Het geheimenis van Israël

Zicht op het Israël-vraagstuk

“Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een GEDEELTELIJKE verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en ALDUS zal gans Israël behouden worden” (Rom. 11:25,26a).

Een verborgenheid en verwarrende Israëlvisies

Het gedeelte in Romeinen 11 spreekt over een geheimenis of een verborgenheid, dan wel een mysterie, waarvan de apostel Paulus ons niet onkundig wil laten. Het is een kwestie, waarbij de vervangingsleer aan de ene kant de lijn van de kerk in de plaats van Israël heeft geprofileerd (inclusief de kinderdoop in plaats van de vleselijke besnijdenis en de zondagsheiliging als substituut van de sabbat), maar aan de andere kant staat het Israëlisme dat een lans heeft gebroken voor het feit dat het hier letterlijk staat dat “daarna (?) gans (iedereen zonder uitzondering?) Israël behouden zal worden.” Voorop gesteld zij dat we zowel tegen het antisemitisme (= Jodenhaat) als tegen het filosemitisme (= overdreven verering van Israël) zijn.

Velen benadrukken: “Israël is (nog steeds) Gods volk”, terwijl anderen zeggen: “Israël zonder Christus is Gods volk niet.” Er bestaat een twee wegen-leer, waarbij Israël langs een eigen route door de wet behouden zou worden buiten Christus en de genade om. Velen menen dat Israël God de Vader al heeft, althans dit zou voor de orthodoxe Jood zo zijn. Daarbij realiseert men zich niet dat onze God de Vader van Jezus Christus is. In Joh. 5:43-45 lezen we het volgende: “Denkt niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; uw aanklager is Mozes, op wie gij uw hoop gevestigd hebt. Want indien gij Mozes geloofdet, zoudt gij ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven. Maar indien gij zijn geschriften niet geloofdet, hoe zult gij mijn woorden geloven?”

Jezus sprak tegen de Farizeeën, die zich beriepen op Abraham’s nageslacht: “Indien God uw Vader was, zoudt gij Mij liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen” (Joh. 8:42) en verderop in dit gedeelte: “Mijn Vader is het, die Mij eert, van wie gij zegt: Hij is onze God, en gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem” (Joh. 8:54-55). Jezus identificeerde hun vader (= verwekker) als de duivel (Joh. 8:44). Trouwens ook de zonen van Hagar en van Ketura hadden in natuurlijke zin Abraham tot Vader.

Je kunt Jezus Christus en God de Vader niet apart van elkaar aanvaarden. Men zegt over de Joden dat zij God al kennen en Jezus nog niet. De Vader en de Zoon zijn echter niet te scheiden, want in het nieuwe verbond kun je God alleen bereiken door middel van Jezus Christus. Geloof in God staat niet los van Jezus Christus, maar uit Zich in een relatie met Hem. De enige God die wij aanbidden en dienen is geopenbaard in Jezus Christus. Wanneer je Jezus Christus verwerpt, wijs je daarmee ook God, die Hem gezonden heeft, af (Luc. 10:16). Jezus is de weg voor Jood en heiden: niemand kan tot de Vader komen dan door Mij, zei de Meester (Joh. 14:6). We geven nog vier glasheldere teksten over dit issue:

  • “Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die Hem gezonden
    heeft” (Joh. 5:23b).
  • “Wie Mij haat, haat ook mijn Vader” (Joh. 15:23).
  • “Een ieder, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon
    belijdt, heeft ook de Vader” (1 Joh. 2:23).
  • “Een ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God
    niet; wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon” (2
    Joh. 9).Er bestaat een grote verwarring over het thema ‘Israël’. Buiten Christus kan dit aardse volk niet Gods volk zijn. Je krijgt vaak verzet wanneer je dit onderwerp vanuit Christus en het nieuwe verbond wilt belichten. Dat is ons uitgangspunt en niet allereerst allerlei profetieën vanuit het oude testament, waarvan ons de betekenis niet altijd meteen duidelijk is. Ons axioma moet zijn: het oude testament lezen vanuit het betere en hogere begrip van het nieuwe testament. Dit gebeurt in het nieuwe verbond in het bijzonder door het onderwijs van Paulus in Romeinen 9-11, Efeze 2 en 3 en in Galaten 3 en 4.

De olijfboom

In de bovenstaande tekst geeft het voegwoord “want” een reden aan en gaat daarmee door op het voorgaande gedeelte. Dit geheimenis ziet op het beeld van de olijfboom en die olijfboom, waarover gesproken wordt, duidt Israël aan. Deze olijfboom heeft een heilige en saprijke wortel (Rom. 11:16-17) en dat wil zeggen: de woorden van God (Rom. 3:1-2) en de beloften van God, zoals die aan Abraham gegeven waren.

In het nieuwe verbond zijn die beloften alleen in Christus ja en amen (2 Kor. 1:20). Hoe zit het met de profetieën uit het oude verbond? De profeten van het oude verbond hebbenvan de voor ons bestemde genade geprofeteerd, terwijl zij naspeurden op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna (1 Petr. 1:10-12).

In de Galatenbrief lezen we zonneklaar dat het zaad van Abraham Christus is (Gal. 3:16). Verder zien we duidelijk: “Gij bemerkt dus dat zij die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn” (Gal. 3:7) en vervolgens: “Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham” (Gal. 3:9). Het allerhelderst zien we dit principe aan de orde komen in Gal. 3:29: “Indien (voorwaarde!) gij van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen” (Gal. 3:29). Hierdoor was Abraham een vader van onbesneden en van besneden gelovigen (Rom. 4:11-12).

Het zaad of nageslacht van Abraham zijn, loopt daarmee in het nieuwe verbond altijd via Christus en buiten Hem zijn er geen beloften. Natuurlijke bloedverwantschap met Abraham heeft daarin geen waarde, maar redding door het bloed van Jezus alleen voor Jood en heiden. De heidenen die niet besneden waren door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, zijn dichtbij gekomen door het bloed van Christus en hebben deel gekregen aan het burgerrecht van Israël (Ef. 2:11-13). Paulus heeft het over “(dit geheimenis), dat de heidenen medeërfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie” (Ef. 3:6).

De troon van David

De lijn van Abraham loopt via Izaäk en Jacob door naar Juda en vervolgens naar David. In Gen. 49:10 lezen we: “De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo (= hij die er recht op heeft, NBV) komt en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. ” In Op. 5:5 zien we met het oog op Christus: “Zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen…” Alleen Silo, dat wil zeggen: Christus, zal waardig zijn om op de troon te regeren. Israël wilde al spoedig in de Richterentijd, net als de andere volken rondom hen, een koning met de heerlijkheid van een aards koninkrijk. Gods plan was dat de troon die over Israël zou regeren Gods eigen troon zou zijn. Toch gaf God hun de gewenste koning. Tegen Samuël zegt de Here: “Niet u hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn” (1 Sam. 8:7). Saul was de eerste koning van het nationale Israël, maar hij kwam uit de stam van Benjamin. Daarna werd David gezalfd met olie (= beeld van de heilige Geest) door Samuël en hij kwam wel uit de stam van Juda. David en na hem Salomo zaten op de troon van Israël als schaduwbeeld van de geestelijke troon van God. In 1 Kron. 29:23 lezen we: “En Salomo zette zich op de troon des Heren als koning in plaats van zijn vader David…”

Salomo ziet dat de tempel van God die hij mag bouwen slechts een schaduw was van de geestelijke werkelijkheid.  In 2 Kon. 2:5-7 lezen we: “Het huis, dat Ik ga bouwen, zal groot zijn, want onze God is groter dan alle goden. Wie zou in staat zijn voor Hem een huis te bouwen, indien het niet was om voor zijn aangezicht offers te ontsteken?” Vervolgens merken we op wat in 1 Kon. 8:27 geschreven staat: “Zou God dan waarlijk op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb.” Het letterlijke, fysieke gebouw was een beeld van een hemelse realiteit: “Zij verrichten hun dienst in wat de afspiegeling en de voorafschaduwing was van het hemelse heiligdom” (Hebr. 8:5, NBV). De aardse hogepriester kon ook slechts een type zijn van de ware, blijvende hogepriester, Jezus, wiens priesterschap voor eeuwig is (Hebr. 7:23).

Bij de aanbidding zou het in het nieuwe verbond niet om de ene of de andere plaats of tempel in het Midden-Oosten gaan, maar om God, die geest is, te aanbidden in geest en waarheid (Joh. 4:20-24). Het heil is uit (niet: van!) de Joden (Joh. 4:22) en Zacharia zei: “mijn ogen hebben uw heil gezien” (Luc. 2:30) en dat heil is Christus, die wij niet meer naar het vlees (als Jood) kennen, maar nu naar de geest ( 2 Kor. 5:16). Dit is een aanbidding los van een stenen tempel, een klaagmuur of wat dan ook als steunpunt op aarde. Bidden is bezig zijn in de hemelse gewesten, dat is in de geestelijke wereld. De christen, of hij nu Jood of heiden is, is van boven uit God geboren, want in het koninkrijk der hemelen is aardse afstamming niet van belang. Daar telt alleen hemelburgerschap (Fil. 3:20). De christen is niet voortdurend gefocust op een aards (heilig?) land in het Midden-Oosten, maar bedenkt de dingen die boven zijn, waar Christus is (Kol. 3:1-2).

In 2 Sam. 7:11-16 vinden we dat het koningschap in de geslachtslijn niet op zal houden en dit wijst over het hoofd van Salomo heen naar het eeuwige, onwankelbare voortbestaan van het koningschap van Christus. De aardse troon van David was een voorbijgaande schaduw. De essentie wordt door Maria genoemd: “Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als koning over het huis van Jacob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen” (Luc. 1:32-33).

Wanneer ging Jezus op de troon van David zitten? Na zijn opstanding, verheerlijking en hemelvaart (Ps. 2:7-8; Ps. 110:1-2; Hand. 13:32-37; vergelijk ook Jes. 55:3-4; Ezech. 34:23-24). Als de Here uit de doden verrijst, wordt vervuld wat God onder ede aan David gezworen had, dat een vrucht uit diens lendenen op deze troon zou zitten (Hand. 2:30-31; vergelijk Jes. 9:6; Jes. 16:4-5; Jer. 23:5-6). Na zijn opstanding zegt de Here Jezus Christus: “Mij is gegeven alle nacht in hemel en op aarde” (Mat. 28:18). Dat stemt overeen met Hebr. 2:9: “Wij zien Jezus…met heerlijkheid en eer gekroond.”

Die troon van David komt dus niet zichtbaar in het land Israël te staan als fysiek toekomstfenomeen en is evenmin te vinden in het Britse koningshuis, zoals de Brits-Israëlleer ons wil doen geloven. Volgens deze tienstammen-leer zou de hoofdstam Efraïm zich namelijk daar bevinden.

God woont niet in stenen tempels of in aardse paleizen en Hij zit niet in een stoffelijke gouden zetel. Troon wil zeggen: gezag, autoriteit, heerschappij, koningschap. Het gaat hier om een geestelijke troon in de geestelijke wereld en die symboliseert de geestelijke regering van Jezus Christus. Met een aards koningschap wilde Jezus immers niets te maken hebben (Joh. 6:14-15; Joh. 18:36-37).

De nakomeling, naar het vlees uit het geslacht van David, is verhoogd als Heer en heeft de troon van David – Gods troon – bestegen! Daarom kan Hij tegen ons zeggen: “Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals Ik ook heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon” (Op. 3:21).

Here, herstelt gij in deze tijd het koningschap voor Israël? (Hand. 1:6)

Deze vraag hadden de discipelen na 40 dagen onderricht over al wat het Koninkrijk Gods betreft (Hand. 1:3). Jezus had gezegd: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld” (Joh. 18:36).

Jezus leerde hen dat het niet hun zaak was de tijden en gelegenheden te weten waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft. Hij sprak daarna over de kracht van het Koninkrijk als de heilige Geest over hen kwam, om Zijn getuigen te zijn te Jeruzalem, en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde (Hand. 1:7-8).

In Handelingen 10 kreeg Petrus de les in visioen en werkelijkheid dat het heil ook voor de heidenen was (Cornelius en de zijnen) en het nationale Israël als politieke staat verre te boven ging.

Israël is niet verstoten

God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! (Rom. 11:1). Paulus was er zelf het levende bewijs van als Israëliet dat dit niet het geval was. God heeft Israël niet weggedaan of afgeschreven. Er is ook in de tegenwoordige tijd (dus niet primair in de toekomst!) een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade (Rom. 11:5). God heeft geen enkel volk verstoten, want de gelovigen zullen uit alle volk en stammen en natiën en talen komen (Op. 7:9). We zullen geen enkel volk minachten of discrimineren, want de heilige Israëls zal God der ganse aarde genoemd worden (Jes. 54:5).

Een uitverkoren deel en een verhard deel

Hoe zit het nu met de samenstelling van de olijfboom? In die olijfboom zijn takken. Dat zijn de Israëlieten. Is die olijfboom heel dat volk? Nee. In Ps. 73:1 staat: “Ja, God is goed voor Israël, voor wie zuiver zijn van hart.” Er wordt onderscheid gemaakt tussen het zichtbare, openbare, nationale Israël en het ware, zuivere Israël. Jezus zei over Nathanaël: “Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog” (Joh. 1:47, NBV).

Er zijn immers takken uit Israël weggebroken, want niet allen die van (natuurlijk) Israël afstammen, zijn (geestelijk) Israël (Rom. 9:6b). “En het zal geschieden, dat alle ziel, die naar deze profeet (Jezus) niet hoort, (geestelijk) uit het volk zal worden uitgeroeid” (Hand. 3:23). Het natuurlijke volk dat van Abraham afstamde, behoorde niet allemaal tevens tot zijn geestelijke nageslacht, namelijk door in het voetspoor van zijn geloof te treden en de werken van Abraham te doen. In Op. 2:9 en in Op. 3:9 wordt er in de brieven aan Smyrna en Filadelfia tot tweemaal toe scherp gesproken over een “synagoge des satans” van “hen die zeggen dat ze (vleselijke) Joden zijn, maar het (geestelijk) niet zijn.”

Johannes de Doper gaf scherp aan: gaat niet bij uzelf zeggen “wij hebben Abraham als vader”, maar hij riep op tot: “brengt vruchten voort, die aan de bekering beantwoorden” (Luc. 3:7-9). Slechts een deel van het volk Israël had gemeenschap met God. Er was altijd een overblijfsel aanwezig, een restant van het volk dat gehoorzaam bleef aan God. Over die rest lezen we onder andere in Jes. 1:9 en Jes. 10:20-23. Over het overblijfsel of de rest lezen we onder meer ook in Jer. 23:3, Jer. 31:7 en Micha 2:12. Dat overblijfsel zien we tevens bij die 7000, die hun knieën niet voor Baäl hebben gebogen in Achabs tijd (Rom. 11:4-5). “En Jesaja roept over Israël uit: Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, het overschot zal behouden worden” (Rom. 9:27). Hij citeert daar twee keer de profeet Hosea: “Ik zal niet-mijn-volk noemen mijn-volk en de niet-geliefde geliefde. En het zal geschieden ter plaatse, waar [tot hen] gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden : zonen van de levende God” (Hos. 1:10; Hos. 2:22 m.b.t. Lo-Ruchama en Lo-Ammi). Het opmerkelijke is dat Paulus deze oudtestamentische profetie vrijmoedig transponeert naar de Gemeente uit Jood en heiden: “EN DAT ZIJN WIJ, die Hij geroepen heeft uit de Joden, maar ook uit de heidenen” (Rom. 9:24).

Als er in Ezech. 37 wordt geprofeteerd over de hereniging van Israël en Juda, kunnen wij dit in dezelfde strekking verklaren als Paulus deed. Van de dorre doodsbeenderen die tot leven verwekt worden en van de twee stukken hout die verenigd worden, kan eveneens gezegd worden: “Dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen” (Rom. 9:24). De dorre doodsbeenderen, die tot leven komen, met de verklaring erbij dat dit zou betekenen dat het land Israël weer tot leven komt, voldoet niet. Het uit de dood tot leven wekken ziet op de wedergeboorte, waar Johannes 3 over spreekt. Waar komt het geboren worden uit water en Geest (Joh. 3:5) vandaan? Ezech. 36:25-27 spreekt over zuiver water tot reiniging en over een nieuw hart, een nieuwe geest en Mijn Geest. Ezech. 37:14 zegt: “Ik zal Mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft.” Ezech. 37:27 spreekt over: “Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” Dit wordt door Paulus aangehaald en toegepast op de gemeente: “Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn” ( 2 Kor. 6:16). Het dal van dorre doodsbeenderen, die herleven, ziet op het ware Israël (uit Jood en heiden) dat de Geest in zich heeft.

De mensen, die eeuwenlang tot Israël behoorden, zijn uit de olijfboom weggekapt door ongeloof in en verwerping van Jezus Christus en dat deel van Israël werd verhard (vergelijk Hand. 19:9). “Maar hun gedachten bleven verhard. Want tot heden toe blijft dezelfde bedekking over de voorlezing van het oude verbond zonder weggenomen te worden, omdat zij slechts in Christus verdwijnt. Ja, tot heden toe ligt, telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, een bedekking over hun hart, maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen” (2 Kor. 3:14-16). Door hun val en ongehoorzaamheid is het heil tot de heidenen gekomen (Rom. 11:11,30).

Er bleef echter altijd een uitverkoren deel, waartoe de eerste gemeente te Jeruzalem behoorde en mannen als Petrus en Johannes en later ook Paulus. Jezus verscheen na zijn opstanding aan meer dan 500 mensen tegelijk (1 Kor. 15:6) en op de Pinksterdag waren er 120 mannen en vrouwen bijeen (Hand. 1:15), maar hun aantal zou veel groter worden. Dit geweldige aandeel van Israël bij de vorming van de eerste gemeenten moeten wij beslist niet gering schatten.

De verharding is gedeeltelijk, is nooit een totale verharding geweest en het hoeft geen blijvende, definitieve verharding in te houden. Er is altijd bij bekering en geloof een ontferming van Godswege mogelijk. “Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil. Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk” (Rom. 11:28-29). Alle eeuwen door is er een gelovig Joods overblijfsel geweest en dit zal tot het einde toe zo blijven.

Een geest van diepe slaap

Helaas is het grootste deel van Israël door hun zonde en ongehoorzaamheid terecht gekomen in verblinding, verdoving, bedwelming en slaap (Deut. 29:4; Jes. 29:10;  Ps. 60:5; Joh. 12:39-40; Hand. 28:25-27; Jes. 6:9-10).

De ene olijfboom met oorspronkelijke takken en wilde loten

De rest van de in Christus gelovige Joden vormden de (takken van de) olijfboom, waarin zoveel ruimte was dat er ook anderen buiten het Israël naar het vlees (1 Kor. 10:18) om ingeënt konden worden door geloof in Christus en zo kon God ook heidenen enten in dezelfde, ene olijfboom. Natuurlijk werden zij niet geënt op het natuurlijke Israël, maar naast het gelovig overblijfsel van het ware Israël in de ene edele olijfboom met de saprijke wortel, Jezus Christus en Zijn beloften.

Er zijn immers geen twee aparte olijfbomen, maar er is slechts één olijfboom. Het klopt niet met die ene olijfboom als er gezegd wordt in de Maranathavisie of de zgn. bedelingenleer (dispensationalisme): Israël is een aards volk en de Gemeente is een hemels volk, alsof deze beide een eigen plan zouden hebben met andere beloften en andere wegen (dus twee afzonderlijke bomen). Daaraan is de gedachte gekoppeld, dat de Gemeente een tussengeschoven tweede plan van God zou zijn, dat in het Oude Verbond nog niet bekend geweest zou zijn (zie echter o.m. Gen. 2:24 en Ef. 5:31-32; Ex. 19:5-6 en 1 Petr. 2:9-10; Jes. 49:5-6; Amos 9:11-12 vergeleken met Hand. 15:14-18). Daarbij zou God na de opname van die Gemeente in de hemel (vóór de grote verdrukking in deze visie) de draad van Zijn oorspronkelijke plan met het volk Israël weer oppakken dwars door de grote verdrukking heen. Men denkt dan dat Israël zonder de heilige Geest op aarde (die als zgn. ‘weerhouder’ met de Gemeente weggenomen zou zijn) het grootste zendingsvolk ooit zal worden, terwijl de Gemeente dit 2000 jaar met de heilige Geest niet is gelukt om alle volken het evangelie te brengen. In 1 Kor. 10:11 staat duidelijk dat wat Israël overkomen is tot een voorbeeld is voor ons en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons (de gemeente) over wie het einde der eeuwen gekomen is.
Overigens denken vele Israëlisten met een letterlijke uitleg in de natuurlijke wereld dat er twee derde van het volk Israël gewelddadig wordt uitgeroeid naar Zach. 13:8-9, terwijl een derde in het vuur der loutering komt. Het overblijfsel van Israël is inderdaad in het vuur gebracht en gelouterd (Hand. 8:1; Hand. 26:11; 1 Petr. 1:6-7; 1 Petr. 4:12; Mal. 3:3). Ten dage van de geslagen herder (Zach. 13:7, een beeld van het lijden van Christus) werd twee derde van het volk geestelijk gesproken door ongeloof uitgeroeid, namelijk zoals we lezen in Hand. 3:23: “en het zal geschieden dat alle ziel, die naar deze profeet (Jezus Christus) niet hoort, uit het volk zal worden uitgeroeid” (vergelijk Hand. 3:25-26). Letterlijk gezien bleven zij nog een tijd lang leven, maar geestelijk gezien werd twee derde uit de olijfboom weggebroken om hun ongeloof (Rom. 11:20). 

De hypothese van een splitsing tussen Israël en de Gemeente rammelt in het licht van Romeinen 11. Daar draait het om geloof in Christus, of je nu uit Israël of uit de heidenen bent. Ras, bloed en bodem zijn daar volstrekt secundair aan. De scheidslijn voor Jood en heiden loopt bij Christus: “Wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven, doch wie aan Hemongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem” (Joh. 3:36, vergelijk 1 Tess. 2:16). De leuze “De zegeningen zijn voor de Kerk en de vloeken zijn voor de Joden” is een ongepaste vergelijking en tegenstelling. De zegeningen zijn voor Joden en heidenen die in Christus geloven en Hem gehoorzamen. Over hen (Joden en heidenen), die het evangelie van Christus niet gehoorzamen, komt de toorn van God en dat houdt in wezen in: het prijsgegeven worden aan de boze geesten (vergelijk Ef. 2:2: “de geest die thans werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid”). God heeft takken uit de heidenen genomen als wilde loot en die door geloof op de ‘kale plekken’ tussen de overgebleven oorspronkelijke takken geënt in de edele olijfboom. Het principe van tussenenting in de ene edele olijf geeft ons zicht op het ware Israël naar de geest. Enting in de olijfboom vindt plaats door geloof in Jezus Christus. Dit is de enige manier waardoor ongelovige, uit de olijfboom weggebroken, Joden opnieuw geënt kunnen worden. Er is echter een voorwaarde: wanneer zij niet bij hun ongeloof (in Christus) blijven (Rom. 11:23).

Takken kunnen weggekapt en opnieuw geënt worden

De Joodse takken, die zich niet bekeerd hebben tot God en geloof in Jezus Christus, zijn uit de olijfboom gehouwen. Ze liggen op de grond, evenals de onbekeerde heidenen, en hebben geen deel aan de saprijke wortel, Jezus Christus en alle beloften die in Hem zijn. Het gaat niet om: terug naar onze Joodse wortels, zoals we rondom ons heen kunnen horen, maar terug naar de wortel van David, Jezus Christus (Rom. 15:12; Jes. 11:10, Op. 5:5; Op. 22:16). Alleen door middel van de saprijke wortel Jezus Christus komen de goddelijke levenssappen naar ons toe, waaronder de belofte van de heilige Geest (Gal. 3:14).

Als gelovige heidenen moeten wij niet eigenwijs en hoogmoedig zijn of pochen ten opzichte van de Joden: als wij niet blijven bij de goedertierenheid van God, zal God ons ook niet sparen, maar zullen wij door ongeloof weggebroken worden (Rom. 11:20-22).

Naast het beeld van de olijfboom is er het beeld van de wijnstok. “Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg” (Joh. 15:2a) en “wie in Mij niet blijft, is buiten geworpen als de rank en is verdord en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand” (Joh. 15:6). Jezus is de ware wijnstok (Joh. 15:1). In het Oude Testament werd het beeld van de wijnstok op het volk Israël toegepast, maar zij beantwoordden geenszins aan Gods bedoelingen met hen (Ps. 80:9,15; Jer. 2:21; Ezech. 15:2,6; Hos. 10:1).

De olijfboom wordt gevormd door het Israël naar de geest: de gemeente die bestaat uit Joden en heidenen, allen die in Christus een nieuwe schepping zijn, want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets. En allen die zich naar die regel richten, vrede en barmhartigheid kome over hen: zij zijn toch het Israël Gods (Gal. 6:15-16, vertaling Brouwer: het Griekse woordje kai betekent “en”, maar kan hier ook betekenen: “dat wil zeggen”). Alleen dit Israël van God kan men Gods oogappel noemen en zij ervaren de vrede van het hemelse Jeruzalem. Dit Israël (= strijder Gods) naar de geest heeft een strijd tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef. 6:12) en niet tegen vlees en bloed, zoals het Israël naar het vlees doet door haar vliegtuigen met bommen.

Gods volk is besneden van hart en heeft innerlijke sabbatsrust

Jezus zei tegen het oude Israël: “Daarom, Ik zeg u dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk (= de Gemeente uit Jood en heiden) dat daarvan de vruchten opbrengt” (Mat. 21:43). Dit geestelijke volk, dat de vruchten daarvan opbrengt, is besneden van hart, dat zijn zij die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen (Fil. 3:3), dus niet van buiten, maar van binnen (Rom. 2:28-29). Zij zijn de ware Joden (= Godlovers) in het verborgene, niet uiterlijk, maar naar de inwendige mens. Dat wil zeggen: ze zijn als wedergeborenen uit onvergankelijk zaad door het levende en blijvende woord van God (1 Petr. 1:23).

Dit Israël naar de geest viert haar innerlijke, hemelse sabbatsrust (Hebr. 4:3,11), omdat zij door geloof met ernst tot de rust en vrede van Christus is ingegaan. Door ongeloof en ongehoorzaamheid ging het merendeel van Israël het beloofde land niet binnen, Jozua en Kaleb uitgezonderd, die een andere geest hadden en de Here volkomen gevolgd hebben (Num. 14:24). God stelt wederom een dag vast: “HEDEN, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet” (Hebr. 4:7).

Een christen dient te beseffen wat schaduw en wat werkelijkheid is. De Joodse feesten uit Leviticus 23 ziet hij als schaduwbeelden van geestelijke realiteiten. “Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen die slechts een schaduw waren, terwijl de werkelijkheid van Christus is” (Kol. 2:16-17). In Gal. 4:10-11 lezen we: “Dagen, maanden, vaste tijden en jaren neemt gij waar. Ik vrees dat ik mij wellicht tevergeefs voor u ingespannen heb.” Wij moeten als nieuwtestamentische gelovigen niet terugkeren naar de aardse sabbat, de spijswetten, de oudtestamentische feesten of de vleselijke besnijdenis. In de Galatenbrief bestrijdt Paulus dit Judaïsme scherp.

Het Israël naar het vlees is gelijkgeschakeld met de andere volken

Er blijft uit het natuurlijke Israël altijd een gelovig overblijfsel en bovendien heeft het aardse Israël de garantie dat het altijd zal blijven bestaan: Hij zal de naam van Israël niet van onder de hemel uitwissen (2 Kon. 14:27). “Zij (de vijanden rondom) hebben gezegd en zeggen: “Komt, laten wij hen als natie verdelgen, zodat aan de naam Israël niet meer wordt gedacht” (Ps. 83:5), maar dit is altijd tot mislukken gedoemd. God zal nooit toestaan dat Israël van de kaart wordt geveegd, want Hij staat deze verstoting niet toe.

Nu de heidenen uit de volken ingelijfd (= één lichaam geworden, vergelijk ook Ps. 87) zijn in het Israël van God als een nieuwe mens of schepping vormen zij samen – zonder tussenmuur – het ene lichaam van Christus door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft (Ef. 2:14-16, vergelijk Ef. 3:3-12). Wie scheiding aanbrengt door een ander plan voor Israël dan voor de Gemeente te presenteren, is in wezen bezig de tussenmuur, die er was tussen Jood en heiden door de wet der geboden, weer op te richten.

Er is noch wat de zonde noch wat de genade betreft onderscheid tussen Jood en heiden (Rom. 3:21-24; Hand. 15:8-9). Het behouden worden gaat voor Jood en heiden op dezelfde wijze. “Er is geen sprake van Jood of Griek…: gij zijt immers allen één in Christus Jezus” (Gal. 3:28). “Waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood…, maar alles en in allen is Christus” (Kol. 3:11). “Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen die Hem aanroepen; want al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden” (Rom. 10:12-13). Israël en heiden, Jood en Griek, moet je daarom in Gods plan niet uit elkaar trekken, maar bijeenhouden in Christus. Er is geen speciaal, ander plan van God met Israël, want in de Gemeente is de scheiding tussen Jood en heiden opgeheven, omdat er een geestelijke eenheid is door het geloof in Christus.

Er is geen verbondenheid tussen de Gemeente van Christus en het verharde deel van Israël, want zij zijn hardnekkig en onbesneden van hart en oren, sprak Stefanus (Hand. 7:51). Christenen dienen zich niet te verbinden met de Joodse religie, die Jezus Christus verwerpt.

Het nieuwe verbond kent geen uniek, speciaal aards volk Israël meer. Het oude verbond had Israël verbroken (Jer. 31:32, vergelijk Rom. 11:15), want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here (Hebr. 8:9, vergelijk Ex. 19:5).

De anderen buiten Christus, of het nu Joden zijn of heidenen, zijn verhard. Wie zorgt voor die verharding? Het antwoord kan kort zijn: de duivel. Zij horen er niet bij, namelijk niet bij de Gemeente of het Israël van God in de olijfboom. Het natuurlijke Israël staat gelijk met de andere volken en de mensen uit dit volk hebben net zo goed als ieder ander mens – uit welk volk ook – Christus nodig.

Wat vele hedendaagse predikers zeggen dat wij Jezus NIET moeten verkondigen aan Joden, is er volledig naast! Dat is je reinste dwaalleer. Hoe predikte Paulus het namelijk? “Joden en Grieken betuigende zich te bekeren tot God en te geloven in onze Here Jezus” (Hand. 20:21). “Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek” (Rom. 1:16). De Joden zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weer geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten (Rom. 11:23). Hun aanneming zal niets anders wezen dan leven uit de doden (Rom. 11:15b).

Zijn 1948 en 1967 vervullingen van bijbelse profetie?

Natuurlijk gunnen wij de Joden hun nationaal tehuis en hun eigen staat, zoals Theodor Herzl dat vijftig jaar eerder al had geproclameerd. In 1948 was er weliswaar een terugkeer, maar helaas zonder de daaraan gekoppelde voorwaarde van bekering. Wanneer (voorwaarde!) zij zich bekeren tot de Here met geheel hun hart en geheel hun ziel, is er sprake van een terugkeer volgens de goddelijke normen in Deut. 30:2-3,5-6,10 (vergelijk 1 Kon. 8:48-50). Israël zonder Christus is geen volk van God, want het staat buiten de genade, die zich in Christus heeft geopenbaard.

Was de verovering van Oost-Jeruzalem in 1967, waardoor Israël weer kon claimen de ene, ongedeelde hoofdstad te bezitten een vervulling van Luc. 21:44 “totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn?” Dit ligt in werkelijkheid toch ingewikkelder en de genadetijd voor de heidenen is gelukkig geenszins voorbij na 1967.

Aards en hemels Jeruzalem

Jeruzalem, de stad van onze God, de grote Koning (Ps. 48), kon slechts de heerlijkheid van het hemelse Jeruzalem symboliseren en op z’n best voorafschaduwen. Het ongelovige, natuurlijke Israël met het tegenwoordige Jeruzalem staat echter op één lijn met Hagar en Ismaël en dat is met zijn kinderen in slavernij (Gal. 4:23-25). “En gij, broeders (heidenen uit Galatië), zijt evenals Izaäk, kinderen der belofte” (Gal. 4:28). Voor het geestelijk zaad van Abraham, Izaäk en Jacob geldt dat het hemelse Jeruzalem vrij is en dat is onze moeder (Gal. 4:26). In het nieuwe verbond gaat het niet om het Jeruzalem van beneden, maar om het hemelse Jeruzalem (Hebr. 12:22) en het nieuwe Jeruzalem dat van God nederdaalt (Op. 21:2-3; Op. 21:9-11).

Abraham wist dat hij een vreemdeling en bijwoner in het land Kanaän was, want hij mocht veel verder kijken dan zijn neus lang was en menig christen zou kunnen leren van zijn geestelijk inzicht dat zich niet beperkte tot een zichtbaar, aards land Kanaän, hoewel de Here Abraham opriep met: “Sta op, ga het land door in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal het u geven” (Gen. 13:17). Volgens Hebr. 3 en 4 was het aardse Kanaän niet het ware, blijvende land der rust. Abraham verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester was (Hebr. 11:8-10). Hij verlangde naar een beter, dat is een hemels vaderland, want God had hun een stad bereid (Hebr. 11:13-16). “Wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige” (Hebr. 13:14). Het betreft hier het geestelijk Jeruzalem van omhoog!

Wij houden ons niet bezig met de aardse berg Sion alsof deze berg van het huis des Heren in het laatste der dagen (in natuurlijke zin) zal vaststaan als de hoogste der bergen (hoger zou worden dan de Mount Everest in de natuurlijke wereld?) (Jes. 2:2). Bergen zijn in de Bijbel beeld van machten en krachten. “Gij zijt genaderd tot de berg Sion” is in Hebr. 12:22 een geestelijke werkelijkheid, want “heilanden (meervoud!) zullen de (geestelijke) berg Sion bestijgen” (Obadja 21, SV). In Openbaring 14:1 staat het Lam met zijn eerstelingen of eerstgeborenen (vergelijk Ex. 4:22) op de top van de (geestelijke) berg Sion, het beeld van de dragende kracht van de heilige Geest onder hun levens. Jezus sprak enkele malen over bergen in zee werpen: dat is demonische krachten naar de afgrond sturen door het geloof (Mat. 17:20; Mat. 21:21; Marc. 11:22-23; 1 Kor. 13:2).

Jezus huilde eertijds over het oude Jeruzalem en sprak “Och dat gij op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient, maar thans is het verborgen voor uw ogen.” Zij hadden de tijd niet had opgemerkt dat God naar hen omzag (Luc. 19:41-44). “Hoe dikwijls heb Ik u willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens vergadert, maar gij hebt niet gewild. Zie uw huis wordt aan u prijsgegeven” (Mat. 23:37-38). Hier zien we een zinspeling van Jezus op de verwoesting van de tempel in het jaar 70 na Christus (zie ook Mat. 24:1-2).

De tempel is een geestelijke zaak

Het nieuwe verbond kent geen zichtbare, aardse, stenen tempels met handen gemaakt. De Allerhoogste woont niet in tempels met handen gemaakt (Hand. 7:48-49; Hand. 17:24). Het betreft nu:

  • Een tempel, heilig in de Here, een woonstede Gods in de Geest (Ef. 2:21-
    22).
  • Een geestelijk huis met levende stenen (1 Petr. 2:5).
  • Zijn huis zijn wij…(Hebr. 3:6).
  • Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont? (1
    Kor. 3:16).
  • Wij toch zijn de tempel van de levende God ( 2 Kor. 6:16).

Mocht er een letterlijke, stenen tempel gebouwd worden in het aardse Jeruzalem, zoals vele Israëlisten menen, dan mist deze elke geestelijke relevantie, want het grote offer voor de zonde, Jezus Christus, heeft immers voor eens en altijd voldaan. Een herstel van de schaduwdienst van het oude verbond heeft geen enkel nut.

De tempel was bij Jezus “de tempel Zijns lichaams” en niet de stenen tempel waarover 46 jaar gebouwd was, zoals de Joden meenden (Joh. 2:19-21). Jezus sprak dat deze tempel na drie dagen zou herrijzen en daarmee was met Zijn opstanding het begin van de wederoprichting van de geestelijke tempel een feit. De tempel van de Geest is in het nieuwe testament steeds consequent beeld van het lichaam van de gelovige in het klein (1 Kor. 6:16) of van de gelovige Gemeente uit Jood en heiden als geheel.

Natuurlijk zal de antichrist zich (willen) manifesteren in de tempel Gods (2 Tess. 2:4) en zullen de machten der duisternis het Babylonische voorhofschristendom aanvallen en in bezit nemen (Openb. 11:1-2). Bij een consistente lezing van het nieuwe testament geloven wij dat we hier te maken hebben met de geestelijke tempel. Gods tempel is bestemd voor de heilige Geest, maar de geest van de antichrist wil die plaats in het menselijk lichaam innemen. De antichrist zal die plek ook veroveren in de valse gemeente en deze Babylonische hoer, het afvallige christendom, overweldigen, zodat zij wordt tot een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeilijk gevogelte (Op. 18:1-2).

In positieve zin om ons ernaar uit te strekken, staat er geschreven: “Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil (= drager, steunpilaar) in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de naams mijns Gods en de naam van de stad mijns Gods, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel nederdaalt van mijn God, en mijn nieuwe naam” (Op. 3:12).

Een natuurlijk Israël, een zogenaamd ‘geestelijk’ Israël en een echt geestelijk Israël

De apostel Paulus mocht het geheimenis van de gemeente (het geestelijke Israël uit Jood en heiden) zonneklaar openbaren. Dat Israël naar de geest is onafhankelijk van een aardse nationaliteit, maar heeft de geestelijke besnijdenis van Christus ontvangen, is uit God de Vader geboren en heeft het hemelse Jeruzalem als moeder.

Waarom vindt men het begrip ‘geestelijk Israël’ vervangingstheologie? Misschien omdat men zo vaak een schijngeestelijk Israël heeft gezien, een volks- en familiekerk op aarde, die het hemelse niet zocht noch beleefde, waar men slechts het aardse, natuurlijke Israël min of meer voortzette en vervangingsmiddelen toepaste. In plaats van de besnijdenis van de voorhuid van jongentjes uit Israël op de achtste dag ging de kerk natuurlijke kinderen dopen door besprenging, in plaats van wedergeboren kinderen van God door onderdompeling (“het bad der wedergeboorte”, zegt Tit. 3:5). Een wettische zondagsviering op de eerste dag werd het substituut van de schaduwachtige, aardse sabbat op de zevende dag. In plaats van het gezonde, geestelijke besef te krijgen: “Dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der (geestelijke) vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor Zijn aangezicht, AL ONZE DAGEN” (Luc. 1:74-75).

Er ontstond een kerk die in velerlei opzichten aards georiënteerd was en zich niet meer bewust was van haar hemelse roeping om de heerlijkheid van God te openbaren door naar de Geest te leven. De verbastering van een Babylonisch naam- en schijnchristendom heeft z’n duizenden verslagen. Dit schijn‘geestelijk’ Israël (de Roomse kerk voorop) heeft in de kerkgeschiedenis bij tijden het natuurlijke Israël vervolgd. Dit zogenaamde geestelijke Israël met haar schijn van godsvrucht, terwijl ze de kracht ervan verloochende (2 Tim. 3:5), heeft zich bij perioden ook gekeerd tegen het werkelijke, geestelijke Israël, zij die een nieuwe schepping in Christus waren, daarvan getuigden en ernaar leefden met heel hun 360 graden rondom besneden hart. Denk maar aan de Katharen, de Waldezen en de Dopersen in de Middeleeuwen. Het steeds terugkerende principe daarbij is: “Maar zoals destijds hij die naar het vlees verwekt was (Ismaël), hem die naar de geest verwekt was (Isaäk) vervolgde, zo ook nu” (Gal. 4:29).

Voor een traditioneel, aards ingesteld christendom geldt: “Bedenk dan, van welke hoogte (de hemelse gewesten) u gevallen bent en bekeer u en doe weer uw eerste werken’ (Op. 2:5). Het ware, hemels gezinde ‘Israël’ (= de Gemeente van de levende God) heeft een positieve instelling en liefde tot Jood, Palestijn en Arabier en gunt mensen uit elke bevolkingsgroep dat zij Christus leren kennen en Zijn discipelen worden.

Vanuit hun volheid ontferming voor ons; door onze volheid ontferming voor hen

De eerste gemeente uit het Israël beleefde de vroege regen, een geweldige volheid van de Geest. De takken uit de heidenen kwamen erbij door bekering tot God en geloof in Jezus Christus. Dit geheimenis is de gemeente, het Israël van God, de ene olijfboom met takken van tweeërlei komaf. God heeft niemand verstoten en de verharding is gedeeltelijk.

Aldus (= zo, op deze wijze, volgens deze methode, langs deze weg) wordt gans Israël behouden” (Rom. 11:26a). Daarachter staat een citaat uit Jes. 59:20: “Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie uit Jacob zich van overtreding bekeren.” Het Grieks zegt voor “aldus” houtos. Merk op dat dit NIET een volgorde is: “daarna” of “dan” komt geheel Israël tot bekering, zoals sommigen inlezen. Nergens in de Schriften belooft God bekering van hele volken of een compleet nationaal herstel en behoud van een aards en natuurlijk volk Israël. Bekering is een individuele zaak. “Totdat de volheid der heidenen binnengaat” betekent niet: tot de laatste heiden tot bekering komt (kwantiteit). Het gaat bij de volheid van de heidenen om kwaliteit: die zal gezien moeten worden door middel van de kostelijke vrucht van de late regen (Jac. 5:7, vergelijk Marc. 4:29), dat wil zeggen dat Jezus wonderbaar getoond wordt in de zonen van God (Rom. 8:19, 2 Tess. 1:10), opdat, zoals het heil van de Joden, die naar het vlees gesproken de Christus voortbrachten (Rom. 9:5), naar de heidenen ging, ook het omgekeerde plaats kan vinden. Het aardse, natuurlijke Israël zal tot naijver of jaloersheid verwekt dienen te worden (Rom. 11:14, vergelijk Deut. 32:21b).

Dit heeft helaas niet plaatsgevonden in de kerkgeschiedenis, die veel meer de verbasterde verschijningsvormen van het religieuze, aardse Babel heeft opgeleverd. Deze blamage heeft voor het Joodse volk averechts gewerkt, omdat zij afschuwelijk veel slechts heeft ondervonden van wat in naam christendom heette. Men denke slechts aan de kruistochten (1095-1291 na Chr.) (Overigens, hoewel moeilijk vergelijkbaar, waren de aanslagen van de Joden op christenen in het bijbelboek Handelingen ook niet mals). Het volk Israël had in de loop der tijden het goede moeten ervaren van christenen die doordrenkt en vervuld waren met de Geest van God in liefdevolle bewogenheid, zoals eens Paulus vol van passie en ontferming was voor zijn volksgenoten (Rom. 9:2-3 en Rom. 10:1-2).

Het is echter gaandeweg, in groeiende mate, de bedoeling dat de heerlijkheid van de zonen God, geleid door de Geest van God, openbaar gaat worden (Rom. 8:14,19,29). Een neveneffect daarvan voor het natuurlijke volk Israël is: “opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden” (Rom. 11:31). Er is hoop voor alle volken, ook voor Palestijnen en Arabieren, maar eveneens voor het Israël naar het vlees, wanneer men de eigenschappen of karaktertrekken van Christus in geest en waarheid gestalte ziet krijgen in de Zijnen, opdat sommigen van hen zich persoonlijk gaan onderwerpen aan Jezus Christus als Heer tot eer van God de Vader. Zo mogen zij samengevoegd worden in Christus: Zijn Gemeente uit Jood en heiden!

Jildert de Boer

© Verdieping en Aansporing, 2014.

N.B. Zie ook het artikel ‘Het Israël naar het vlees en het Israël van God’ op deze site.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *