Enkele aspecten van bedieningen in de gemeente

Menselijk of geestelijk

“En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus” (Efeze 4:11-12).

Waarom gelooft men in het algemeen zo weinig in apostelen en profeten ook in deze tijd? Staat er ergens dat God deze bedieningen heeft teruggenomen?

Het is wel zonneklaar dat naast de twaalven en Paulus ook anderen worden aangeduid als apostel in het nieuwe testament. Het woord apostel betekent gezondene of afgevaardigde (zo wordt het soms vertaald). Jezus Zelf wordt zo genoemd (Hebr.3:1). Verder: Jacobus (Gal.1:19), Barnabas (Hand.14:14), Andronikus en Junias (Rom.16:7), Epafroditus (Fil.2:25), Titus en anderen (2 Kor.8:16-18,22,23), Silvanus (Silas) en Timotheüs (1 Thess.1:1; 1 Thess.2:6).

Over nieuw-testamentische profeten kan men lezen in Hand.11:27,28; 13:1,2; 15:32; 21:10; 1 Cor.14:29. Profetisch spreken is nog steeds broodnodig in de gemeenten.

In Hand. 8 zien we Filippus aan het werk met zijn evangelieprediking, zowel in de stad Samaria als op een eenzame weg met een enkeling, de kamerling uit Morenland. Hand.21:8 noemt hem: Filippus de evangelist. Paulus schrijft aan Timotheüs: “doe het werk van een evangelist” (2 Tim.4:5). De bediening van evangelist is voluit actueel in onze dagen. Deze zal ook niet schromen om mensen te dopen (Hand.8:12,38).

Tenslotte worden de herders en leraars vermeld. Deze verslijt men in de kerkelijke traditie voor “dominees”. Alleen deze mogen – wat men noemt – alle “ambtelijke handelingen” verrichten. Op grond waarvan? Vanwege opleiding en studie en kerkordelijke bepalingen die wezensvreemd aan de Schrift zijn. Hier heerst een rijstebrij van menselijke inzettingen over Gods Woord.

Iemand wordt geen herder door studie, door aanstelling met salaris of iets dergelijks. Door Gods werkingen in hem kan iemand zorg voor de zielen aan de dag leggen en opgroeien tot een herder. Dit zien en bemerken degenen die zijn vrijwillige, onbaatzuchtige dienst ervaren. Hij is er niet op uit om huurling te zijn met een flink loon, maar de schapen gaan hem ter harte! Hier is geen sprake van een menselijk beroep, maar van goddelijke roeping!

Leraar in een gemeente wordt men evenmin door menselijke opleiding of welsprekendheid. Deze bediening is een kwestie van ontwikkeling, van geestelijke rijping en van een geestelijk inzicht in het Woord. Daar gaat tijd overheen (Hebr.5:12). Niet iemands spreektalent of maatschappelijke positie maakt hem geschikt, om de gemeente te dienen als leraar. Het gaat om geestelijke inhoud!

God stelt aan in bedieningen (1 Kor.12:28). Het is niet vanwege mensen, noch door een mens (Gal.1:1). Paulus schrijft: “Indien ik nog mensen trachtte te behagen, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn” (Gal.1:10b). Het gaat er dus alleen maar om in ootmoed voor Gods aangezicht te dienen en zo een dienstknecht van Christus te zijn. Dit staat los van “prachtig preken” en allerlei beschouwende analyses, maar hier is de essentie om met betoon van geest en kracht van God het getuigenis van God te komen brengen (1 Kor.2:1-5). Dan krijgen de gemeenteleden werkelijk voedsel voor de inwendige mens en hulp voor hun dagelijks leven!

 

Oudsten: in geest en waarheid

Een oudste zijn heeft niets te maken met meerderheid van stemmen of met vier jaar aantreden en weer aftreden. Evenmin met heerschappij voeren over de kudde, maar wel met een voorbeeld zijn voor de kudde (1 Petr.5:2-3). Het vergt een dienend en onberispelijk leven, om als Paulus te kunnen zeggen: “Wordt mijn navolgers, gelijk ik Christus navolg” (1 Kor.11:1; zie ook 1 Kor.4:16; Fil.3:17; 1 Thess.1:6).

Let op de voorwaarden waaraan een “oudste” dient te voldoen! (1 Tim.3:2-7; Tit.1:5-9). Deze lijsten met karaktereigenschappen zijn niet kinderachtig en we willen de normen die het Woord hanteert niet omlaag schroeven.

Titus zag op Kreta uit naar degenen die het meest geestelijk waren en vertrouwen hadden onder de broeders. Hij keek naar oudsten op de weg van Christus, in leef-tijd met Hem, volgens Gods werk en de mate van ontwikkeling van goddelijk leven in hen!

Door Gods behandeling en toerusting worden wij gevormd. Laat niemand zich enige titel aanmeten naar menselijk snit (Matth.23:7-12). Een woord dat we wel op alle bedieningen kunnen toepassen, vinden we in Hebr.5:4: “En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, maar men wordt ertoe geroepen door God”. Een andere belangrijke tekst in dit verband is 2 Kor.10:17-18: “Maar wie roemt, roeme in de Here, want niet wie zichzelf aanbeveelt, doch wie van de Here een aanbeveling ontvangt, heeft de proef doorstaan”.

 

Diakenen of dienaren

“Diaken” zijn houdt niet maar in op een speciale plaats vooraan zitten en collecteren. Waarom ook dit dure, deftige vergriekste woord? Het gaat om helpers (Hand.6:1-6), die gewoon dienen. Zij zijn bereid om de anderen de voeten te wassen in nederigheid en hebben de harte-instelling om nood te lenigen.

Het heeft niets in zich van aanmatiging en ambt-enarij! God zoekt geen ambtenaren, maar eenvoudig louter toegewijde dienaren! Hij zoekt geen gewichtigdoenerij, maar bewogen harten! Blijkens Handelingen 6 gaat het om mensen VOL van Geest, wijsheid en geloof! Het zijn op de proef gestelde mensen, om daarna als zij onberispelijk blijken, hun dienst vervullen (1 Tim.3:10).

Over zusters in deze dienst willen we twee glasheldere verzen aangeven. In Rom.16:1 zegt Paulus: “Ik beveel Febe, onze zuster, [tevens] dienares (diakones, Canisius Vertaling) der gemeente te Kenchreeën, bij u aan”. In 1 Tim.3:11 lezen we: “Evenzo moeten vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles”. In veel vertalingen is voor het woord “vrouwen” tussen haakjes (hun) ingevoegd, dat niet in de oorspronkelijke tekst staat en waarschijnlijk eerder is bedoeld om een kerkelijke traditie te ondersteunen.

In Fil.1:1 lezen we over “opzieners en diakenen”. We mogen ook zeggen: oudsten en dienaren! Opzieners en oudsten zijn synoniemen (Hand.20:17, vergelijk Hand.20:28; 1 Tim.3:1-2, vergelijk Tit.1:5 met Tit.1:7).

 

Zogenaamde oudsten

Niet allen die door mensen als oudste betiteld worden, zijn ook in Gods ogen OUDSTEN. De ouderdom zit niet in de kalenderleeftijd, maar in godsvrucht en wijsheid. God is niet uit op vormen en titels die geen wezenlijk, innerlijk leven in zich dragen. Het gaat om oudsten in goddelijke levensinhoud.

Wie “oudste” geworden is op grond van het zichzelf presenteren en profileren met een menselijke geldingsdrang is dit alleen zogenaamd, niet in geest en waarheid.

Een sterk voorbeeld in negatieve zin waren op een gegeven moment de oudsten van Israël: die mannen droegen hun afgoden in het hart (Ezech.14:1-3).

 

Dienen als gelijkwaardige broeders

Belangrijk is: “Verricht uw dienst ten volle” (2 Tim.4:5) en “Zorg dat gij de bediening, die gij in de Here aanvaard hebt, ook vervult” (Kol.4:17).

Het is duidelijk dat bij alle bedieningen slechts leven en godsvrucht telt! Menselijk voorkomen, rijzige gestalte, goed kunnen spreken en intellectuele capaciteiten dienen in de gemeente van de levende God geen enkele doorslaggevende rol te spelen. Hier geldt: “Gij zijt allen broeders” (Matth.23:8) en “Wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn” (Marc.10:43-44).

Het is fijn een broeder onder de broeders te zijn! Zo hadden ook de apostelen en oudsten het: ze groetten als broeders de broeders! (Hand.15:23). Zij hingen niet de “bovenbroeders” of de “overpriesters” uit, maar stelden zich als gelijkwaardigen op!

 

Alle heiligen tot dienstbetoon

De bedoeling van de bedieningen in Efeze 4:11-12 is: “Om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, met andere woorden: dat deze ook zelf mee gaan dienen naar Gods werkingen. Dan wordt de gemeente en de opbouw ervan niet een religieuze, menselijke organisatie, waar kerkordes en menselijke overleveringen heersen, terwijl het Woord Gods door al die tradities krachteloos gemaakt wordt (Marc.7:8-9,13).

De gemeente groeit en bloeit dan op als een levend organisme door de dienst van AL zijn geledingen, zoals Efeze 4:16 zo heerlijk vermeldt: “En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een WELSLUITEND GEHEEL en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht die ELK LID OP ZIJN WIJZE OEFENT, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde”.

 

Ootmoed als basis voor elke dienst

Een ware dienaar van Jezus Christus wordt gekenmerkt door nederigheid. Alleen de ootmoedigen krijgen genade (1 Petr.5:5; Jak.4:6). Over hun dienen werkt de zalving van de heilige Geest.

Wie is Hij, die zowel apostelen als profeten gegeven heeft, zowel evangelisten als herders en leraars? (Efeze 4:11). Dat lezen we eenvoudig in het voorgaande vers 10: “Hij dienedergedaald is…” Ware dienaren volgen Zijn voetstappen, volgen Jezus in Zijn vernedering en zullen te zijner tijd ook verhoogd worden. Alle menselijke grootheid moet hier wijken, al klinkt het ook nog zo indrukwekkend en zelfs al is er nog zo’n lange traditie. Gods Woord zegt: “Gij zult u niet rabbi laten noemen, want één is uw Meester en gij zijt allen broeders. En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want één is uw Vader, Hij die in de hemelen is. Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de Christus. Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn. Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen zal verhoogd worden” (Matth.23;7-12). Allerlei termen in diverse schakeringen van de christelijke wereld stroken niet met Gods Woord en passen geenszins in de gemeente van de levende God.

Daarom: overboord met alle menselijke dikdoenerij en terug naar het dienen in alle ootmoed! Waarom is men over het algemeen zo gecharmeerd van full-timers die op grond van theologische, universitaire studie menen herder en leraar te zijn geworden? Het gaat veel meer om dienaren die beproefd zijn op trouw en die hun dienst kunnen uitoefenen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter (Rom.7:6). Zij zijn opgeleid door Gods Woord en gelouterd in het dagelijkse leven. In de levensschool krijgt men openbaring over het Woord en wijsheid. Op de school van de heilige Geest is het hoofdvak “overwinning op de zonde”. Wie dit kent en smaakt kan er vanuit zijn leven tot Gods eer over spreken en vrijmoedig anderen dienen met Gods Woord. “Want zij die hun dienst goed hebben vervuld, verwerven zich een ereplaats en veel vrijmoedigheid om te spreken door het geloof in Christus Jezus” (1 Tim.3:13). Zij verkondigen het woord als een zwaard over alle zonde, wereldsgezindheid en vleselijke instelling. Zij hanteren de ijzeren staf over de machten der duisternis. Maar hun woorden zijn ook balsem voor gewonde en beschadigde zielen. Zij verlokken met heil- en troostrijke woorden van leven Gods.

Aanhangers of eer voor zichzelf zoeken zij niet , maar zij krijgen navolgers Gods. Zij zijn geen mensenbehagers, maar oefenen ook geen druk of heerschappij uit. Veeleer sporen zij de anderen aan tot een vrijwillige, heelhartige navolging van Jezus Christus. Zij binden geen mensen aan zichzelf of aan een organisatiestructuur, maar willen hen slechts in verbinding brengen met het Hoofd, Christus, en vervolgens zullen zij ook deel gaan krijgen aan het lichaam van Christus, een levend organisme! De gemeenschap binnen dit lichaam is een kruisgemeenschap: “Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd” (Gal.5:24; vergelijk 2 Kor.5:15-17). In deze broederschap geldt ootmoed als de grondwet, zowel wat betreft de persoonlijke, geestelijke ontwikkeling als wat het dienen van de leden van het lichaam naar elkaar toe aangaat. Alle heerszucht, afgunst, eigen gelijk en sterke mening kan in de dood van Christus worden gegeven, opdat Zijn leven tevoorschijn komt en de onderlinge gemeenschap toeneemt.

 

Krachtens een onvernietigbaar leven

In het oude verbond werd men priester op basis van geboorte uit de stam van Levi. Dit betrof een voorschrift betreffende vleselijke afkomst. In het nieuwe verbond is er eenverandering van priesterschap (Hebr.7:12), te beginnen met Jezus Christus Zelf. Onze Heer is immers gesproten uit Juda, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft (Hebr.7:13,14). Volgens vleselijke afkomst had Jezus Christus geen enkel recht op het priesterschap! Naar het evenbeeld van Melchizedek is hij dit niet geworden krachtens een wet met een voorschrift betreffende vleselijke afkomst, maar krachtens een onvernietigbaar leven (Hebr.7:15,16). Jezus heeft Zichzelf geofferd door de eeuwige Geest (Hebr.9:14). Hij leefde altijd dienend (Matth.20:28). Voor de eerste maal in de historie werd in Hem als mensenzoon een goddelijk, onvernietigbaar leven op aarde geopenbaard!

Hoe is het nu met hen die Jezus volgen, die in Zijn lichaam functioneren?

Daar geldt dat God aanstelt naar de mate van leven, naar de groeileeftijd in Christus. Zo komen de oudsten, de ouderen in Christus, openbaar, aangesteld door de heilige Geest (Hand.20:17,28).

 

Naar het vlees of naar de Geest aangesteld?

Wat echter veel voorkomt in de christenheid is de aanstelling naar vleselijke afkomst. Dan speelt de wereldlijke opleiding mee, het intellect, het uiterlijk aanzien, de populariteit, het rap van de tongriem zijn gesneden, enzovoort. Op grond van menselijke meerderheid van stemmen krijgt men dan een dienst of taak (en eventueel ontheffing!).

In de gemeente van de levende God gaat het echter niet allereerst om menselijke begaafdheden, maar om goddelijke levensinhoud! Daar krijgen degenen die in hun ontwikkeling goddelijke wijsheid hebben verworven vertrouwen van de anderen. Zij staan goed bekend en zijn VOL van Geest en wijsheid, VOL van geloof en VOL van genade en kracht (Hand.6:3,5,8). Wat een heerlijkheid om zulke mensen te (h)erkennen, die God aanstelt krachtens Zijn onvernietigbare, onvergankelijke LEVEN in hen, om dienaren te zijn in Zijn gemeente. Hun eigen leven tellen zij niet en achten het niet kostbaar voor zichzelf (Hand.20:24). Terwijl zij anderen dienen en zichzelf wegcijferen, komt het ook tot een diepere, innerlijke reiniging in henzelf en langs die weg komt er meer goddelijk leven in hen openbaar met de gerijpte vrucht van liefde, vrede, goedheid, geduld, enzovoort.

HUN LEVEN IS DIENEN EN HUN DIENEN LEVEN!

 

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *