Gods huis, zijn tempel, dat zijn wij!

GODS HUIS, ZIJN TEMPEL, DAT ZIJN WIJ!

Gaan wij naar de kerk of vormen wij de gemeente?

Ook in pinkster- en (volle) evangelische kringen hoor je steeds vaker de uitdrukking: “wij gaan naar de kerk” en “in onze kerk”. Vroeger hoorde je veel meer: “wij gaan naar de samenkomst”, “in onze bijeenkomsten” en “in de gemeente”. Hoe komt dat? Is dit gewoon een ander woordgebruik, maakt het allemaal niet zoveel uit, of is het mogelijk dat er een ander begrip van zaken achter zit?

Gebruikt men de uitdrukking “wij gaan naar de kerk” om zich voor buitenstaanders verstaanbaarder te maken? Zou het hanteren van het woord “samenkomst” een niet-christen of iemand van een traditionele kerk misschien eerder op de gedachte kunnen brengen van “dat is vast weer een of andere groep of sekte”? Willen wij ons voor eventuele smaad indekken door de woordkeus “naar de samenkomst” te vermijden, of is het zelfs wijsheid om ons aan te passen en dit liever “kerkgang” te noemen?

Is deze verschillende benaming eenvoudig uitwisselbaar of zit er toch meer achter? Zit ik nu te muggenziften, of gaat het eventueel om een zich verschuivend inzicht? Of mogelijk een ontbreken van een goed nieuwtestamentisch begrip op wat de gemeente van de levende God in werkelijkheid inhoudt?

Hoewel we toegeven dat het woord “kerk” officieel betekent “dat wat van de Heer is”, denken we in de volksmond bij het gebruik van deze term duidelijk eerst aan het kerkgebouw. Vervolgens denken we bij het begrip “kerk” meestal aan de traditionele kerken. We willen ook niet wettisch zijn, als we bedenken dat de Engelse taal slechts het woord ‘church’ kent, dat zowel door kerk als door gemeente kan worden overgezet of vertaald.

Toch heeft in ons beléven het woord “gemeente” dat zo duidelijk verweven is met de “gemeenschap” van gelovigen onze voorkeur. In het Grieks is gemeente “ecclesia”, dat “de eruit geroepenen” betekent. Wij zijn immers door God geroepen uit de duistere wereld van de zonde tot Zijn wonderbare licht! (1 Petr.2:9). Hij heeft ons verlost van de macht van satan en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving van zonden hebben! (Kol.1:13-14).

De Bijbel spreekt over onze eigen “bijeenkomsten” niet verzuimen, gelijk sommigen dat gewoon zijn (Hebr.10:25), of letterlijk onze “toevergadering” in de zin van onze vereniging met Hem (vergelijk 2 Thess. 2:1). Wij verzamelen ons immers rondom Hem, want waar twee of drie vergaderd zijn, daar is Hij in het midden. Wij zoeken de gemeenschap met Hem, onze Heer, en met elkaar! Paulus spreekt over de “samenkomsten” van de gemeente (dat zien we bijvoorbeeld duidelijk in 1 Kor. 11:17 en 1 Kor .14:26).

Het woord “gemeente” doelt niet op de plaats of het gebouw van samenkomen, maar op de gelovige christenen zelf, die in dit geestelijke organisme hun plaats innemen. De gemeente is geen organisatie, al is het soms wenselijk een aantal aardse zaken te regelen, maar het is een functionerend organisme vol levende cellen met een hemelse roeping (Hebr. 3:1) en een hemels doel: dat de leden van dit lichaam geestelijk volwassen worden!

De kwestie kan nooit zijn dat we mooie, uiterlijk zichtbare kerken najagen, die niet dienstbaar zijn aan het geestelijke belang van de geloofsgroei, de essentie van de geestelijke ontwikkeling die er mag en zal zijn van de gelovigen zelf.

Van individualisme naar organische gemeenschap

Ook staan de begrippen “gemeente” en “organisme” haaks op de geest van individualisme, die onze tijd zo bijzonder kenmerkt en waardoor ieder doet wat goed is in eigen ogen. In de gemeente beoefenen we juist de gemeenschap en zal het afgelopen zijn met de individualistische geest van “als de Heer mij maar zegent” en “als ik mij maar lekker voel tijdens de zang en lofprijs”.

De gemeente is een collectief, waar de leden erop uit zijn met elkaar Gods wil te zoeken en samen te doen wat goed is in Gods ogen. Kortom: vanuit hemels perspectief bekeken gaan wandelen in het dagelijkse, praktische leven van elke dag met zijn wisselende situaties! In 1 Korinthe 12:13 wordt ons voorgehouden dat we “door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt” en als we dit geestelijk verstaan dan is het uit met alle individualisme en solisme. Dat impliceert: weg met al die ‘kleine zelfstandigen’! Dan zijn we met elk-ander bezig harte – relaties te ontwikkelen en elkaar te leren kennen naar de geest. Daarin klopt immers het hart van gemeente-zijn!

Het samen in heilige Geest mogen ontwikkelen van goddelijk leven binnenin onszelf (Joh. 6:53) en dit tevoorschijn te laten en te zien komen is de geestelijke kern van gemeente-zijn en dit kan nooit vervangen worden door uiterlijk “ergens een (kerk)klok te hebben horen luiden” (in letterlijke of in figuurlijke zin).

Elkaar (leren) kennen naar het hart en het samen uitoefenen van gemeenschap, gepaard gaande met een diepere reiniging van alles wat daar niet bij hoort, of nog doorheen loopt, is een weg. Op die wijze kan men elkaar helpen bij het nemen van een volgende stap in het groeiproces van ieder persoonlijk in het organisme, om samen in elk opzicht (=in alle dingen) toe te groeien naar Hem, die het hoofd is: Christus! Maatstaf is: “totdat wij allen de EENHEID des geloofs en der volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van de volheid van Christus” (Ef. 4:13-15).

Het gebouw van samenkomst is een aardse zaak

Dat de gemeente een zichtbare plaats nodig heeft om haar samenkomsten te houden is een praktische, nuttige zaak, maar om mee te bouwen aan de woonstad van God in de geestelijke wereld gaat het om een hart en een lichaam dat als tempel van God is toegewijd en niet om kathedralen die lijden aan “steenkanker” met vele jaren durende, kostbare restauraties, of dat (aardse) schitterende, kristallen kathedralen ook maar enige meerwaarde zouden hebben in het Koninkrijk van God. Architectonisch of esthetisch mogen dergelijke gebouwen dan hun waarde hebben in de wereld en voor het toerisme, maar men wordt er qua geestelijke groei geen cent wijzer van.

Principieel maakt het voor ons geestelijk dan ook geen verschil of we als gemeente samenkomen in een huiskamer, een zaal, een aula van een school, een buurthuis, een kerkgebouw of wat dan ook.

De vleselijke christen houdt uiteraard van entourage in de natuurlijke, zichtbare wereld, die voor de geestelijke mens echter van volstrekt ondergeschikt belang is. Deze heeft voluit gekozen voor de hoge weg van het Koninkrijk der hemelen met zijn fascinerende denkwereld van Gods plannen en mogelijkheden, waar geen aards genoegen, vertier of comfort tegenop kan. Hij is bezig zich te verheffen in de geestelijke wereld, waar Christus is, om Zijn leven ook op aarde in het praktische alledaagse leven gestalte te laten krijgen met een nederige houding op aarde in de natuurlijke wereld.

Praktisch kiezen sommigen gemeenten bewust voor een eigen gebouw, dat vele voordelen heeft, maar ook nadelen zoals het intensieve onderhoud. Andere gemeenten kiezen niet minder bewust om geen eigen gebouw te onderhouden, maar er één te huren. Dit met de mogelijkheid daarmee geld uit te sparen voor het ondersteunen van zendelingen, maar met het nadeel dat elke samenkomst de energie van de nodige zaaldienaren van te voren en na afloop vergt. “Zalige dienaren” overigens, zei eens iemand. Elke gemeente gunnen we hier de eigen vrijheid van keuze en we respecteren ieders weloverwogen beslissing in deze!

Wegkomen uit een oudtestamentische voorstelling

Vaak beluisteren we om ons heen een oudtestamentische benadering van zaken, waarin men van tabernakel en tempel een lijn doortrekt naar het kerkgebouw. Men hoort dan: “wij gaan op naar Gods huis” en er wordt gebeden: “wij zijn weer in Uw huis samengekomen”. U merkt het: alsof er in het nieuwe verbond nog een wezenlijk verschil zou zijn tussen een kerkgebouw, hal, zaal(tje) of huiskamer.

Een kerkgebouw mag dan praktische waarde hebben, in geestelijke zin heeft het niets voor op een eenvoudiger lokaal van samenkomen. Een kerk is niet gewijder, plechtiger of heiliger! Velen zijn hier een stuk Roomse zuurdesem nog niet kwijt en hebben op dit punt vernieuwing van denken nodig. Nogmaals: uit praktische overwegingen kan een gebouw zijn diensten bewijzen, maar aan de innerlijke waarde van de samenkomsten van de gelovigen verhoogt dat niets, omdat het daarbij nu eenmaal gaat om de werking van Woord en Geest en de gezindheid vanuit het hart naar God.

De gemeente heeft niets met een gewijd, aards gebouw te maken, maar wordt gevormd door de gelovigen zelf. Onomwonden stelt de Hebreeënschrijver: “ZIJN HUIS ZIJN WIJ, indien (voorwaarde!) wij de vrijmoedigheid en de hoop waarin wij roemen tot het einde toe onverwrikt vasthouden” (Hebr. 3:6). Wij worden aangespoord: “laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis” (1 Petr. 2:5).

In het oude verbond werden de stenen in letterlijke zin “pasklaar” gemaakt bij de tempelbouw (uiteraard ligt daar voor ons nog steeds een geestelijke les in, waarover iets verder wat meer) (1 Kon.5:17-18; 1 Kon.6:7).

Gods woning is een tempel: een geestelijk huis!

De gemeente is Gods bouwwerk op het fundament Christus (1 Kor. 3:9-11). De heidenen die uitgesloten waren van het burgerrecht van Israël, zijn nu medeburgers der heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus Zelf de hoeksteen is. In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend  (wat een eenheid!) op tot een tempel, heilig in de Here, in wie gij ook mede(!)gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest (Ef. 2:12, 19-22).

Deze verzen hebben niets te maken met uiterlijke, zichtbare kerkgebouwen. Hier is geen plaats- of ruimtegebondenheid! Gods woning is een gééstelijk huis! De Allerhoogste woont niet in wat met handen gemaakt is (Hand.7:48). Er wordt in het nieuwe verbond geen enkele aandacht gevraagd voor speciale plaatsen of Godshuizen, waar men God behoort te aanbidden. De Vader zoekt waarachtige aanbidders, die Hem aanbidden in geest en in waarheid (Joh. 4:20-24). Deze verklaring van Jezus aan de Samaritaanse vrouw raakt de kern: in het nieuwe verbond gaat het om de geestelijke werkelijkheid. Het gaat geheel om het innerlijk, om de hartsgesteldheid op welke plaats of tijd dan ook.

Dat de gemeente, als huis(gezin) van de levende God (1 Tim. 3:15), ook een zichtbare plaats nodig heeft om samen te komen is een puur praktische aangelegenheid, die op zichzelf genomen geen geestelijke betekenis heeft en waarbij het gebouw niet heilig is.

Herbouw van een zichtbare tempel in Jeruzalem?

Joden en Moslims maken ruzie om “heilig huisjes”. De Al-Aksa moskee en de Omarmoskee in het oude Jeruzalem staan volgens velen de herbouw van een Joodse tempel in de weg. De geruchten dat de stenen voor deze tempel allang ergens, bijv. in Amerika, klaar liggen, zijn al vele jaren in omloop.

Deze gedachtegang van een herbouw van een natuurlijke tempel stoelt op een uitleg van profetie in een natuurlijke en aardsgerichte eindtijdvisie. Wij hebben door Gods genade inzicht geleerd, om deze dingen geestelijk te verstaan. Hoewel we de mogelijkheid van de herbouw van een Joodse tempel niet bij voorbaat willen uitsluiten, zal deze – als hij gebouwd mocht worden – in het licht van het nieuwe verbond voor christenen van nul en generlei waarde zijn. Een zichtbare tempel is in het nieuwe verbond zonder geestelijke betekenis (Hebr. 9:1,23-24), want Jezus, die niet tot de stam Levi van de priesters behoorde, is in het hemelse heiligdom de ware Hogepriester.

De bovengenoemde eindtijdvisies gaan er over het algemeen van uit dat het Levitische priesterschap wordt hersteld en dat er in deze te herbouwen aardse, stenen tempel te Jeruzalem dus weer schaduwachtige offers van dieren worden gebracht.

Voor een christen die heeft geleerd geestelijk te kijken vanuit het Koninkrijk der hemelen is dit ondenkbaar. Het herstel van een dergelijk oudtestamentisch priesterschap beschouwt hij als het terugprojecteren van het nieuwe verbond naar het oude verbond, waarvan de Schrift juist zegt dat dit verjaard is en niet ver van de verdwijning (Hebr. 8:13). In wezen is het een miskenning van het scheuren van het voorhangsel in de tempel toen Jezus stierf en van de ultieme waarde van het bloed van Christus als er weer oudtestamentische offers zouden worden gebracht. Dan is men bezig met zinloze en nutteloze, schaduwachtige rituelen. Tevens is er nu sprake van een koninklijk priesterschap (1 Petr. 2:9), waarin de christenen uit de volken ten volle kunnen delen door de werking van Gods Geest.

Wij weten wel dat men zegt dat de antichrist in deze (te herbouwen) tempel zal zitten en daarvoor beroept men zich op 2 Thess. 2:4: “de tegenstander…die zich in de tempel Gods zet…”. Ook Openb. 11:1-2 wordt regelmatig aangehaald om het existeren van een zichtbare, aardse, stenen tempel in de eindtijd aan te tonen. Daar staat: “…Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en wie daarin aanbidden. Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is erbuiten, en meet die niet, want hij is aan de heidenen prijsgegeven…”. Openb.3:12 zegt: “Wie overwint hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods”. Dit heeft geen verband met een letterlijke tempel, maar moet geestelijk worden verstaan.

Veelvuldig noemt men ook de tempel van Ezechiël (40-47) en schuift deze slechts naar de toekomst van het duizendjarige rijk. Deze beschrijft echter een geestelijke realiteit, die nu in de gemeente van het nieuwe verbond werkzaam is. Denk bijvoorbeeld aan het bekende hoofdstuk 47 over de tempelbeek, waarbij het zinnebeeldig gaat om het geestelijke herstel en de geestelijke ontwikkelingsprocessen die nu aan de gang zijn in de
geestelijke tempel, de gemeente van de levende God.

Als wij het begrip “tempel Gods” in het nieuwe verbond screenen, dan doelt dit op de gemeente uit Jood en heiden, het geestelijke huis met de levende stenen of op het individuele lichaam van elke christen (Efeze 2:21-22; 2 Kor.6:16; 1 Petr.2:5; 1 Tim.3:15; 1 Kor.3:16-17; 1 Kor. 6:19-20; Hebr. 3:6).

Het is zonneklaar dat het begrip “tempel” in 2 Thess. 2:4 en Openb. 11:1-2 dan ook over de gemeente gaat. De antichrist en de machten der duisternis willen zich zetten in de tempel, dat is het lichaam van de mens, dat bestemd is voor Gods Geest én zij vallen de tempel Gods – dat is de gemeente – aan en zullen het afvallige Babylonische ‘voorhofschristendom’ in kunnen nemen (Openb. 11:1-2).

Deze afval is volop aan de gang. Wat denkt u van kerken en gemeenten die praktiserende homoseksuele paren in hun midden inzegenen? Dat is het zegenen van de zonde en dit is maar één voorbeeld hoe je de antichristelijke geest in huis kunt halen: in je eigen individuele tempel, of in de gemeente, die bedoeld is als een heilige, geestelijke tempel van God, maar die ook prijsgegeven kan worden aan de machten der duisternis.

Laten wij ervoor zorgen weg te trekken uit een aardsgericht, oppervlakkig en verwarrend ‘voorhofschristendom’, om ‘tempelchristenen’ te zijn of anders worden, die niet slechts eenmaal gedoopt zijn in de Geest, maar ook gehoorzaam wandelen door de Geest. Dit om zo door de Geest het spoor houden op de weg van heiliging in de navolging van Jezus, onze Voorloper, opdat wij werkelijk EEN zullen zijn en het einddoel van het geloof zullen bereiken.

Levende stenen, die vol zijn van de heilige Geest

Wij hebben deel gekregen aan een nieuw verbond. Het is duidelijk dat wij als discipelen van het Koninkrijk der hemelen niets meer te maken hebben met aardse tempels of speciale Godshuizen. Wij komen in dat nieuwe verbond niet samen in het huis van God, maar Gods huis dat zijn wijzelf!

Wij vormen in Christus ‘Vaders huisgezin’, waar Zijn gedragsregels gelden (1 Tim. 3:15). Jezus is onze oudste broer en het hemelse Jeruzalem is onze moeder (Rom. 8:29; Gal. 4:26). Als broeders en zusters hebben wij gemeenschap met de Vader door de Zoon en met elkaar.

Zo zijn wij het levende ‘gesteente’, waarmee God aan het bouwen gaat door ons te vormen. Wat een genade dat wij tempels van de heilige Geest kunnen zijn en dat de Geest van God in ons wil wonen! (1 Kor. 3:16; 1 Kor. 6:19-20; 2 Kor. 6:16). Zonder meer vraagt dit eerst om een grondige schoonmaak en reiniging van onze tempels (lichamen) van alles wat met zonden te maken heeft en dat gaat verder dan alleen te wijzen op het roken met: “op de tempel van de heilige Geest staat geen schoorsteen”! Overigens wel iets om ook aan te denken.

De inwoning en de vervulling met de heilige Geest is de heerlijkheid van het nieuwe verbond. Hebt u deze heerlijkheid al gesmaakt? Dan bent u onder het beslag van Gods Geest ongetwijfeld volop bezig met een heilige op Christus gerichte levenswandel!

Enkele dingen over de oudtestamentische Godshuizen

Uit de oudtestamentische modellen valt veel te leren. Het huis van God was toen de tabernakel en later de tempel. Hoe kwamen die beide tot stand? Zei God soms: “bouw maar eens een huis voor Mij, doe je best en maak er maar wat van”? Welnee! God gaf zeer nauwkeurige instructies, evenals eerder al bij de ark, die Noach in opdracht van God bouwde. Het moest allemaal heel precies! (De nauwgezette tabernakelvoorschriften kunnen op het eerste gezicht droge stukken in de Bijbel lijken, maar in het licht van Hebr. 8 t/m 10 verstaan we de enorme geestelijke waarde!). Alles gaf een schaduw en afdruk van het hemelse (Hebr. 8:5).

God sprak: “En zij zullen Mij een heiligdom maken en Ik zal in hun midden wonen. Gij zult het maken overeenkomstig ALLES wat Ik u toon, het model van de tabernakel en het model van AL zijn gerei” (Ex. 25:8-9,40). Bij de tempel was het niet anders: “ALLES staat in een geschrift, ontvangen uit de hand des Heren, waarin Hij mij (David) onderrichtte aangaande de GEHELE uitvoering van het ontwerp” (1 Kron. 28:19). Salomo moest exact naar Gods plan bouwen! De voorwaarde voor de bevestiging van het koningschap was het volharden in het onderhouden en onderzoeken van ALLE geboden van de Here en Hem te dienen met een VOLKOMEN toegewijd hart en een bereidwillig gemoed  (1 Kron. 28:7-9).

Met grote nadruk gold de voorwaarde of conditie “INDIEN…”(1 Kon. 2:4; 1 Kon. 6:12; 1 Kron. 22:13), maar het volbrengen ervan was tegelijkertijd GEHEEL Gods gave (1 Kron. 29:12,18-19).

Gehoorzaamheid is nodig om Gods huis (op) te bouwen

Paulus benadrukt eveneens beide kanten: “gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft uw behoudenis bewerken met vreze en beven” en daarbij “want God is het die zowel het willen als het werken in u werkt” (Fil. 2:12-13). Het heerlijke is nú dat God degenen die Hem gehoorzaam zijn, de heilige Geest heeft gegeven (Hand. 5:32). Met Gods Geest binnenin ons is gehoorzamen aan Gods geboden geen zware LAST, maar een grote LUST (Ps .112:1) waar je zin in hebt!

Daartoe zijn de brieven in het nieuwe testament doorspekt met allerlei opdrachten en vermaningen. Het komt op uiterst nauwgezet bouwen aan, zodat wij in geest en waarheid Zijn huis zijn, indien wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, tot het einde toe ONVERWRIKT vasthouden (Hebr. 3:6). Zeker weten: standvastige en intense volharding wordt hierbij gevraagd!

Geen steen is te zien, maar wel Gods heerlijkheid!

De bouwlieden van Salomo behieuwen de grote, kostbare stenen en maakten ze pasklaar voor de bouw van het huis (1 Kon. 5:17-18). Evenzo moeten wij door de Heer grondig afgebikkeld worden, zodat de “harde, taaie speciekorsten” worden verwijderd. Dan kunnen we ons (voegzaam) laten gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis (1 Petr. 2:5). Van Salomo’s tempel staat uiteindelijk: “er was geen steen te zien” (1 Kon. 6:18), want alles werd overtrokken met cederhout en goud: de heerlijkheid Gods!

Voor ons geldt hetzelfde: “zo kennen wij dan van nu aan NIEMAND naar het vlees”, maar naar de nieuwe schepping in Christus (2 Kor. 5:16-17). Wij zij dan tot het inzicht gekomen, dat één voor allen gestorven is. DUS ZIJN ZIJ ALLEN GESTORVEN. En voor allen is Hij gestorven, opdat zij die leven, niet meer (voor) zichzelf zouden leven, maar voor HEM, die voor hen gestorven is en opgewekt (2 Kor. 5:15).

Wij willen als met Hem gestorven mensen als “steen” geen blikvanger meer zijn, die zelf zo sterk op de voorgrond treedt, maar veel meer leren Christus en de andere broeders en zusters in het vizier te houden. Zodoende kunnen we onszelf meer en meer wegcijferen in een gezonde zelfverloochening, zelfs als God ons naast een “steen” (gelovige) metselt, die van nature niet zo bij ons past of ons niet ligt. Dat geeft groeikansen, waarbij onze vernieuwde persoonlijkheid in Christus meer en meer uit de verf mag komen: IN ALLES, ALTIJD EN OVERAL, hoe de machten der duisternis ook tekeer gaan, of hoe mensen reageren en hoe omstandigheden positief of wat het zichtbare betreft negatief zijn, of lijken.

Sympathie en antipathie kunnen verdwijnen door NIEMAND naar het vlees te kennen en de ander zijn overtredingen niet toe te rekenen, maar Christus’ karaktertrekken in die ander in groeiende mate tevoorschijn te zien komen! De heilige Geest vult Zijn tempel en zal zowel in mij als in die anderen de heerlijkheid van God – goddelijke natuur – tot openbaring brengen. Anders gezegd: Jezus wil vele zonen tot heerlijkheid brengen (Hebr. 2:10) via een proces dat door lijden heen gaat.

Zo’n heerlijk leven zal in geest en waarheid ‘zoonsleven’ worden! We willen afsluiten met een prachtig koor:

Zijn lof vult de tempel
Zijn vrede mijn hart
Zijn kracht en Zijn glorie
Hebben elk probleem ontward
De Naam aller namen
Bracht mij vrijheid van zin
Nu vult lofprijs mijn tempel
En Zijn Geest woont binnenin!

Jildert de Boer

(Een vervolgartikel is: ‘Bouwen aan de geestelijke tempel, van hoeksteen tot sluitsteen’)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.