeken naar u; zo staat dan op, ga naar beneden en reis zonder bezwaar te maken, met hen mede, want Ik heb hen gezonden” (Hand. 10:19-20). Cornelius had door een heilige engel een godsspraak ontvangen (Hand. 10:22).

Hand. 12:7-11 begint met “En zie, een engel des Heren stond bij hem en er scheen licht in het vertrek…” en we lezen daar hoe Petrus door een engel uit de gevangenis wordt geleid.

In Hand. 13:2 komen we tegen dat de heilige Geest sprak, waarschijnlijk door middel van profetie: “En terwijl zij vastten bij de dienst des Heren, zeide de heilige Geest: Zondert Mij  nu Paulus en Barnabas af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.”

In Hand. 16:9-10 kunnen we lezen: “En Paulus kreeg in de nacht een gezicht; er stond en Macedonisch man, die hem toeriep: Steek over naar Macedonië en help ons. Toen hij het gezicht gezien had, zochten wij dadelijk gelegenheid om naar Macedonië te vertrekken, daar wij eruit opmaakten, dat God ons had geroepen om hun het evangelie te verkondigen.” Het gezicht van Paulus werd hier mede getoetst door zijn reisgenoten Silas en Timotheüs.

Hand. 18:9-10 meldt: “En de Here zeide in de nacht door een gezicht tot Paulus: Wees niet bevreesd, maar spreek een zwijg niet; want Ik ben met u en niemand zal het op u toeleggen  om u kwaad te doen, want Ik heb veel volk in deze stad.”

Paulus zegt in Hand. 26:19 terugblikkend op het licht en de stem uit de hemel bij zijn bekering: “Daarom, koning Agrippa, ben ik dat hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest.”

Ten slotte vinden we in Hand. 27:23-24: “Want deze nacht heeft een engel van de God, wie ik toebehoor en die ik vereer, bij mij gestaan en hij heeft gezegd: Wees niet bevreesd, Paulus, want gij moet voor de keizer staan; en zie, allen, die met u varen, heeft God u geschonken.”

Wat toen in de begintijd van de gemeente gebeurde, kan zich ook manifesteren in onze dagen. Laat niemand dat uitsluiten. Wel moeten we voorzichtig zijn met engelenverschijningen in onze dagen. Er is namelijk veel nabootsing en imitatie door satan, maar dat betekent natuurlijk niet dat wij ons daarom helemaal niet meer met engelen en bovennatuurlijke dingen moeten bezighouden. Dat zou met het badwater ook het kind weggooien zijn. Engelen zijn dienende geesten (Hebr. 1:14), die ons van buitenaf kunnen bijstaan, terwijl Gods Geest binnenin ons kan werken.

De afhankelijkheid van William Branham van zijn engel

In samenkomsten vroeg William Branham mensen soms of zij geloofden dat hij Gods profeet was. Verder is het opmerkelijk dat hij het bewustzijn van de engel aan zijn zijde nodig had.

In het boek ‘All things are possible’ The healing and charismatic revivals of modern America geschreven door David Edwin Harrell jr. citeert hij op pagina 37 de bekende F.F. Bosworth, die zo vaak medewerkte aan Branham’s campagnes. In 1950 zegt Bosworth: “Broeder Branham is de meest gevoelige persoon die ik ken wat betreft de aanwezigheid van de Heilige Geest en geestelijke realiteiten die ik ooit gekend heb.” Branham werd afhankelijk van de tegenwoordigheid van een engel, terwijl hij de zieken bediende. Bosworth schrijft: “Hij begint niet met te bidden voor de genezing van de lichamelijk gekwelden in de genezingsrij iedere avond, totdat God hem zalft om de gave uit te oefenen, tot hij zich bewust is van de aanwezigheid van de engel met hem op het platform. Zonder dit bewustzijn, lijkt hij volkomen hulpeloos te zijn. Maar als er bewustheid is van de aanwezigheid van de engel, schijnt hij door het voorhangsel van het vlees heen te breken in de wereld van de geest, om door en door raak te slaan met een gevoeligheid van het onzichtbare.”

Het eerste teken, ontvangen door Branham als een bevestiging dat hij een genezend tussenpersoon was, waren ‘trillingen’ die hij voelde in zijn linkerhand. “Dat impliceert niet”, stelde Branham, “dat ik kracht zou hebben in mijn linkerhand om mensen te genezen.” Zijn bekwaamheid, om van iemand de linkerhand vast te houden en diens ziekte te onderscheiden, gaf hem niet een magische genezingskracht; het was eenvoudigweg een teken dat God met hem was.

Het tweede teken dat aan Branham gegeven was, en dat is hetgene wat het meest de tienduizenden, die het meemaakten verbaasde, was de gave van het ‘woord van kennis.’ Bosworth beschrijft de gave: “De engel vertelde hem dat de zalving ervoor zou zorgen hem te laten zien en in staat zou stellen hem te vertellen het lijden van de gebeurtenissen van hun levens van hun kindertijd af tot de tegenwoordige tijd…” Dit was een openbaringsgave om de geheimen van de harten te tonen.

In het boek ‘The healer-prophet William Marrion Branham’ A study of the Prophetic in American Pentecostalism door C. Douglas Weaver wordt op blz. 72-75 ook de rol van de engel beschreven in de bediening van Branham.

Branham was het niet eens met de suggestie dat de komst van de Heilige Geest in de vroege kerk het nodig-zijn van engelen onderving. Hij antwoordde dat een bediening van engelen nog steeds aanwezig was nadat de Heilige Geest gekomen was op Pinksteren. Hij merkte bijvoorbeeld op dat de Geestvervulde Petrus in de gevangenis bezocht werd door een engel (Hand. 12:7).

In het licht van de rol van de engel beschreef Branham zijn eigen functie, bijvoorbeeld in de toespraak How the gift came to me (April 1948). Hij verklaarde:”Toen de kinderen van Israël, die in Egypte verdrukt werden, schreeuwden om een bevrijding, zond God Zijn engel tot Mozes. Mozes had er niets mee van doen….Het was Gods engel die het werk deed, die de wonderen verrichtte. Mozes was een spreekbuis voor de engel van God; en dat is alles wat ik vandaag ben…Slechts een spreekbuis voor de engel.”

Branham werkte met zorg uit dat onder de zalving zijn woorden niet zijn eigen waren. Hij sprak eenvoudigweg de woorden van een engel (BoodschapExpectations, april 1950).

In wezen functioneerde Branham in een ‘profetische’ rol door goddelijke boodschappen over te brengen.

In Footprints on the Sands of time: The Autobiography of William Marrion Branham (Jeffersonville, Indiana: Spoken Word Publications 1975), pagina 214 lezen we: “Nu ben ik slechts jullie broeder door de genade van God. Maar wanneer de engel van de Here naar beneden beweegt, komt het als een stem van God tot u. Als ik u mogelijk aanstoot heb gegeven door dat te zeggen, vergeef mij, maar ik voelde dat u beledigd zou mogen zijn. Maar ik ben Gods stem tot u. Ziet u, Ik zeg dat opnieuw, die tijd was onder inspiratie. Ziet u?… Nu, zie, ik kan niets van mijzelf. Maar wat hij me laat zien, ik zeg het, en jullie geloven het en zien wat er gebeurt.” De meerderheid van de ooggetuigen ervaarden de engel als een hemels licht. Branham verwees vaak naar het licht van de engel als de bijbelse vuurkolom. Soms zei hij erbij dat dit licht een manifestatie van de ene God was.

Sprak Branham zichzelf tegen?


Regelmatig lezen we echter tevens dat Branham genas in de naam van Jezus en hij wachtte bij de bedieningen op de tegenwoordigheid van de heilige Geest. Hij was zich ervan bewust dat ook voor hem gold: “zonder Mij (Jezus) kunt gij niets doen” (Joh. 15:5b). Sprak Branham zichzelf tegen? Door zijn veelzijdigheid en omvangrijkheid van zijn predikingen blijft hij lastig om te beoordelen en daarom willen en kunnen wij hierover ook geen afgerond oordeel geven. Branham leert dat God geneest en vaak zegt hij ook dat hij niet kan genezen, maar dat genezing komt van Jezus Christus en aanvaard wordt in geloof.

Daar loopt in zijn angelologie (= engelenleer) tussendoor de verklaring dat deze engel al de genezingen verrichtte.

Het badwater van Betesda: geneeskrachtige goddelijke of demonische bron?

Om deze claim bijbelse grond te geven, citeerde Branham het bijbelverhaal van de genezing in het badwater van Betesda.

Is dit juist? Klopt het werkelijk dat deze engel, die het water deed vibreren te Betesda goddelijke genezing bewerkte? Er zijn inderdaad uitleggers die dit verhaal positief duiden en dan leest men met enkele vertalingen die achter het woord engel ‘des Heren’ hebben staan.

In de meeste vertalingen staat gewoon “een engel” en daarvan weten wij dat er goede en kwade engelen zijn. Behalve bij de zogenaamde engel [des Heren] (zoals enkele handschriften ten onrechte toegevoegd hebben) die werkzaam was in het badwater van Betesda (Joh. 5), waar mensen die mobiel waren of veel vrienden hadden de grootste genezingskans hadden, kennen wij geen enkele Schriftplaats waar de genezing van mensen berust op de afhankelijkheid van een engel.

Als wij de balans opmaken van een nauwkeurige lezing van deze geschiedenis in Johannes 5, dan zien wij dat hier eerder sprake was van een bedevaartsplaats, waar Jezus ten tonele verscheen en juist de meest hulpbehoevende persoon uitkoos om een genezingswonder te verrichten. Deze man had menselijk gesproken absoluut geen kans om in het van tijd tot tijd bewegende water te komen. Hij kwam altijd te laat op eigen kracht en had geen vier vrienden, zoals die andere man waar de Bijbel over spreekt (Mar. 2:1-12). De grilligheid heerste er: wie er snel bij kon zijn, had geluk en voor de anderen gold: pech gehad. Zo werkt onze God immers niet!

Op deze occulte bedevaartsplaats heerste willekeur (opzij duwen en voordringen) en onbarmhartigheid als de engel van de boze het water bewoog, terwijl Betesda juist ‘huis van barmhartigheid’ betekent. In dit occulte oord genas nu juist Jezus, de door en door Barmhartige, een eenzame en kansloze zieke uit zijn woestijnsituatie die al 38 jaar voortduurde. Bij genezing honoreert God geloof en geen troebele bronnen als bijvoorbeeld Lourdes!

Bij genezing langs occulte weg bijvoorbeeld via een magnetiseur, die over de zieke plaats strijkt (vergelijk 2 Kon. 5:11) zien wij soms dat mensen lichamelijk genezen worden, maar innerlijk angstig of depressief worden. Wat doet de boze? Hij trekt de ziektemacht terug en daarvoor in de plaats stelt hij een geest van vrees of van depressie en daarmee behept is de man of vrouw nog erger af. Iemand vergeleek dit eens met het ‘verscharen’ van vee, zoals een boer dat doet: hij haalt kleinere dieren (bijv. koeien) uit de weide en zet er grotere dieren voor in de plaats (bijv. paarden). Zo wisselt de duivel ook zijn troepen en roept minder sterke machten terug en vervangt ze door sterkere boze geesten. Door genezing langs occulte weg te zoeken, raken mensen gebonden door machten der duisternis en hebben daarvoor bevrijding van demonen nodig in Jezus’naam.

Naast dit speciale geval in Johannes 5 ken ik geen Schriftwoorden die manifestaties van genezingen in verband brengen met engelen van God. Genezingen vinden in bijbelse tijden en nu nog plaats in de naam van Jezus door de kracht van de heilige Geest. De regelmatige verwijzing van William Branham naar het geheim van de aanwezigheid van zijn engel klinkt wonderlijk, maar met het Betesda-verhaal uit Johannes 5 ook enigszins verdacht, omdat er nu eenmaal goede en boze engelen zijn.

Daarbij maak ik er nog een keer nota van dat broeder Branham wel degelijk in de naam van Jezus met zieken bad en zich ervan bewust was dat daarvoor de kracht van de heilige Geest nodig was. De beoordeling van het fenomeen Branham blijft daarmee niet gemakkelijk.

Goede engelen in actie als ‘lijfwacht’

Ik noem hier nog eens het voorbeeld uit Handelingen 12 van de krachtige gebeden van de gemeente voor Petrus in de gevangenis, waar hij door een engel des Heren uitgeleid werd. Het dienstmeisje Rode bleef volhouden dat Petrus in werkelijkheid voor het portaal stond. De mensen binnen zeiden aanvankelijk: “Het is zijn engel” (Hand. 12:11-17).

Uit welke bron?

Er kan gezegd worden dat engelenverschijningen tegenwoordig minder voor lijken te komen en veel christenen zijn behoedzaam geworden met het bovennatuurlijke van God, omdat er zoveel namaak en bedrog is, helaas ook in de ultra-charismatische, christelijke wereld.

Engelen zijn ook populair in New Age en bij occulte zieners als bijvoorbeeld Jacob Lorber (1800-1864), die dikke boekdelen gedicteerd kreeg door een inwendige stem en Emanuël Swedenborg (1688-1772), die nieuwe openbaringen vanuit visioenen kreeg. We denken ook aan Joseph Smith (1805-1844), de stichter van de ‘Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen’, aan wie de engel Moroni in 1823 verscheen die hem de gouden platen toonde met de inhoud van het boek van Mormon, dat aanvullende openbaring op de Bijbel zou bevatten. Deze engel kwam uit het rijk der duisternis, omdat de inhoud van de boodschap zich niet conformeert aan de Bijbel.

Helaas hadden deze als voorbeeld genoemde mannen niet genoeg aan Gods openbaring in de 66 boeken van de Bijbel. Dan heb ik het nog niet eens gehad over de vele Mariaverschijningen die door de Rooms-Katholieke kerk geclaimd worden, terwijl Maria een gestorven heilige is die niet aanbeden mag worden.

We leren uit deze paar voorbeelden en uit legio andere dat het hier nauw luistert met welke kant van de onzichtbare, geestelijke wereld (= hemelse gewesten of hemelsferen) men van doen heeft: met de lichtzijde of met de duistere zijde.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *