Goddelijke genezing en bevrijding deel 2

GODDELIJKE GENEZING EN BEVRIJDING

deel 2
Met de hulpmiddelen oliezalving en handoplegging
Blijvende actualiteit

De geruchtmakende Osborncampagne in 1958 op het Malieveld in Den Haag heeft destijds veel gesprekken over het onderwerp ‘gebedsgenezing’ op gang gebracht. Het was de grootste evangelisatiecampagne met meer dan 100.000 mensen, die Nederland gekend heeft, waar T.L. Osborn de boodschap van redding in Jezus Christus en de genezing van zieken verkondigde en praktiseerde.

In onze tijd zijn de bijeenkomsten van evangelist Jan Zijlstra in het hele land bekend en deze maken van tijd tot tijd veel los. Deze evangelist gaat met een eenvoudige, onverschrokken geloofsmoed in gebed voor mensen met een ernstige ziekte. Zijn bediening geeft vele opmerkelijke gebedsverhoringen te zien, waarbij de genezing intrad, onmiddellijk, of langzamerhand. Naast directe genezingen en genezingen langs de weg van geleidelijkheid zijn er ook mensen die niet genezen, nadat er voor hen gebeden is. Het resultaat van lichamelijke genezing volgde niet altijd op het geloofsgebed. Niet op alle ‘waarom-vragen’ op dit terrein is een antwoord te vinden.

Sceptische houding

Veel mensen, ook christenen, staan huiverig tegenover de genezingsboodschap. Tot op bepaalde hoogte kan men er begrip voor opbrengen, waar extreme visies over genezing (bijv. ‘gooi al je medicijnen weg’) geestelijke schade hebben veroorzaakt. Toch doet onvoldoende aandacht voor en uitoefenen van de boodschap van genezing eveneens tekort aan de bijbelse verkondiging. In de bediening van Jezus en de apostelen was genezing een belangrijk aspect om het evangelie van het Koninkrijk Gods te onderstrepen. Wie dit feit naast zich neerlegt, doet God en zichzelf tekort.

Hoofdzaak en belangrijke bijzaken

Vergeving van zonden en overwinning over de zonde door Jezus Christus moet voorop staan. Dit betekent niet dat er in het verlengde daarvan geen plaats is voor het genezen van de zieken door het geloof in Jezus’ naam. Bezinning hierover is dan ook een goede zaak. De verkondiging van het Woord tot verlossing van zonden is nummer één. Er is in tweede instantie sprake van tekenen, die de GELOVIGEN volgen, die het Woord bevestigen (Marc. 16:16-20). Omdat dit laatste gedeelte van het evangelie van Marcus vanaf vers 9 niet voorkomt in slechts twee van de oudste handschriften staat het tussen twijfelhaken. Wij aanvaarden dit gedeelte met de tekenen als authentiek behorend tot Gods Woord. Dat kan men beter niet tussen haakjes plaatsen. Bovendien verwijzen de oude kerkvaders van voor het concilie van Nicea (325 na Chr.) 16 keer naar deze verzen. Wat de Here toen deed in de evangelieverkondiging, wil Hij ook nu doen. Hij is Dezelfde nu, bij Hem is geen verandering! “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid” (Hebr. 13:8). God ziet iemands hart aan en weet zijn noden. Daar weet Hij als geen ander antwoord op te geven.

Oplegging van handen

Oplegging van handen is een van de basiselementen van ons geloof (Hebr. 6:2). Als je hier tegenover een kritische houding hebt, kun je je afvragen of de begeleidende verschijnselen van de evangelieprediking (Marc. 16: 17-18) in de eigen kring terzijde geschoven zijn of nog een rol spelen. Wanneer de handoplegging slechts marginaal functioneert, kan het zo zijn dat mensen die Gods Woord in hun leven serieus nemen buiten de gemeente bij bijvoorbeeld genezingsdiensten zoeken naar het praktisch toepassen van dit geloofselement. Twijfel kan men hebben bij de bediening van genezing van sommige predikers die deze in onze tijd extreem ten uitvoer brachten of nog brengen. Misschien willen sommigen vraagtekens plaatsen bij geïsoleerde, losse genezingsdiensten buiten de gemeente om door bepaalde evangelisten. Toch werken zulke evangelisten ook vaak samen met plaatselijke gemeenten. Inderdaad is het zo dat deze dingen allereerst mogen gaan functioneren in de plaatselijke gemeente en dan is het van groot belang dat er ruimte is voor bidstonden waar gebeden kan worden met zieken onder handoplegging.

Zalving met olie

Het gelovig gebed vermag veel. Na het roepen van de oudsten van de gemeente – door de zieke of diens familie – zullen deze het geloofsgebed bidden en de zieke zalven met olie (Jak. 5:14-16) en dit behoort in alle plaatselijke gemeenten te worden toegepast. Als tweede tekst willen we daarbij noemen Marcus 6:12-13: “En zij vertrokken en predikten, dat zij zich zouden bekeren. En zij dreven vele boze geesten uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen”. Jezus’ leerlingen praktiseerden het ook! Let op het drievoudige en-en-en: prediken, boze geesten uitdrijven en zieken zalven met olie tot genezing.

Wij hebben geen behoefte aan magische poespas, of overbodige vormelijkhe-den, maar we willen eenvoudig handelen naar Gods Woord. Het opleggen van handen beeldt het zegenen uit en kan zodoende een zichtbare ondersteuning zijn van het geloof in Gods werkingen. Het zalven met olie is een zichtbare uitbeelding van de kracht van de heilige Geest. Deze dingen vinden plaats in Gods Woord en daarom mogen we ze niet verachten zonder daarbij te vervallen in het accentueren van uiterlijkheden. Het gebruik van deze symbolen zal gepaard gaan met gebed en geloof, vol verwachting van de levende God.

Handoplegging hoort bij het fundament of het eerste onderwijs

De oplegging der handen wordt in Hebr. 6:1-2 genoemd en geplaatst bij het eerste onderwijs of fundament van het geloof. Dit christelijke gebaar werd in de eerste gemeenten veelvuldig gepraktiseerd als een hulp van God tot het ten deel vallen van verschillende zegeningen.

In bijna alle opwekkingsbewegingen keert het middel van de handoplegging terug, geheel in overeenstemming met Gods Woord. Het is triest als men er in sommige traditionele kerken weinig van overgehouden heeft, dan wel dat het is vervallen tot een ceremonie of ritueel, een vorm zonder wezenlijk leven en inhoud. Waar opwekking is, ontstaat ook verlangen om de heilige Geest te ontvangen door handoplegging (Hand. 8:12-24; Hand. 19:1-7).

Nu is handoplegging niet bedoeld om iemand vooruit te laten springen in zijn geestelijk leven. Planten zie je ook nooit springen, maar door water en zon groeien ze wel gestaag. Zo is handoplegging geen vlugge truc, om iemand sneller te doen groeien in Christus. Dat kost tijd en is een proces van geloof en gehoorzaamheid, van elke dag het kruis op zich nemen plus geduld en heiligmaking. Niettemin mogen we de zegen die er ligt in handoplegging niet geringschatten. Ook op het terrein van bevrijding van gebondenheden door boze geesten zien we onder gebed en handoplegging in Jezus’ naam doorbraken in vele geestelijke levens die op een bepaald punt vast of geblokkeerd zaten.

Geloof tot genezing

Het geloofsklimaat is er lang niet altijd naar dat er genezingen kunnen plaatsvinden. Zelfs voor Jezus gold, dat Hij in Nazareth niet vele krachten kon doen wegens hun ongeloof (Matt. 13:58, vergelijk Marc. 6:5-6). Veel christenen geven in hun gesprekken blijk van een passieve, berustende instelling ten aanzien van ziekten. Of erger: soms van een geloofsonder-mijnende instelling. Te gemakkelijk gaan er verhalen rond: ‘Heb je het al gehoord? Die en die is ongeneeslijk ziek’. Op een dergelijke manier gaat men er bij voorbaat vanuit dat de zieke niet zal herstellen. Dat mag ons uitgangspunt niet zijn als christen. Ons axioma ten aanzien van ziekte en genezing zal Bijbels georiënteerd wezen en daarom gericht zijn op de eer van God. Hoe opwekkend is het om geloofstaal te uiten! Dit zonder daarbij overmoedig op te treden, maar in het besef alles in afhankelijkheid van onze soevereine (= oppermachtige, onafhankelijke) Heer te verwachten. Het houden van gezamenlijke bidstonden werkt geloofsstimulerend en moedigt de zieke aan alle vertrouwen op God te stellen. Samen mogen we de zieke voor de troon van God brengen met het gebed om genezing. De zieke christen mag te allen tijde weten, wat er ook gebeuren mag: ‘mijn leven is in Gods hand’.

Genezing in etappes

Zelfs bij Jezus lezen we op een keer dat Hij in twee etappes genas en dit voorbeeld is enorm bemoedigend voor ons. Het is het verhaal van de blinde in Betesda in Marc. 8:22-26. We lezen daar onder meer: “Hij spuwde de blinde in zijn ogen, legde hem de handen op en vroeg hem: ziet gij iets? En hij zag op en zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen als bomen wandelen. Vervolgens legde Hij weder de handen op zijn ogen, en hij zag duidelijk en was hersteld. En hij zag voortaan alles scherp.”

De eerste handoplegging gaf een vaag onderscheidingsvermogen als resultaat, maar bij de tweede keer van oplegging van handen zag de blinde voortaan alles duidelijk en scherp! Ook in onze tijd zien wij dat ‘instantelijke’, directe genezing als een geschenk door een onmiddellijk ingrijpen van God en geleidelijke of procesgenezing beide voorkomen. Aangezien wij nog in opleiding zijn, om volwassen zonen Gods te worden, werkt genezing bij ons nog lang niet in die volle mate, zoals bij Jezus Christus, onze oudste broer en Voorloper, het geval was.

Gebed en geloof

Jezus putte uit zijn indringende gebedsuren met Zijn Vader de sterkte om te kunnen genezen, zoals er staat: “en er was kracht des Heren, zodat Hij kon genezen” (Luk. 5:16-17). Waar het geloof gevoed en de macht van het gebed diep beseft wordt, daar leeft het Schriftwoord: “Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft” (Marc. 9:23). Er kan dan niet bij voorbaat opgemerkt worden dat er sprake is van ‘ongeneeslijke ziekte’. Tenzij men daar ‘menselijk gesproken’ vooraf aan toevoegt. Onze God was, is en blijft de God van wonderen! Hij deelt Zijn genadegaven uit, waaronder ook (wonder)geloof, gaven van genezingen en werking van krachten (1 Kor. 12:9,28). De Bijbel zegt dat de gave van God aangewakkerd kan worden (2 Tim. 1:6) onder meer via gebed en handoplegging, maar ook dat men de Geest kan bedroeven (Ef. 4:30), of zelfs uitdoven (1 Tess. 5:19-21). Daarom: laat geen geest van lafhartigheid of vrees heersen, maar van kracht, liefde en bezonnenheid (2 Tim. 1:7).

Bezinning is wijs

Deze bezonnenheid is nodig, om ons te behoeden voor fanatisme en extremisme. Op het gebied van genezing door geloof en gebed met handoplegging of zalving met olie zullen we alle kramptoestanden moeten uitbannen. Er is niets tegen medicijngebruik. Ook deze middelen gebruikt God ten goede en we mogen Hem erom bidden of Hij het gebruik ervan wil zegenen en of Hij bij operaties de handen van de chirurgen wil sturen. Gelovig gebed en geneesmiddelen hoeven niet tegen elkaar uitgespeeld te worden.

In het opbouwende apocriefe boek Jezus Sirach 38:1-15 is het in dit verband nuttig te lezen: “Eer de geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem heeft de Heer geschapen”. Wij mogen dankbaar zijn voor veel kundige artsen. Als iemand wonderlijk op het gelovige gebed genezen zegt te zijn, dan is het wijs en verstandig dit te laten controleren door een bevoegde arts, die de genezing kan bevestigen. Zo sprak Jezus tegen de genezen melaatsen om hun genezing te laten checken in de tempel: “ga heen, toon u aan de priester en offer voor uw reiniging hetgeen Mozes heeft voorgeschreven, hun tot een getuigenis” (Matt. 8:4; Marc. 1:44; Luk. 5:14; Luk. 17:14, vergelijk Lev. 14:1-32). In het verhaal van Luk. 17 staat er zo schitterend: “En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden”.

Als de medische wetenschap aan het eind van haar menselijke kunnen is, dan is er nog de almachtige God, bij Wie alle dingen mogelijk zijn. Laat het met ons niet zijn als met Asa, een waarschuwend voorbeeld: “Asa werd ziek aan zijn voeten en zijn ziekte werd hoogst ernstig. Doch zelfs in zijn ziekte zocht Asa geen hulp bij de Here, maar bij de heelmeesters” (2 Kron. 16:12).

Moeilijke vragen met perspectief

Er blijven problemen over. Veel menselijke ‘waarom-vragen’ kunnen opkomen in gevallen van lichamelijk lijden en ziekte, waar – ondanks aanhoudend gebed – (nog) geen genezing intreedt. Soms gebeurt het dat de Heer iemand thuishaalt, waar wij lange tijd vurig op genezing hoopten. Het belangrijkste is dat de persoon in kwestie de vrede van God en de vrede in God niet verliest. Wij kunnen niets forceren of afdwingen bij God. De gedachte van het ‘nemen en claimen’ van genezing blijkt niet te werken in de praktijk. Goed bedoeld zijn hier pastorale brokken gemaakt. Dat geldt ook voor profetie, waarbij genezing werd aangekondigd en de zieke nadien toch overleed. Als degenen die zulke geestesuitingen hebben doorgegeven naderhand dan ook maar eerlijk zouden durven erkennen, dat zij er naast zaten. Het is toch geen schande om te belijden: ‘Ik heb het goed bedoeld, maar ik sloeg helaas de plank mis’? Wanneer dit achterwege blijft, wordt er schade aangericht.

Paulus moest een keer schrijven: “Trofimus heb ik ziek achtergelaten te Milete” (2 Tim. 4:20). Het beste kunnen we deze vragen, waarmee we zo kunnen worstelen, doorgeven aan de Here Zelf die alles weet en doorgrondt. God heeft het laatste Woord! In moeilijkheden mogen we Gods mogelijkheden zien tot diepere verlossing. In problemen kunnen we Gods plannen ontdekken. Van een vertwijfeld ‘waarom’ of ‘hoelang’ leren we komen tot een ‘waartoe’. In elk geval dáártoe: “Tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld Zijns Zoons” (Rom. 8:29). In die richting zullen alle dingen meewerken ten goede (of: “ten beste dienen” in een andere vertaling). “En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepenen zijn” (Rom. 8:28, HSV).

In Hand. 12 lezen we dat Herodes Jakobus, de broer van Johannes, ter dood liet brengen met het zwaard. In hetzelfde hoofdstuk vinden we dat Petrus op een wonderbaarlijke manier door engelen uit de gevangenis werd gehaald, terwijl de gemeente voor hem aan het bidden was. Waarom wordt de ene apostel gedood, terwijl de andere apostel uitgered wordt? Wij moeten deze beide mogelijkheden naast elkaar laten staan, want een pasklaar antwoord is er niet. Ook in onze tijd zien we christenen omkomen door vervolging en anderen ervaren een wonderlijke uitredding. Paulus Zelf werd met Silas bevrijd uit de gevangenis in Filippi door een aardbeving (Hand.16), maar hij heeft diverse keren in de gevangenis gezeten zonder dat hij er zomaar uit kwam en er lange tijd zat. Nu zijn deze voorbeelden niet helemaal met genezing te vergelijken, maar ze geven wel te denken.

Dat geldt ook bij rampen, zoals bij overstromingen in onze tijd. Een bijbels voorbeeld dat een aanwijzing geeft, vinden we in Luk. 13:4-5: “Of meent gij dat die achttien, op wie de toren van Siloam viel en die erdoor gedood werden, schuldiger waren dan alle andere mensen, die in Jeruzalem wonen? Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen”.

De duivel is degene die altijd wil tegenwerken en dwarsbomen. Er gebeuren onder de pressie van de boze als overste van deze wereld en als overste van de macht der lucht nog een heleboel dingen die tegen Gods wil ingaan. Toch belemmert dat uiteindelijk Gods totale plan of Zijn eeuwig voornemen niet. God heeft uiteindelijk alles onder controle. Het loopt Hem nooit uit de hand.

Voor ons is de roeping tot het verkrijgen (winnen) van de heerlijkheid van de Here Jezus Christus (2 Tess. 2:14) de hoofdzaak. God leidt ons leven en Hij is door en door betrouwbaar. Hij is ten volle in ons geïnteresseerd en Hij wil ons leren, vormen en doen groeien. Wij gaan vele mussen te boven en van dat dier lezen we al dat niet één daarvan ter aarde zal vallen zonder uw Vader (Matt. 10:29-31). Merk op dat er niet staat “zonder de wil van Uw Vader”, maar Hij weet ook daarvan. Niet één van die (mussen) is vergeten voor God (Luk. 12:6-7).

Blijven Gods gedachten en wegen altijd hoger dan de onze?

Wij merken op dat er soms over gesproken wordt, dat wij als mensen de onderkant van het borduurwerk zien met een wirwar van draden en dat alleen God het duidelijke patroon vanaf de bovenkant ziet. Dit wordt wel ondersteund met de volgende tekst: “Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan uw gedachten” (Jes. 55:8-9). In het Oude Verbond was het zo: “De hemel is de hemel van de Here, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven” (Ps. 115:16).

De christen van het Nieuwe Verbond is mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten of de hemelsferen (NBV), in Christus Jezus (Ef. 2:6). Van daaruit mag de inwendige mens (ziel/geest) van de christen functioneren. Het is in het Nieuwe Verbond natuurlijk niet de bedoeling van beneden uit te blijven kijken: onze gedachten mogen opklimmen in de hemelse gewesten! Wij mogen met onze geest opstijgen en leren Gods gedachten over te nemen, zodat wij de dingen bedenken die boven zijn, waar Christus is (Kol. 3:1-2). Onze wegen mogen meer en meer op de wegen van God gaan komen, zodat wij de aardse zaken van boven gaan bezien. In 1 Kor. 2:10-16 lezen wij over de gezindheid van de geestelijke mens. Daar staat onder andere: “Want όns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten (de diepste gedachten en wegen) Gods” (1 Kor. 2:10-11). “Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is” (1 Kor. 2:12). “Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen…” (1 Kor. 2:15). Wij mogen daarom steeds meer van bovenuit leren zien, denken en wandelen. Daarbij krijgen we een steeds beter begrip van Gods gedachten, al vatten we ook nog niet alles en blijven er nog raadselen over (1 Kor. 13:12). Wij hebben nog steeds te maken met het lijden van een zuchtende schepping, die met opgestoken hoofde uitziet (St. Vert.) naar het openbaar worden van de zonen Gods (Rom. 8:19).

De krachten van de toekomende eeuw

Blijven vertrouwen op de Heer is zo belangrijk juist te midden van een ziekte, die nog niet is overwonnen op de ziektemacht die deze veroorzaakt. Aanhoudend, volhardend gebed tot genezing – intussen de innerlijke lessen ter harte nemend – is een goede, bijbelse zaak. We mogen staan op de heerlijke beloften van God in Marcus 16:18 en Jakobus 5:14-16.

We mogen en kunnen nu al de krachten van de toekomende eeuw smaken (Hebr. 6:4), echter nog lang niet altijd grijpen. Wij zijn ons ook bewust dat we nog te maken hebben met een gebroken, zuchtende schepping, die met reikhalzend verlangen uitziet naar de openbaring van de zonen van God (Rom. 8:19). Zij zullen samen met Jezus de zuchtende schepping gaan herstellen! We beseffen als zonen van God ‘in de dop’ dat we nog niet alle wetten kennen die gelden in de geestelijke, onzichtbare wereld. Er is nog een bepaald spanningsveld tussen ‘reeds’ en ‘nog niet’. We mogen anticiperen op de krachten der toekomende eeuw, maar kunnen er nog niet ten volle mee werken. “Toch schrijf ik u een nieuw gebod, want – wat waarheid is in Hem en in u – de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt reeds” (1 Joh. 2:8). Het volledig nieuwe is in Jezus Christus al realiteit geworden en wij zijn op weg in Zijn voetstappen, zodat ook in ons leven alle duisternis zal verdwijnen. Hoewel de wereld nog in het boze ligt en onder haar heerschappij (1 Joh. 5:19), zal het waarachtige licht en leven steeds helderder gaan schijnen en zich openbaren tot de volle dag (vergelijk Spreuk. 4:18).

“Doch thans zien wij nog niet, dat hem (de mens, Hebr. 2:5) alle dingen onderworpen zijn, maar wij zien Jezus…met heerlijkheid en eer gekroond” (Hebr. 2:8-9). Hij is: “Voorts afwachtende, totdat zijn vijanden (door middel van de gemeente) gemaakt worden tot een voetbank voor Zijn voeten” (Hebr. 10:13). “De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden. De genade van onze Here Jezus zij met u” (Rom. 16:20).

God wil meer geven! Wat staat er nog in de weg?

We geloven met heel ons hart dat God zoveel wil werken en doen, ook wat genezing betreft. Vaak wordt het kleingeloof gekoesterd, terwijl Jezus Zijn discipelen er steeds om bestrafte. Staan onbeleden zonden, wrok en bitterheid, kortom: verkeerde verhoudingen, genezing niet vaak in de weg? (Jak. 5:16; 1 Kor. 11:30). In het laatstgenoemde vers uit 1 Korinthe 11 zien wij dat verdeeldheid of scheuring in de gemeente een blokkerende factor is met betrekking tot genezing: “Daarom zijn er onder u veel zwakken en zieken, en velen zijn ontslapen” (HSV).

Hoe staat het met het zelf roepen van de oudsten bij ziekte (Jak. 5:14)? Dat is een activiteit die van de zieke, of vanuit diens naaste omgeving, uit zal gaan. Durven de oudsten met volmacht in Jezus’ naam de zieke de handen op te leggen en te zalven tot genezing?

Leven wij gezond binnen onze lichaamsgrenzen of gaan we daar chronisch overheen? (een vorm van roekeloosheid). Dat wil zeggen: nemen wij op tijd onze rust, of worden we geleefd door de stress van onze omgeving? Is ons voedingspatroon wel gezond? Koesteren wij geen verslavingen die ten koste gaan van ons geestelijk en lichamelijk welzijn? Houden wij ons aan de veiligheidsregels van de overheid in het verkeer? Waarom zouden we sterven voor onze tijd? (Pred. 7:17, vergelijk Ex. 23:26; Ps. 102:24-25; Ezech. 13:19). Dat kan door dwaas of roekeloos te handelen met ons lichaam of onze veiligheid!

Hoe is onze gemoedsgesteldheid? Een kwijnende of neerhangende, moedeloze geest is niet het goede klimaat voor genezing. Spreuken 17:22 geeft een algemeen principe aan: “Een vrolijk hart bevordert de genezing”.

Levensverlenging

In Jesaja 38 zien wij dat Hizkia ten dode toe ziek was en dat hij zei: “in de bloei mijner dagen moet ik heengaan door de poorten van het dodenrijk; ik zal missen de rest mijner jaren” (Jes. 38:10). De Here verhoort echter het gebed van Hizkia en God laat hem bij monde van de profeet Jesaja weten dat Hij vijftien jaar aan zijn levensdagen zal toevoegen (Jes. 38:5). Zo weten wij van iemand die medisch opgegeven was en hooguit menselijk gesproken nog een paar maanden te leven had dat God anderhalf jaar aan zijn leven toevoegde.

Ziektemachten verdrijven

In het leven van Jezus werd de wil van God optimaal uitgevoerd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren, want God was met Hem (Hand. 10:38). Hier zien we dat ziekte van de vijand van God en mensen komt en dat Jezus Zich daartegenover opstelt met de absolute ruggensteun van God, de Vader der lichten, van wie alle goede en volmaakte gaven en geschenken van boven nederdalen (Jak. 1:17). Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou (1 Joh. 3:8b). Van Jezus lezen we: “Hij legde ieder van hen afzonderlijk de handen op en genas hen. Van velen voeren ook boze geesten uit” (Luk. 4:40-41). In Luk. 6:18 staat vermeld: “die gekomen waren om Hem te horen en genezen te worden van hun ziekten; en die gekweld werden door onreine geesten werden genezen”.

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *