Gedachten over de ‘zeventig jaarweken’

Gedachten over de ‘zeventig jaarweken’ 

Inleiding 

De leer van de opname van de gemeente voor de grote verdrukking stoelt in wezen op een bepaalde interpretatie van de zeventig jaarweken in Daniël 9. Stel dat die verklaring niet juist is, dan hangt ook de visie die de pre-trib opname van de gemeente verkondigt aan een zijden draadje. Daarom gaan we naar die moeilijke profetie kijken.

Daniël heeft gelezen in de profetieën van Jeremia en die vormen de reden van zijn gebed tot God. Zijn volk en andere volken zouden zeventig jaar de koning van Babel dienen en dan zou aan Babel zijn ongerechtigheid vergolden worden.[1] Hij wist dat God zou omzien naar Zijn volk en dat de ballingen na zeventig jaar zouden terugkeren naar Jeruzalem.[2] Daarom gaat Daniël met gebed, vasten en verootmoediging God zoeken.[3] Hij doet schuldbelijdenis en vereenzelvigt zich daar door het woord “wij” met de zonden van Israël met de schaamte op het gezicht.[4] Hij vraagt om herstel en smeekt om Gods barmhartigheid. Terwijl hij nog bidt, komt de engel Gabriël die Daniël gaat onderwijzen om de betekenis van het visioen te doen begrijpen aan de zeer beminde man.”[5] (NBG-vert.) Na de Babylonische ballingschap van 70 jaar is God nog niet met Israël klaar.

We vinden de profetie over de zeventig jaarweken (letterlijk ‘zeventig zevens’) in Daniël 9.[6] Het is een zeer moeilijke passage, waarover vele uitleggingen bestaan, dus moeten we er voorzichtig mee omspringen en niet menen dat we er alles van verstaan. Het is tasten en zoeken en veel uitleggers van diverse achtergronden hebben dat trachten te doen, ieder naar het licht dat hij had. Van sommige zaken heb ik met dankbaarheid kennis genomen. Het is met de nodige worstelingen dat ik dit hoofdstuk heb samengesteld, waarbij ik trachtte grondig kennis te nemen van de mogelijke verklaringen.

We lezen in Daniël 9:

  • Vers 24:

“Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om

-de overtreding te beëindigen (voleindigen, NBG-vert.),

-de zonden te verzegelen (af te sluiten, NBG-vert.),

-de ongerechtigheid te verzoenen,

-een eeuwige gerechtigheid[7]tot stand te brengen,

-visioen (gezicht, NBG-vert.) en profeet te verzegelen,

-en om de Heiligheid van heiligheden (iets allerheiligst, NBG-

vert.) te zalven.

Vers 25:

U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op de Messias (een gezalfde, NBG-vert.), de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden (waarschijnlijk beter: straten en muren, dus een normale, goed functionerende stad; de benauwdheid kwam door de tegenstand van de vijanden tijdens de herbouw, zoals we in Ezra en Nehemia lezen[8] Er werd gebouwd met het zwaard in de hand[9]).

Vers 26:

Na de tweeënzestig weken zal de Messias (een gezalfde, NBG-vert.) uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn (Impliciet zegt hij dat Israël en wij van het sterven van Jezus profijt zullen hebben, JdB). (Terwijl er niets tegen hem, is zegt de NBG-vert., want Jezus was onschuldig). Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog (strijd, NBG-vert.) zijn, verwoestingen, waartoe vast besloten is.

Vers 27:

Hij zal voor velen het verbond versterken (zwaar maken, NBG-vert.), één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer (spijsoffer, NBG-vert.) doen  ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over het verwoeste.”[10]

In Maranatha- en Vergaderingskringen is dit een heel bekende profetie. In deze kringen wordt deze profetie uit Daniël 9 vaak aangehaald en zijn er veel conclusies aan verbonden. Er is beslist veel gezocht en gevorst. Daarvoor respect, zeker omdat het ook  geboren is uit een verlangen naar de wederkomst van Christus. Echter, het is allemaal wel indirect gekoppeld aan:

  • de leer van de opname voor de grote verdrukking,
  • de ‘onderbrekingsleer’ door de inlassing van de gemeenteperiode
  • een aardse, natuurlijke Israëlleer.

Een aannemelijke uitleg van de zeventig jaarweken (visie 1)

De meeste uitleggers zijn het er wel over eens dat de dagen in deze profetie duiden op jaren. Dat gebeurt in het oude testament vaker.[11] Elke week in de profetie heeft dan betrekking op zeven jaar. De profetie bestaat uit drie tijdvakken:

  • De 7 weken (49 jaar om de stad en tempel in Jeruzalem te herbouwen) +
  • 62 weken (434 jaar) +
  • 1 week (7 jaar die verdeeld wordt in twee keer drie en een half jaar).

Dat is samen 70 jaarweken die een periode van 490 jaar betreffen, waarvan met de periode vanaf Daniël, cq. de terugkeer van de ballingen naar Jeruzalem, in elk geval tot aan het optreden van Jezus Christus op aarde in Israël 69 weken of 483 jaar zijn vervuld. Bij de gezalfde na 7 weken (49 jaar) kunnen we denken aan Cyrus (Kores) die zo aangeduid wordt.[12] De herbouw van de tempel duurde 46 jaar[13]en van de muren en straten van Jeruzalem drie jaar. Daarna volgen 62 weken (434 jaar). Het bevel tot terugkeer van de Joden uit Babel naar Jeruzalem geschiedde door de koningen van Perzië:

  • Kores (538 voor Christus),[14]
  • Darius (520 voor Christus),[15]
  • Arthahsasta (Arthaxerxes Longimanus) aan Ezra (457 voor Christus),[16]
  • Arthahsasta (Arthaxerxes Longimanus) aan Nehemia (445 voor Christus).[17]

Het probleem is: vanaf wanneer precies gerekend moet worden, is niet helemaal duidelijk, evenals de afwijkingen en verschuivingen die in de kalenders zitten waar rekening mee gehouden moet worden. Zo is Jezus waarschijnlijk in het jaar 4 of 5 voor Christus al geboren als we rekening houden met het feit dat Jezus al geboren was toen de Herodes stierf (in het jaar dat wij 4 voor Chr. noemen).[18]

Het gaat om het woord dat uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen.[19] Dus niet: wanneer het bevel tot de bouw van de tempel gegeven is. Dan moeten we waarschijnlijk rekenen vanaf het bevel van de Perzische koning Arthasastha aan Nehemia in 445 voor Christus om Jeruzalem te herbouwen. Er zijn echter ook uitleggers die uitgaan van 457 voor Christus, dat wil zeggen het bevel van koning Arthasasha aan Ezra. De bevelen van Kores en Darius betroffen namelijk de herbouw van de tempel en in beide bevelen van Arthasasha ging het over de herbouw van Jeruzalem.

Wanneer we uitgaan van 445 voor Christus en de 483 jaar van 69 jaarweken, dan komen we uit op 38 na Christus. Dat lijkt teveel jaar als we uitgaan van de zalving van Christus voor Zijn bediening in 27 na Christus.

Nu hebben sommige dispensationalistische uitleggers bij het uitgaan van 445 voor Christus als startpunt een berekening gemaakt in dagen. Dat zou zijn: 69x7x360=173880 dagen (of bij 70 jaarweken: 176400 dagen). Dat dit toegestaan is, haalt men uit de dateringen bij de zondvloed.[20] Deze is begonnen op de 17e dag van de tweede maand en is beëindigd op de 17e dag van de zevende maanden. De zondvloed duurde honderdvijftig dagen, dus vijf maanden van 30 dagen (ook bij de 1260 dagen[21] zijn de maanden 30 dagen om te komen op 42 maanden die samen gelijk staan aan drie en een half jaar). Bij twaalf maanden kom je dan op 360 dagen per jaar. Na 69 jaarweken komt men dan op 32 na Christus bij de intocht in Jeruzalem. Dat is de vervulling van de profetie uit Zacharia: “Verheug u zeer, Sion! Juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.”[22] De intocht van Jezus in Jeruzalem, zoals beschreven in Matth. 21 wordt gevolgd door de radicale verhalen van de tempelreiniging[23]en de verdorde vijgeboom.[24] Extra duidelijk werd het bij de gelijkenissen van de twee zonen[25]en de slechte landbouwers[26](de onrechtvaardige pachters, NBG-vert.). Men verwierp de Koning van de Joden.

Ik twijfel aan de validiteit van de berekening vanuit 445 voor Christus met als uitkomst 32 na Christus bij diens intocht.  Er wordt namelijk over het algemeen aangenomen dat Christus vier of vijf jaar eerder geboren zou zijn dan het jaar 0 (dan kom je uit op 27/28 jaar voor Christus wat de intocht betreft en dan zou Christus feitelijk al in 28 jaar na Christus gekruisigd zijn). Bovendien wordt daarbij de zeventigste week geheel qua tijdstip losgekoppeld van de eerdere 69 jaarweken.

Als we 457 als startpunt nemen voor de 483 jaar, dan eindigen de 69 jaarweken in 26/27 na Christus. De tijd was vervuld.[27] Wanneer Hij 4 of 5 jaar voor de jaartelling is geboren, dan klopt dit met 30 jaar na Christus in Zijn zalving bij de Jordaan tot Messias en in het jaar 33 Zijn kruisiging. Daarom is 457 voor Christus het meest aannemelijke punt van vertrek bij de zeventig jaarweken. Toen de Messias (=Christus=Gezalfde) op zijn dertigste jaar in de Jordaan de zalving met de Geest ontving,[28]waren in elk geval de 483 jaar verstreken (=69 jaarweken). De meest aannemelijke uitleg en logische verklaring is dat de 70 jaarweken die bepaald of afgesneden zijn voor Israël achter elkaar, dus aaneengesloten plaatsvonden.

Na de 69 jaarweken duurde het openbare optreden van Christus drie en een half jaar, dat kan gezien worden als de eerste helft van de zeventigste jaarweek. Jezus zond Zijn discipelen als volgt uit: “U zult u niet op weg begeven naar de heidenen en u zult geen enkele stad van de Samaritanen binnengaan, maar ga liever tot de verloren schapen van het huis van Israël.[29] Maar “Hij kwam tot de Zijnen en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.”[30] Immers, helaas verwierp het volk Israël in grote meerderheid Jezus als Messias.

Na deze eerste helft van de zeventigste week – de bediening van Christus op aarde van drie en een half jaar – moesten slachtoffer en spijsoffer ophouden.[31] Deze offers waren niet meer nodig door het volbrachte werk van Christus in Zijn ene offer aan het kruis. Dit gebeurde dus halverwege de laatste of zeventigste jaarweek. Het voorhangsel in de tempel scheurde toen immers van boven naar beneden,[32]dus door Gods hand, en zo wijdde Jezus de verse (St. vert.) of nieuwe en levende weg in door het voorhangsel heen, dat is Zijn vlees[33](aardse natuur, vert. Brouwer).

Dat het voorhangsel op last van het Sanhedrin weer dichtgenaaid werd en de ceremoniële offers gewoon als ritueel doorgingen tot het jaar 70 na Christus toen de tempel door de Romeinen werd verwoest, deed aan de geestelijke werkelijkheid van Christus’ offer, dat eens voor altijd gebracht werd, niets af. Hij stierf als Lam van God voor de zonde van de wereld.[34] Jezus gaf zijn leven op Golgotha in het midden van de laatste jaarweek. De dierenoffers van de Joden waren sindsdien nutteloos, vergeefs en van nul en generlei waarde en in 70 na Christus hield de rituele schaduwdienst van offers in de tempel door haar verwoesting helemaal op.

Het tweede deel van de laatste of zeventigste jaarweek zal hebben plaatsgevonden na het sterven en de opstanding van Jezus tot en met de drie en een half jaar durende prediking van de apostelen onder de Joden.

Dat staat beschreven in het boek Handelingen en het eindpunt zou de steniging van Stefanus,[35]de eerste martelaar, in Handelingen 7 (in het jaar 34) door de Joden kunnen zijn. Het is de officiële verwerping van Jezus, de Rechtvaardige en verzet tegen de heilige Geest  door de hogepriester en door de raad (het Sanhedrin). Het gevolg was een grote vervolging door de Joden tegen de gemeente te Jeruzalem die verspreid werd.[36] In Handelingen 8 zien wij dat Filippus (voor het eerst) het evangelie van Christus in Samaria ging verkondigen.[37] Scherper gezien kan de einddatum van het tweede deel van de zeventigste week ook in Handelingen 9 liggen bij de bekering van Paulus (in het jaar 36, dat is namelijk drie en een half jaar na de kruisiging van Jezus). In Handelingen 10 bracht Petrus het evangelie voor het eerst naar de heidenen. In Handelingen 13 zien wij dat Paulus en Barnabas stuitten op het verzet van de Joden en lezen we: “Zie, wij wenden ons tot de heidenen. Zo immers heeft de Heere ons geboden: Ik heb u tot een licht voor de heidenen gesteld, opdat u tot zaligheid zou zijn tot aan het uiterste van de aarde.”[38]

Het tijdperk, waarin Israël als geheel Gods uitverkoren volk was, werd afgesloten bij de voltooiing van de 490 jaar, oftewel de zeventigste jaarweek. Jezus had in een gelijkenis gesproken over de (hoek)steen die de bouwers verworpen hadden, of anders gezegd door de erfgenaam van de wijngaard te doden.[39] Hij vervolgt met: “Daarom zeg Ik u dat het Koninkrijk van God van u zal weggenomen zal worden en aan een ander volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt.”[40] Dat wil zeggen: weggenomen van Israël en gegeven aan de Gemeente, waar de in Christus gelovige Joden deel van uitmaken.

Naast dat er verschillende antichristen zijn geweest (in de bijbelse tijd bijv. Nimrod, Haman en Judas al, en vele anderen in de geschiedenis), zal volgens deze visie, waar ik me grotendeels in kan vinden, in de eindtijd de uiteindelijke antichrist geopenbaard worden. Waar komt deze vandaan? In 1 Johannes 2 lezen we dat de antiochrist van ons (de gemeente) is uitgegaan, hoewel hij niet uit ons was.[41] Met hem als mens van de wetteloosheid en zoon van het verderf komt de gemeente van Jezus Christus in de eindtijd in confrontatie te staan.

Een alternatieve kijkrichting op de zeventig jaarweken (visie  2)

Een andere visie luidt dat de eerste helft van de laatste jaarweek vlak voor de dood van de Messias plaatsvond, zoals hierboven in visie 1 is beschreven: in de openbare bediening van Jezus Christus. Maar de vervulling van de tweede helft van de laatste jaarweek zou vlak voor Zijn wederkomst gesteld dienen te worden.

De vervulling van de tweede helft van de zeventigste week zou dan plaats vinden – na een lang intermezzo – ten tijde van de grote verdrukking van drie en een half jaar, waarin de antichrist of het beest uit de aarde,[42]of in Daniël de kleine horen genoemd,[43]verwoestend zal regeren. Zoals we ook in Daniël lezen: “Over de gruwelijke vleugel (dat is: bescherming zoeken bij de geestelijk afgoden van Babel) zal een verwoester (de antichrist) zijn, zelfs tot aan de voleinding toe (tot het einde toe, NBG-vert.), die, vastbesloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.”[44]

Zowel in Daniël als in Openbaring wordt deze periode aangeduid met verschillende uitdrukkingswijzen: tijd, tijden en een halve tijd, 1260 dagen of 42 maanden of een halve week.[45] Het is steeds ‘drie en een half jaar.’ Het is dezelfde tijdsperiode waarin ook de twee getuigen optreden[46]en de gemeente de vrouw is die naar de woestijn wordt weggenomen, waar zij veilig en geheel afhankelijk van God gevoed en onderhouden wordt, buiten het gezicht van de slang.[47] Merk op dat deze tijdsperiode van 1260 dagen van de zonen van God (uitgebeeld door de twee getuigen) hetzelfde is als de bediening van drie en half jaar die Jezus op aarde volvoerde.

De Maranatha-blik op de zeventig jaarweken (visie 3)

De Maranathaleer, dat wil zeggen de dispensationalistische uitleg, zegt dat de zevenste week geheel toekomstmuziek is. Zij stelt dat er een – voor de oudtestamentische profeten verborgen – hiaat is tussengevoegd van de genadetijd of de gemeenteperiode vanaf haar begin op de  Pinksterdag van Handelingen 2 tot aan de opname (het is niet eenvoudig deze lange tussentijd van de gemeente vanuit de Bijbel te onderbouwen, maar men doet dit door eraan vast te koppelen dat Gods plan met Israël is opgeschort, JdB). Dat alles hangt samen met de bedelingenleer die Israël en Gemeente van elkaar scheidt.

De laatste, nog uitstaande week zou dan de openbaring van de antichrist en de grote verdrukking van zeven jaar typeren na de opname van de gemeente. Aan het begin van deze laatste, zeventigste week zal – volgens de Maranatha-visie – de in het begin schijnbaar vredelievende antichrist[48] (met ”twee horens als die van het Lam”)[49]een verbond sluiten met Israël. Hiervoor verwijst men naar een vers in Jesaja: “Omdat u zegt: Wij hebben een verbond gesloten met de dood en met het rijk van de dood zijn wij een verdrag aangegaan“[50] en naar een tekst in Johannes: “Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader, maar u neemt Mij niet aan. Als een ander komt, in zijn eigen naam, die zult u aannemen.”[51] Die ander zou kunnen verwijzen naar de antichrist. Echter, halverwege die week, dus na drie en een half jaar, zal de antichrist zich opwerpen als tegenstander van Israël en de (oudtestamentische, schaduwachtige, JdB) offers in de ondertussen herbouwde aardse tempel in het huidige Jeruzalem laten ophouden. Inmiddels is dan ook het Romeinse rijk hersteld volgens deze leer, waarvan de voorbode al te zien zou zijn in de Europese Unie (EU). In de tweede helft van de zeventigste week zal de antichrist zich in zijn ware, satanische aard ontpoppen en zich – letterlijk in deze visie – in een herbouwde stenen tempel in Jeruzalem zetten als een god.[52] Dat wil zeggen: dat hij het voorwerp van aanbidding en van inspiratie wil zijn.

De climax van de strijd zal uitmonden in de slag Armageddon.[53] In de natuurlijke uitleg een strijd tussen aardse volken in het dal Megiddo in het land Israël. Die naam betekent ‘plaats van troepen.’ Joël spreekt bij deze vlakte van Jizreël over “het dal der beslissing.”[54]

In het oude testament vinden we een schaduwbeeld in de strijd van Balak en Deborah tegen Sisera.[55] Die troepenconcentratie klopt, maar Armageddon is geen grote aardse veldslag met wapengekletter, maar een finale krachtmeting van de oorlog in de hemelse gewesten tussen Jezus Christus en de antichrist, waar de gemeente en de engelen in betrokken zijn. Zie hieromtrent de geestelijk-symbolische uitleg in zeven leerzame artikelen van J.E. van den Brink, waarbij hij over de Wederkomst en Armageddon schrijft, waarbij Armageddon wordt gezien als de eindslag van de oorlog in de hemelse gewesten:

  • De tweede komst van Christus

http://www.krachtvanomhoog.nl/1982/1982_13.pdf

  • De weg naar Armageddon

http://www.krachtvanomhoog.nl/1985/1985_01.pdf#page=

  • Armageddon

http://www.krachtvanomhoog.nl/1985/1985_02.pdf#page=

  • De wederkomst: onze ontmoeting met Hem in de lucht

http://www.krachtvanomhoog.nl/1985/1985_07.pdf#page=

  • Armageddon, een wereldoorlog in de lucht

http://www.krachtvanomhoog.nl/1985/1985_09.pdf#page=

  • Hemelvaart en wederkomst

http://www.krachtvanomhoog.nl/1986/1986_06.pdf#page=

  • De dag des Heren

http://www.krachtvanomhoog.nl/1986/1986_09.pdf

God zal door de wederkomst van Christus met de heiligen de antichrist teniet doen, Zijn aardse volk Israël uitredden en weer tot een hoofd van de volken maken in de periode van 1000 jaren (men noemt dat wel het duizendjarige vrederijk) die zal volgen, waarbij Christus zal regeren vanuit het aardse Jeruzalem en dan zal ook de tempel van Ezechiël herbouwd worden. Aldus de Vergadering- en Maranatha-visie.

Het hiaat in deze profetie, ook wel het dal tussen twee bergtoppen genoemd dat de profeten van het oude verbond niet zagen, is een aanname van de Maranatha-leer. Het betreft dan, inclusief het verborgen tijdvak van de gemeente als interval, een periode van in totaal 483 jaar (69 jaarweken) en plusminus 2000 jaar samen. Verder meent men dat deze profetie uit Daniël 9 zowel over de gekomen Christus als over de komende antichrist spreekt die zich in de laatste of zeventigste jaarweek van 2x 3,5 jaar openbaart.

Echter, in de context waarin Daniël deze profetie schrijft, gaat het over de ballingschap van Israël, terwijl Jeruzalem een puinhoop was. God belooft het zondige volk Israël niet definitief te verwerpen. Voordat de 490 jaar verlopen zijn, zal de Heere hen niet helemaal overgeven aan de afgoden (daarachter zaten de daarmee verbonden demonen[56]) die door het volk gediend werden. “Om de overtreding te voleindigen” wordt als een zegen voor Israël (met het oog op het millennium of het vrederijk) uitgelegd in de Maranatha-visie, maar het betekent veeleer het volmaken van de maat van zonde.[57] Paulus schrijft daaromtrent: “…de Joden die zowel de Heere Jezus als hun eigen profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd. Zij behagen God niet en zijn alle mensen vijandig gezind. Zij verhinderen ons tot de heidenen te spreken, opdat die zalig zouden worden. Zo maken zij voor altijd de maat van hun zonden vol.”[58] De vertaling Obbink heeft hier in Daniél 9: “totdat de overtreding voltooid is en de maat der zonden volgemaakt…” Dit speelde in de tijd van Jezus en Hij wees al richting het oordeel van de verwoesting van de stad Jeruzalem in het jaar 70.[59] “En toen Hij (Jezus) dichtbij kwam en de stad zag, weende Hij over haar. Hij zei: Och, dat u ook nog op deze dag zou onderkennen wat u tot vrede dient! Nu is het verborgen voor uw ogen.”[60] En even verder: “…omdat u het tijdstip waarop er naar u omgezien werd, niet hebt onderkend.”[61]

Die verwoesting gebeurde door de vorst Titus die daarmee een beeld van de antichrist was, zoals we lezen: “Een vorst van een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed”[62] Dat laatste is een verwijzing en herinnering aan het oordeel van de zondvloed. Jezus zei: “dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat.”[63] Jezus kondigde het oordeel over Jeruzalem aan toen Hij in grote bewogenheid zei: “al deze dingen zullen komen over dit geslacht.”[64]

De rol van het volk Israël in een speciale positie, als uitverkoren volk onder het oude verbond, was uitgespeeld en het volk kwam gelijk te staan met alle andere volken. Van Israël (de tien stammen of Efraïm) staat er: “Geef haar de naam Lo-Ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël.”[65] Ook Juda (de twee stammen) werd Lo-Ammi, dat is: niet mijn volk.[66] Het volk heeft geen bijzondere voorkeurspositie meer, want er is bij God geen onderscheid meer tussen Jood en heiden. Heeft Israël daarmee volledig afgedaan? Nee, God heeft hen niet verstoten.[67] De belofte blijft altijd gelden dat een overblijfsel of rest van het volk behouden zou worden overeenkomstig de verkiezing van de genade.[68] Dat gebeurt ook onder het nieuwe verbond zowel met Joodse volk als ook met heidenenvolken. “En het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk (Lo-Ammi), tegen hen gezegd zal worden: kinderen van de levende God.”[69] Dit wordt aangehaald door Paulus in Romeinen 9 en hij transponeert het geestelijk heel vrijmoedig op Joden en heidenen: “Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Zoals Hij in Hosea zegt: Ik zal Niet-Mijn volk noemen: Mijn volk en de Niet-Geliefde: Geliefde. En het zal zijn dat op de plaats waar tegen hen gezegd was: U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden.”[70] Vergelijk weer bij Hosea: “En Ik zal haar voor Mij in de aarde zaaien en Mij ontfermen over Lo-Ruchama (=geen ontfermen). Ik zal zeggen tegen Lo-Ammi (=niet Mijn volk): U bent Mijn volk en hij zal zeggen: Mijn God!”[71] Daarna wordt in Romeinen 9 aangehaald: “En Jesaja roept over het volk Israël uit: Al zou het getal van de Israëlieten zijn als het zand van de zee, slechts het overblijfsel zal behouden worden.”[72]

“De ongerechtigheid te verzoenen (totdat de schuld verzoend is, vert. Obbink), en om eeuwige gerechtigheid te brengen” wijzen heen op de  zegenrijke gevolgen van de dood van de Heere aan het kruis waardoor verzoening en gerechtigheid werd gebracht.

“En iets allerheiligst te zalven” (NBG-vert.) laat de Maranatha-leer slaan op de zalving van Jezus tot Koning van de Joden bij het begin van het millennium, omdat men meent dat het allerheiligste (in de tabernakel en de tempel) de periode van 1000 jaren (het zgn.  duizendjarige vrederijk) typeert. Of: “om de heiligheid van heiligheden te zalven” zegt de HSV. Zoals gezegd zinspeelt dit op het heilige der heiligen in tabernakel en tempel. Het lijkt daarom logischer om dit toe te passen op de gevolgen van het gescheurde voorhangsel. Daarmee maakte Jezus door Zijn bloed voor ons de weg vrij naar het heiligdom,[73]dus naar het heilige der heiligen (dat model staat voor de troon van God). Zo kan het heilige der heiligen verwijzen naar de tempel van God in de Geest,[74]dat is de gemeente van Jezus Christus, die gezalfd werd met de heilige Geest op de Pinksterdag. Zo men wil: het ‘geestelijke Israël’ of Israël naar de geest uit Jood en heiden, waar de twaalf stammen model voor stonden. In het nieuwe verbond gaat het niet meer om het natuurlijke Israël dat buiten Christus nog steeds Lo-Ammi (=niet Mijn volk) is. Petrus schrijft in zijn eerste brief over de gemeente als “een uitverkoren geslacht , een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte”, zoals Israël dat was onder het oude verbond.[75] “Opdat zij de deugden (=eigenschappen) zouden verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, u, die voorheen geen volk van God (Lo-Ammi) was, maar nu Gods volk (Ammi) bent; u die zonder ontferming was (Lo-Ruchama), maar nu in ontferming aangenomen bent” (Ruchama).[76] Deze beide uitdrukkingen uit Hosea worden bij Paulus en bij Petrus toegepast op hen die in Christus zijn of zij nu Jood of heiden zijn. Zij behoren nu tot de categorie “Mijn geliefde.”

In de laatste jaarweek zal Hij (Jezus Christus) – als we het tweede deel van de laatste jaarweek vlak voor Zijn wederkomst zouden moeten plaatsen – “het verbond versterken” (bevestigen) als de gemeente in de woestijn is, buiten het gezicht van de slang.[77] God zal door het nieuwe verbond dat in Jezus’ bloed is gesloten, hen versterken in de woestijn. Hij zal hen in dat geval bewaren, zoals Hij eens Israël in het land Gosen beschermde tegen de plagen die over Egypte kwamen[78]en zoals God het volk van God destijds leidde in de woestijn door middel van de wolk-en vuurkolom.

De Maranathaleer leest hier “het verbond zwaar maken” met de toepassing op de antichrist. Onder de verwoester[79]wordt de antichrist verstaan met de gruwel van de verwoesting die in de heilige plaats  staat.[80] Antiochus Epifanes (215-164 voor Christus), koning van het Grieks-Syrische rijk, het rijk van de hellenistische Seleuciden,  die in 167 voor Christus de tempel ontwijdde, was al een voorloper van de antichrist.[81]

In elk geval slaat het vers in Matth. 24 over de “gruwel van de verwoesting” sowieso ook op de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 met een definitieve vervulling in de eindtijd door middel van de antichrist.

Slotsom 

De conclusie mag zijn dat het baseren van de opnametheorie – ingebed in de bedelingenleer – op het uitstel van de laatste jaarweek in zo’n moeilijk Schriftgedeelte als Daniël 9 op losse schroeven staat. Er moeten daarvoor diverse aannames gemaakt worden op grond van bepaalde, gekunsteld aandoende interpretaties. Er worden teveel op hypothesen (=veronderstellingen) gebouwd.

Globaal genomen zie ik het zo:

  • Visie 1, waarin de zeventig jaarweken achter elkaar passeren, vind ik het meest logisch en begrijpelijk. Zij eindigen dan waarschijnlijk in 36 na Christus als Israël niet meer als volk de drager is van de beloften door de verwerping van Christus.
  • Visie 2, waarin de eerste helft van de zenentigste jaarweek de tijd is van de drie en een half jaar durende bediening van Jezus tot Zijn kruisiging en de laatste helft (drie en een half jaar) van de zeventigste jaarweek de tijd van de grote verdrukking met de antichrist is, vlak voor de wederkomst van Jezus, spreekt mij ook aan en acht ik een plausibele mogelijkheid.
  • Visie 3, de Maranatha-leer met een lange parenthese (=het invoegen van de gemeente) na de 69ste jaarweek roept bij mij grote vraagtekens op. Dat heeft mede te maken met de kijk op de opname, de bedelingenleer en op Israël, waarmee deze visie gepaard gaat, zoals ik uiteengezet heb.

Wij gaan er daarom vanuit dat de gemeente wel degelijk door het lijden van de grote verdrukking heen moet gaan om de heerlijkheid te beërven, al heb ik ook nog wel enkele vragen overgehouden van hoe je de zeventig jaarweken het beste kunt verstaan in al haar finesses.

In elk geval hoop ik dat u door de bomen het bos nog kunt zien of omgekeerd dat u door het bos de bomen nog kunt onderscheiden. Ik hoop dat het boven samengestelde ook u de nodige leermomenten heeft gebracht.

Samengesteld door Jildert de Boer

©Verdieping en Aansporing 2020

[1] Jer.  25:11-14

[2] Jer. 29:10-14

[3] Dan. 9:3-4

[4] Dan. 9:5-20

[5] Dan.9:21-23

[6] Dan. 9:24-27

[7] Vergelijk Jer. 23:5-6

[8] Ezra 4; Neh. 2 en 4

[9] Neh. 4:17-18

[10] Dan. 9:24-27; vergelijk Dan. 9:2; 2 Kron. 36:31: Jer. 25:11; Jer. 29:10; Lev. 25:8

[11] Gen. 29:27-28; Ex. 23:10-12; Lev. 25:8; Lev. 26:34-35; Ezech. 4:6; Num. 14:34

[12] Jes. 45:1; verlijk Jes. 44:28

[13] Joh. 2:19-20

[14] 2 Kron. 36:23; Ezra 1:2-4; Ezra 6:3-5; Jes. 44:28; Jes. 45:13

[15] Ezra 6:1-15

[16] Ezra 7:1-28

[17] Neh. 2:5-8

[18] Matth. 2:19-23

[19] Dan. 9:25

[20] Gen. 7:11; Gen. 8:3

[21] Openb. 11:3; Openb. 12:6

[22] Zach. 9:9; vergelijk Matth. 21:1-11

[23] Matth. 21:12-17

[24] Matth. 21:18-22

[25] Matth. 21:28-32

[26] Matth. 21:33-46

[27] Marc. 1:15; Gal. 4:4

[28] Luk. 3:22; Luk. 4:18-19; Hand. 10:38

[29] Matth. 10:5-6

[30] Joh. 1:11

[31] Dan. 9:27b, NBG-vert.; vergelijk Hebr 10:4-9

[32] Matth. 27:51

[33] Hebr. 10:19-21

[34] Joh. 1:29

[35] Hand. 6:5-15; Hand. 7:1-60

[36] Hand. 8:1-2

[37] Hand. 8:5-25

[38] Hand. 13:46-47; vergelijk Hand. 9:15; Hand. 20:21 en Hand. 28:28

[39] Matth. 21:33-42

[40] Matth. 21:43

[41] 1 Joh. 2:18-19

[42] Openb. 13:11

[43] Dan. 7:8, 20-21, 24-25

[44] Dan. 9:27c

[45] Openb. 11:2-3; Openb. 12:6,14; Openb. 13:5; Dan. 7:25: Dan. 9:25,27; Dan. 12:7

[46] Openb. 11:3-12

[47] Openb. 12:6,14-17

[48] Naar 1 Thess. 5:3

[49] Openb. 13:11

[50] Jes. 28:15,18-19

[51] Joh. 5:43

[52] 2 Thess. 2:4; vergelijk Dan. 11:36

[53] Openb. 16:16

[54] Joël 3:14

[55] Richt. 4 en 5

[56] Vergelijk 1 Kor. 10:19-21

[57] Matth. 23:31-32; 1 Thess. 2:15-16

[58] 1 Thess. 2:15-16

[59] Matth. 23:31-38

[60] Luk. 19:41-42

[61] Luk. 19:44b

[62] Dan. 9:26b

[63] Luk. 21:20-22, NBG-vert.

[64] Matth. 23:36, NBG-vert.

[65] Hos. 1:6

[66] Hos. 1:9

[67] Rom. 11:1-2

[68] Rom. 11:5

[69] Hos. 1:10b

[70] Rom. 9:24-26

[71] Hos. 2:22

[72] Rom. 9:27

[73] Hebr. 10:19-22

[74] Ef. 2:21-22

[75] 1 Petr. 2:9a; vergelijk Ex. 19:6

[76] 1 Petr. 2:9b-10

[77] Openb. 12:6,14

[78] Ex. 8:22-23; Ex. 9:26

[79] Dan. 9:27c

[80] Matth. 24:15-16

[81] Dan. 11:21-55

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *