Het gevaar van de alverzoeningsleer

HET GEVAAR VAN DE ALVERZOENINGSLEER

Over het verstaan van het bijbelse begrip hel of poel van vuur

Een beknopte versie van mijn uitvoerige epistel ‘Drie visies op de hel of poel van vuur.’

Inleiding

Het vraagstuk van de hel velen blijft bezighouden. Dit levert hier en daar veel verwarring op. Hoewel ik niet alle vragen binnen dit moeilijke thema kan oplossen, geloof ik dat dit artikel anderen kan aanzetten tot nadenken en bezinning rondom dit heikele thema.

In dit artikel maken we gebruik van de NBG-vertaling van 1951, omdat de SV en HSV regelmatig verwarrend vertalen als het om het begrip ‘hel’ gaat. We komen daar nog op.

Drie visies

Er bestaan globaal drie visies uit die een interpretatie geven van het bijbelse begrip ‘hel’, ook wel aangeduid als ‘tweede dood’, ‘poel van vuur’ en ‘buitenste duisternis.’

Daarbij gaat het dan over:

  • Het eeuwige of altijddurende verderf, de klassieke visie. In zijn in 2015 verschenen boek ‘Exit’ Een andere kijk op het hiernamaals noemt Henk Rothuizen (Stichter van de Rafaëlgemeenten) dit de stroming van het infernalisme. In dat woord zit inferno, dat hel, vuurzee of hevige brand betekent (Dit is een mij theologisch onbekende term die ik op Google niet terug kon vinden).

Daarbinnen is verschil tussen hen die alle daarvoor gebruikte beelden letterlijk nemen (zo bijv. David Pawson in ‘Op weg naar de hel’), dan wel hen die een symbolische betekenis geven aan bijvoorbeeld een begrip als ‘vuur’ (zelf meen ik ook dat er sprake is van een geestelijk beeld of metafoor, niet van letterlijk vuur).

  • Het annihilationisme of de vernietigingsgedachte, waarbij de straf bestaat uit de eenmalige vernietiging van alle demonen en mensen die het evangelie van Jezus Christus niet wilden aanvaarden. Deze gedachtegang is de laatste decennia populairder geworden, ook onder evangelische christenen als John Stott en Tom Wright.
  • De alverzoening of het universalisme dat gelooft dat eenmaal alle mensen gered zullen worden en zelfs alle demonen, de duivel incluis, uit de duisternis in Gods licht zullen komen. Dat wil niet zeggen dat dit automatisch verloopt, want er zijn wel tijdelijke oordelen en zelfs langdurige louteringsprocessen van de ongelovigen en de demonen voor nodig. Ook deze leer is onder christenen sterk in opmars en zij doet daarbij een sterk appèl op het verstand en het gevoel van de mens en op de liefde van God.

Alverzoening of universalisme

De gedachte aan alverzoening is niet nieuw. De alverzoeningsgedachte of het universalisme is al bekend van Origenes, die leefde van 185-254 na Christus.

Alverzoening is lang niet altijd verbonden met de ultra-bedelingenleer. We denken bijvoorbeeld in ons land aan de boeken van de gereformeerde predikant J. Bonda “Het heil van de velen” en “Gods ene doel”, die een lans proberen te breken voor de alverzoeningstheorie. Een paar jaar geleden verscheen “Kom niet aan de hel” geschreven door Bart Repko. Dat is de man die oudtestamentische verzen proclamerend op de muren van Jeruzalem loopt. De wens zal bij hem wel de vader van de gedachte zijn, namelijk dat alle Joden worden behouden.

Veel opschudding bracht een aantal jaren terug het boek van Rob Bell “En de meeste van deze is …LIEFDE” (‘Love wins’) en daarop verschenen de meer bijbelse tegenhangers “God overwint” van Mark Galli en “Bestaat de hel?” door Francis Chan. Vervolgens verscheen weer het alverzoening uitademende boek “De onweerstaanbare liefde van God” van Thomas Talbott.

In de ultra-dispensationalistische stromingen zijn het vooral A.E. Knoch (1874-1965) in de USA en in Nederland A. Oosterhuis, A. Lukkien, M.A. Manussen en H.W. den Haring geweest, die de alverzoeningsleer propageerden. Sommige van hun publicaties zijn op internet te vinden. Adolph Ernst Knoch (een Duitse Amerikaan) was ook een pionier wat betreft de Concordante Bijbelvertaling. Dit houdt in dat elk woord overal waar het voorkomt steeds hetzelfde woord in de grondtaal weergeeft. Het gaat om een eensluidende vertaling. De woordenschat van de grondtekst moet in de vertaling zoveel mogelijk intact blijven door consistent te vertalen. Dit ideaal is begrijpelijk, maar je kunt er gemakkelijk te kort mee de bocht doorgaan, bijv. het Griekse woord ‘aionen’ altijd als tijdperken op te vatten en daarmee de realiteit van de poel van vuur ombuigen richting alverzoening.

Uitgangspunt van denken in de alverzoeningsleer of het universalisme zijn de teksten over “de wederoprichting aller dingen” (Hand. 3:21), de slotsom “opdat God zij alles in allen” (1 Kor. 15:28) en het parool “alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is “ (Kol. 1:20).

Is God de auteur van het kwade en is satan een knecht van God?

In deze sector van de ultra-bedelingenbeweging is het niet zo verwonderlijk dat de alverzoeningsleer populair werd. Deze stroming (vanuit A.E. Knoch/ A. Lukkien: 1862-1941) stelde namelijk dat God satan als tegenstander heeft gemaakt (met een verwijzing naar Jes. 45:7) en dat deze niet is gevallen. Dit brengt met zich mee dat de passages over de morgenster in Jes. 14 en de beschuttende cherub in Ezech. 28 dan een verwrongen uitleg krijgen, want men meent dat satan niet gevallen is, maar van meet af aan tegenstander was. Men leert dan nota bene dat de Vader der lichten, die niemand in verzoeking kan brengen (Jak. 1:13,17), de Schepper zou kunnen zijn van het kwaad. Het is in volledige tegenspraak met 1 Joh. 1:5, waar we lezen: “God is licht en in Hem is IN HET GEHEEL geen duisternis.”

Er is een flagrante contradictie met alleen al deze twee Schriftplaatsen en een dergelijke leer stamt uit de koker van satan, de vader der leugen, zelf. Hij ontkent daarmee namelijk zijn eigen val en de zonde en waar de duivel zelf de oorsprong van is (1 Joh. 3:8), schrijft hij aan God toe, die de Bron van alle goed is.

Naast Jezus Christus, die in Jesaja meerdere malen Knecht des Heren wordt genoemd, kent deze leer een tweede “knecht des Heren”, namelijk satan. Kan God gemeenschap hebben met het kwade? Werkt God samen met het kwade? Is God een collaborateur met de vijand? God is heilig, dat is: afgezonderd van de boze! God staat volkomen los van de boze en heeft geen enkel aandeel in diens werken!

Als God de satan alleen maar voor Zijn eigen doeleinden als knecht zou gebruiken, zoals de Duitse Amerikaan A.E. Knoch stelde, dan is het – volgens deze visie – logisch dat Hij het uiteindelijk aan satan verplicht is zelfs deze te behouden. Hij zou in dit scenario uit de poel van vuur (Openb. 20:10) komen tot redding. Dit wordt nergens in de Bijbel geleerd, ook niet helemaal achterin na de poel van vuur, want Openbaring 23 bestaat nu eenmaal niet. Er is geen opstanding uit de poel van vuur, oftewel de tweede dood. Met deze universalistische zienswijze op de zaak maakt men van het oordeel een kortere of langere louteringstijd, maar ten slotte heeft iedereen – met of zonder geloof in Jezus Christus in dit leven – een behouden aankomst bij God.

Evangelisatie en zending onnodig, want iedereen zou uiteindelijk behouden aankomen…

De opdracht tot zending en evangelisatie wordt ondergesneeuwd als iedereen – hoe dan ook – per slot van rekening toch gered wordt. De alverzoeningsgedachte verlamt de noodzaak tot zending en evangelisatie, want in deze visie wordt iedereen, hetzij vroeger, hetzij later, toch wel behouden. Op basis van “God zoekt het verlorene totdat Hij het vindt” (Luk. 15:4) proberen alverzoeners te bewijzen dat alle mensen uiteindelijk gered zullen worden. Er staat echter in de context bij: “Ik zeg u dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over 99 rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben” (Luk. 15:7). In de alverzoeningsleer is die bekering feitelijk onnodig en zo mist men dus de clou waar het om draait. Er staat glashelder: “Dat in Zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der zonden aan ALLE volken, te beginnen bij Jeruzalem” (Luk. 24:47).

Alverzoening kan een rustplaats worden voor alle mensen die in zonde (blijven) leven (want het komt uiteindelijk toch wel goed) en zo staan zij onder invloed van de duivel die hen deze valse voorstelling van zaken heeft voorgespiegeld.

‘Allen’: hoe lees je dat?

Vaak worden voor alverzoening teksten aangehaald als: “want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden” (1 Kor. 15:22) en “derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven” (Rom. 5:18). De woorden “allen” en “alle” worden dan gelezen als allen zonder uitzondering, in absolute zin dus. “Allen” betekent in de Bijbel vaak allen zonder onderscheid. De uitdrukking “geheel Israël” (Rom. 11:26) betekent ook niet ‘allen’ in de zin van hoofd voor hoofd, alsof alle Joden, bijvoorbeeld Achab, Judas Iskarioth en Karl Marx incluis, gered zouden worden.

Daarbij houdt men geen rekening met de context. In het verband van Romeinen 5 gaat het al vanaf het eerste vers om geloof en voorts om het verschil tussen het ‘in Adam zijn’ en het ‘in Christus zijn.’ Allen die geloven in Christus worden gerechtvaardigd en gaan ten leven in. Dit is geen automatische zaak, maar het blijft: “want alzo lief heeft God de wereld gehad, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebbe. Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God”  (Joh. 3:16-18).

Van Jezus lezen we in Joh. 1:11-12: “Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch ALLEN die Hem AANGENOMEN (of: ontvangen) hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in Zijn naam geloven.

Rom. 1:16 noemt het evangelie “een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek”. Ook Joden worden dus niet vanzelfsprekend ALLEN gered voor de eeuwigheid, zoals men Rom. 11:32 wel wil uitleggen. Daar staat: “Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, om zich over hen allen te ontfermen”. Blijkens Rom. 11:31 werkt dat niet vanzelfsprekend, maar “opdat door de u betoonde ontferming ook zij ontferming zouden vinden.” Israël kan in het nieuwe verbond buiten Christus om geen volk van God zijn, maar “ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten” (Rom. 11:23). Dat gebeurt niet automatisch, maar is mogelijk bij het individueel tot geloof in Christus komen.

Het geloof in Christus is fundamenteel tot redding

Een pionier van de alverzoeningsgedachte in ons land als Albert Lukkien meende dat bij de rechtvaardiging ons geloof in Christus niet van belang is, maar dat het gaat om het geloof van Christus. Dat is een halve waarheid. Het ontvangen van de gave van gerechtigheid geschiedt op basis van geloof! (Rom. 3:21-22; Rom. 5:17).

In 1 Korinthe 15 gaat het er eveneens om niet te lezen los van het tekstverband. Daar gaat het over degenen die “in Christus zijn” (1 Kor. 15:18-20,23). Het betreft de opstanding van in Christus gelovige mensen!

Andere bij voorkeur aangehaalde teksten als Fil. 2:10-11; Rom. 14:11 en Openb. 5:13 spreken niet over de verlossing van allen, maar over de erkenning van allen. Het woord ‘belijden’ in Fil. 2:11 zou belijden ‘van binnenuit’ zijn volgens de ‘wishful thinking’-aanhangers van de alverzoening, maar de Griekse tekst geeft daar, voor zover ik heb kunnen nagaan, geen bewijs toe. Ook Gods vijanden zullen Hem veinzend hulde brengen (Deut. 33:29, Ps. 66:3; Ps. 81:16). Ieder schepsel zal Hem moeten erkennen. De uitdrukking “onder de aarde” in Fil. 2:10-11 en Openb. 5:13 wijst op mensen en demonen in de duistere zijde van het dodenrijk, waarvoor geen verlossing is.

Verzoening van alle dingen, hetzij op de aarde, hetzij in de hemelen

“En door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is” (Kol. 1:20). Merk op dat in deze kroontekst van de alverzoeningsleer het begrip “onder de aarde” niet genoemd wordt, omdat de verzoening zich daartoe namelijk niet uitstrekt.

Ik geef nu het commentaar van de Studiebijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek weer bij deze tekst: “Dit vers heeft aanleiding gegeven tot veel uiteenlopende interpretaties. ‘Alle dingen’, het gehele universum, zowel de materiële als de geestelijke aspecten daarvan, zijn door de zonde aangetast en van God vervreemd (vergelijk Kol. 1:21). Maar door het lijden van Christus aan het kruis worden ‘alle dingen’ ook weer met God verzoend. De macht van de zonde is daar verbroken, de heerschappij van de duivel is daar te niet gedaan. De disharmonie en de vijandschap, die als gevolg van de zonde tussen God en de geschapen wereld zijn ontstaan, zijn daar in principe reeds weggedaan. De volledige uitwerking van deze verzoening al echter pas gestalte krijgen in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Dan zal de schepping bevrijd worden van de ‘vergankelijkheid’ (Rom. 8:20), waaraan zij als gevolg van de zonde is onderworpen. Niet alleen de aardse schepping, maar ook de engelen zullen delen in deze nieuwe harmonie. Sommigen hebben in deze tekst een verkondiging van de alverzoening gelezen, waarbij ook de ongelovige mensen en de duivel met zijn engelen vrede met God vinden. Veeleer moeten we echter denken aan een situatie waarbij alles wat tegen God heeft gerebelleerd, wordt onderworpen en de heerschappij van Christus moet erkennen (Fil. 2:10).”

Geen reddingsplan voor gevallen engelen

Over engelen ontfermt Hij Zich niet (Hebr. 2:16): goede engelen hebben geen verlossing nodig en gevallen engelen staan buiten Gods verlossingsplan. Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham! Dat zijn de gelovigen in Christus (Gal. 3:29; Rom. 4:11-12).

Zoals we zagen is er geen verzoening voor dat wat “onder de aarde” is (Fil. 2:10; Openb. 5:13). Deze uitdrukking wijst op de ‘onderwereld’, de duistere zijde van het dodenrijk (hades in het Grieks), dat in de zogenaamde tussenstaat voor mensen het voorportaal is van de hel of de poel van vuur. De duistere zijde van de hades wordt ook afgrond (abyssos), zie Openb. 9 en 2 Petr. 2:4 (tartarus) genoemd waar de verderfengelen onder leiding van de engel van de afgrond, Apollyon (Openb. 9:11) zijn opgesloten. De afgrond is ook de situatie waarin straks de duivel duizend jaar in de gevangenis zit (Openb. 20:1-3,9), om na zijn laatste opstand daarna in de poel van vuur te worden geworpen (Openb. 20:7-10). Het koninkrijk van satan gaat ten slotte ten gronde aan zichzelf.

In Luk. 8:31 smeekten de demonen dat Jezus hen niet gelasten zou in de afgrond te varen. Hun angst was: “Zijt Gij hier gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen?” (Matth. 8:29). In de afgrond of de gevangenis zijn de boze geesten gedoemd tot inactiviteit en dit ervaren zij als een pijniging. Hun doel is te parasiteren op of het liefst in mensen en desnoods in dieren, zoals de kudde van tweeduizend zwijnen in het land der Gerasenen die zich naar beneden stortten in de zee (en verdronken, terwijl de demonen alsnog in de geestelijke zee, de afgrond, terecht kwamen).

Het is ernstig om in dit leven Christus te aanvaarden als Redder en Heer

De leer van de alverzoening haalt de ernst uit het evangelie, zoals Jezus naar de Farizeeën, die het zo goed wisten, vlijmscherp stelde: “want indien u niet gelooft, dat Ik het ben, zult u in uw zonden sterven” (Joh. 8:24). Zondigen is geen onschuldig spelletje! Deze tekst klopt niet met de idee van alverzoening.

Van de Zoon van God staat dat Hij de gerechtigheid liefgehad heeft en de ongerechtigheid GEHAAT heeft (Hebr. 1:9) en in Zijn navolging geldt dat ook voor ons. Hoe zullen wij ontkomen als we geen ERNST maken met zulk een heil (Hebr. 2:3)? Wij zullen moeten instemmen met Gods heilsplan door geloof, door Gods aanbod in Christus persoonlijk te aanvaarden en als gevolg daarvan ons leven serieus in gehoorzaamheid naar Gods Woord in te richten.

Oppervlakkige, onbijbelse kijk op redding

De vertegenwoordigers van de leer van de alverzoening doen Gods krachtige oproep tot bekering NU (2 Kor. 6:2), in deze tijd tekort, omdat ze er ten onrechte bij voorbaat van uitgaan dat allen later behouden zullen worden. Zoals Wim Janse van http://www.hetbestenieuws.nl zegt, evenals de Gemeente Eben Haëzer in Rotterdam: “De boodschap van de Bijbel is niet HOE u gered kunt worden, maar DAT u gered wordt!”

Dat is een oppervlakkig en onbijbels credo. De Bijbel plaatst in het kader van verzoening de oproep: “In de naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen” (2 Kor. 5:20b) en op de Pinksterdag: “Wat moeten wij doen om behouden te worden? Bekeert u, een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen…” (Hand. 2:37-38) en in het geval van de gevangenbewaarder van Filippi: “Heren, wat moet ik doen om behouden te worden? En zij zeiden: Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis?” (Hand. 16:30-31). Eigenlijk zegt de gangbare alverzoeningsleer: het is niet nodig te weten hoe u gered wordt en wat u te doen staat, want dat u gered bent is duidelijk en dat wordt vroeger of later in de tijd uw deel. De Bijbel leert zonneklaar dat de route naar redding verloopt door middel van bekering tot God en geloof in de Here Jezus Christus.

Het heil is bedoeld en mogelijk voor allen

In het Oude Testament lezen we: “Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer” (Jes. 45:22). In het nieuwe testament kunnen we een soortgelijk vers nemen: “God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, HEDEN aan de mensen, dat zij ALLEN OVERAL tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken” (Hand. 17:30-31). Het lijkt er verdacht veel op dat de broeders van de alverzoening dit vers loochenen.

Dat is ook de strekking van Schriftplaatsen als: “Hij is lankmoedig (= geduldig) jegens u daar Hij niet wil dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen” (2 Petr. 3:9) en: “Die wil dat alle mensen behouden worden en tot erkenning der waarheid komen” (1 Tim. 2:4). In 1 Tim. 4:9 en 10 lezen we nog: “Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard. Ja, hierom getroosten wij ons grote moeite en inspanning, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, die een Heiland is voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen.” In teksten als 2 Petr. 3:9 en 1 Tim. 2:4 is sprake van Gods wensende wil, niet van Zijn absolute wil als raadsbesluit. God heeft de mens een vrije keuze gegeven, een eigen verantwoordelijkheid om zich te onderwerpen aan Hem of om zich van God af te keren. Gods wil dwingt nooit, maar respecteert het menselijke antwoord op Zijn roepstem. “Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet” (Hebr. 3:15). Ook Jezus moest eenmaal tegen Jeruzalem zeggen in zijn dagen: “hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt NIET GEWILD. Zie uw huis wordt aan u overgelaten (prijsgegeven)” (Matth. 23:37-38).

Aionen en de vertaling

Voorstanders van alverzoening gebruiken regelmatig het begrip ‘aioon’, dat (soms) eeuw, tijdperk, of tijdsperiode, levensduur aanduidt. In onze bijbelvertalingen vaak weergegeven door eeuwigheid. Het Hebreeuwse equivalent is olam. ‘Aionios’, het bijvoeglijke naamwoord is doorgaans overgezet met ‘eeuwig.’

In klassiek Griekse literatuur beduidt het soms ook ‘wereld.’ Niet ten onrechte stelt men echter dat het woord ‘aioon’ soms onjuist met wereld is vertaald, waarvoor het Grieks normaliter ‘kosmos’ heeft. Een voorbeeld is: “En zie Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld” (Matth. 28:20). Wellicht juister zou zijn het begrip ‘aioon’ hier en op meerdere plaatsen, bijvoorbeeld Gal. 1:4 “om ons te trekken uit de tegenwoordige boze wereld”, te vertalen met ‘eeuw’ (niet in onze betekenis van 100 jaar, maar denk veeleer aan bijvoorbeeld ons begrip Gouden Eeuw, een bepaald tijdperk).

Satan wordt wel aangeduid als “de god dezer eeuw (aionos)” (2 Kor. 4:4). Jezus gebruikte een aantal keren het begrip “de toekomende eeuw” (Matth. 12:32; Marc. 10:30; Luk. 18:30; Luk. 20:34-35), ongetwijfeld een verwijzing naar het zogenaamde duizendjarige vrederijk.

De vertaling van ‘aioon’ is volgens specialisten in het Grieks echter niet altijd eenvoudig of eenduidig. Als wij van Christus lezen dat Hij zal heersen “tot in alle eeuwigheden” (Openb. 11:15) en van God, die “tot in alle eeuwigheden leeft” (Openb. 4:9,10; Openb. 10:6, vergelijk ook Hebr. 1:8 en 1 Tim. 1:17), dan wordt daar niet slechts goddelijk kwaliteitsleven in de komende eeuwen (Ef. 2:7) mee bedoeld, maar tevens het eeuwigdurende aspect, dat wil zeggen: eindeloos. Van zijn dienstknechten staat ook dat zij als koningen zullen heersen “tot in alle eeuwigheden” (Openb. 22:3-5).

Dit geldt dan eveneens voor de teksten die de negatieve keerzijde laten zien, zoals in Openb. 14:10-11 en Openb. 20:10,  bijbelverzen waar voorstanders van de alverzoening lezen dat zelfs ‘alle eeuwigheden’ een einde zouden hebben.

Teksten over de poel des vuurs met de aanduiding “in ALLE eeuwigheden” (= tot in de aionen der aionen) worden dan als voor een (zeer) lange tijd, dus als tijdelijke straf- en/of louteringsperiode, verklaard. We denken aan gedeelten als Openb. 14:11; Openb. 19:20; Openb. 20:10,14-15; Openb. 21:8,27 en Openb. 22:15 en niet in het minst aan de woorden van Jezus Zelf als in o.a. Mark. 9:43-48 waar hij duidelijk over de hel (gehenna) spreekt.

Merkwaardigerwijs verklaren mensen, die in de alverzoening geloven, positieve teksten die gaan over het eeuwige leven en “in alle eeuwigheden” wel als altijddurend en eindeloos. Teksten echter die gaan over eeuwige straf en pijniging “tot in alle eeuwigheden” beschouwt men echter als tijdelijk, hoewel diverse aionen durend. Dat is absoluut inconsequent.

Een vertaling van sheool en hades die op het verkeerde been zet: verwarring dodenrijk/hel

In de Statenvertaling wordt het Griekse woord hades (= het onzienlijke) geregeld abusievelijk vertaald met hel. Dat doet men bijvoorbeeld bij de rijke man en de arme Lazarus in Lukas 16, waar we dan lezen: “En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot.” Er is echter van de eindsituatie van de hel of poel van vuur nog lang geen sprake op dat moment.

Dezelfde foutieve vertaling geldt ook voor het vergelijkbare woord in het Hebreeuws sheool dat men met graf of hel vertaalt in de Statenvertaling. Terecht heeft de NBG-vertaling dit veel juister bijna overal vertaald met dodenrijk. Uit de parabel van de rijke man en de arme Lazarus leren we dat er in het dodenrijk een lichtzijde (hij werd door de engelen in de ‘schoot van Abraham’ gedragen, Luk. 16:22) en een duistere zijde was, die gescheiden was door een onoverkomelijke kloof.

Het dodenrijk wordt gevormd door Dood en zijn doodsmachten en zij beheersen deze sfeer van de eerste dood. Apollyon, de verderver heerst met zijn verderfengelen over de afgrond. Hij en zijn schare verderfengelen (Ps. 78:49) komen bij de vijfde bazuin uit die gevangenis als ‘een ster, uit de hemel gevallen’ (Openb. 8:10-11) de sleutel gegeven wordt om de put van de afgrond te openen (Openb. 9:1-11). Deze ster is de antichrist die dit langs occulte, spiritistische weg bewerkt.

De situatie van ‘eeuwig verderf’ – de tweede dood of poel van vuur of hel (gehenna) – ontstaat als Apollyon samen met de antichrist – in wie hij gevaren was –  in deze eindtoestand terecht komt. De eersten die gestalte geven aan de situatie hel of poel van vuur zijn het beest en de valse profeet (dat wil zeggen: het beest uit de zee of afgrond, Apollyon [Openb. 11:7; Openb. 13:1; Openb. 17:8] en het beest uit de aarde, de antichrist of valse profeet [Openb. 13:11]). Van hen lezen wij: “LEVEND werden zij beide geworpen in de poel des vuurs, die van zwavel brandt” (Openb. 19:20). Hier zien wij dat de poel van vuur geen onbewuste tweede doodstoestand is. Ook merken we in deze context dat van de hel of poel van vuur pas sprake is in de eindfase van het rijk der duisternis. De uitdrukking ‘hel’ komt in het Oude Testament niet voor. De hel, dat is de tweede dood of poel van vuur, is toekomstig.

Het eeuwige vuur: de tweede dood

Jezus is wel in het dodenrijk (hades= onzienlijke, onwaarneembare wereld), dat is de eerste dood geweest (1 Petr. 3:19), maar nooit in de situatie van de tweede dood of poel des vuurs, die volkomen buiten de genade staat. Daaruit is geen wederkeer mogelijk. Nergens leert de Schrift een opstanding uit de tweede dood (Openb. 2:11; Openb. 20:6,14; Openb. 21:8). Er bestaat eenvoudigweg geen Schriftplaats over! De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood (1 Kor. 15:26).

André Piet van ‘Goedbericht’ die de boodschap van alverzoening verkondigt, volgt hier de op dit punt minder duidelijke Statenvertaling dat de dood teniet gedaan wordt en hij leidt daar uit af dat de dood dan niet meer bestaat, maar dat is onjuist. Aan de dood is dan zijn kracht ontnomen, maar hij is er nog wel.

De dood in 1 Kor. 15:26 is de eerste dood die volgens Openb. 20:14 in de definitieve, blijvende situatie terecht komt: “En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen.” In deze volgorde gaan de ‘hoge pieten’ in het rijk der duisternis naar de poel van vuur:

  1. Het beest en de valse profeet, dat wil zeggen: Apollyon en de antichrist (Openb. 19:20).
  2. De duivel (Openb. 20:10).
  3. De dood (Openb. 20:14).

Daarom is de dood de laatste vijand, dat is niet alleen een toestand, maar ook een persoonlijke grootmacht of koning in satans rijk (zie hiervoor: Job 18:14; Rom. 5:14,17; Rom. 6:9; Hand. 2:24; Openb. 6:8; Openb. 20:13-14).

De Gehenna (hel) wordt door bijbelleraar André Piet van de site Goedbericht slechts opgevat als het dal Ge-himmon ten zuiden van Jeruzalem en men ziet niet in dat dit een gebruikte metafoor of beeldspraak is. De poel des vuurs  – in type aangeduid als Gehenna – verklaart men heel letterlijk als de Dode Zee die weer een vuurpoel zou worden als bij Sodom en Gomorra (Gen. 19). Een heel merkwaardige natuurlijke uitleg, gebaseerd op de zichtbare wereld en de aardse werkelijkheid.

Het is onloochenbaar dat er naast het eeuwige leven sprake zal zijn van een eeuwige straf (Matth. 25:46). Het eeuwige vuur is voor de duivel en zijn engelen bereid (Matth. 25:41). In principe heeft God deze situatie “ver van Zijn aangezicht” (2 Thess. 1:9) nooit voor mensen bedoeld. Mensen komen alleen in deze ‘buitenste duisternis’ terecht als zij welbewust collaboreren met de duistere machten die zij dienen.

Slechts mensen die willens en wetens de duisternis LIEVER gehad hebben dan het licht (Joh. 3:19) zullen daarom – verbonden met de verleidende machten der duisternis, die zij dienen – verloren gaan en uiteindelijk in de poel des vuurs terecht komen. Hier gaat het over: “De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen”: “al wat tot zonde verleidt” (= demonen) en “hen, die de ongerechtigheid bedrijven (= mensen)” (Matth. 13:41). Dit betreft mensen, die “een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid” (2 Thess. 2:12). Dat is iets heel anders dan een ongeloof uit onwetendheid. “En zij (= de engelen) zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars” (Matth. 13:42).

Aarde en hemel vluchtten weg van de grote witte troon

Voor het aangezicht van God, in het licht vanuit de grote witte troon, vluchtten “aarde en hemel”, dat wil zeggen: zowel voor de slechte mensen als de boze engelen, waarmee zij in het kwade verbonden waren, werd geen plaats gevonden en zij vluchtten zover mogelijk weg uit Gods licht naar de  buitenste duisternis (Openb. 20:11). Het gaat hier om mensen die de duisternis liever hebben dan het licht (Joh. 3:19). Zij kiezen ervoor gehecht te blijven aan de machten der duisternis die zij altijd hebben gediend.

Het gevaar van uitersten: hypercalvinisme en universalisme

De alverzoeningsleer is een overreactie op een ultra-uitverkiezingsleer, die 99,9 % van de mensheid – als zouden ze door God verworpen zijn van voor de grondlegging der wereld – naar de hel verwijst. Dit kan men aanduiden als hyper-calvinisme dat even gevaarlijk is als het universalisme. Bij de ultra-uitverkiezingsleer timmert men de weg tot behoudenis vrijwel dicht op een kiertje na en bij de alverzoeningsleer beweert men dat ieder mens, zelfs de ‘beestmens’, dat wil zeggen: de antichrist, en zelfs de duivel en zijn demonen allen uiteindelijk gered zullen worden.

God heeft geen mensen tot de hel bestemd

De Heere heeft geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft (Ezech. 33:11; Ezech. 18:23). God is er niet op uit mensen naar de hel of de buitenste duisternis sturen en Hij heeft in Zijn liefde ook geen mensen van te voren daartoe bestemd. Als de mens daar terecht komt, is dat zijn eigen schuld. De poel van vuur is bestemd voor de duivel en zijn engelen en alleen als mensen bewust met de demonen verbonden willen blijven en volharden in hun kwaad, komen zij met die boze geesten daar terecht.

Wat de hel is

In de geestelijke, onzichtbare wereld hebben we niet zozeer te maken met plaats en locatie, als wel met toestand en situatie. De Bijbel gebruikt symbolische taal, om uitdrukking te geven aan deze situatie van eeuwig verderf “ver van het aangezicht des Heren” (2 Thess. 1:9). Heel ernstig zijn de laatste woorden over de hel in de Bijbel: “Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood” (Openb. 21:8) en: “Buiten zijn de honden en de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder, die de leugen liefheeft en doet” (Openb. 22:15).

Van de hel of poel van vuur moet men zich geen letterlijke, middeleeuwse folterwerktuigen of martelkamers maken. De hel of de poel van vuur is een toestand van Godverlatenheid, van concentratie van machten der duisternis, van een elkaar in het verderf helpen (zie de schaduwbeelden in 2 Kron. 20:23: “zij hielpen elkaar in het verderf” en Ezech. 38:21: “het zwaard van de een zal tegen de ander zijn”, vergelijk Jes. 50:11), eeuwige scheiding van God, verbanning, destructie, wroeging, machteloosheid, wanhoop, ontreddering en ontluistering. “Waar hun worm NIET sterft en het vuur NIET wordt uitgeblust of uitgedoofd”, zegt de Bijbel (Jes. 66:24 en Mark. 9:38), wat wijst op tijdloosheid, en de worm het restant aangeeft van wat overblijft van de innerlijk onttakelde mens en de voortdurende wroeging die knaagt aan het geweten. In de hel straft het kwaad zichzelf, want men is aan zichzelf, dus aan zelfgerichtheid en aan de machten der duisternis overgegeven aan wie men zich gehecht had. De demonen hebben altijd op en in mensen geparasiteerd, maar hun kwade genius richt zich nu op elkaar. De Bijbel noemt dat ‘het eeuwige vuur’, geen letterlijk, aards vuur, maar een geestelijke toestand.

C.S. Lewis zei in ‘De grote scheiding’: er bestaan twee soorten mensen. Er zijn er die tijdens hun leven tot God zeggen: “Uw wil geschiede!” De andere soort mensen zijn zij tegen wie God ten langen leste moet zeggen: “uw wil geschiede”. Men kan van inzicht verschillen of deze voorstelling van zaken helemaal correct is. In elk geval stemt de uitspraak van Lewis beslist tot nadenken.

De dossiers van de duivel of de boeken des doods

De Bijbel leert zonneklaar: “want het loon dat de zonde geeft (DUS NIET: GOD) is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here” (Rom. 6:23). “Als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort” (Jak. 1:15). De zonde komt uit de duivel, die van den beginne zondigt (1 Joh. 3:8).

De duivel houdt als aanklager zijn dossiers (vergelijk de enorme dossiers van misdadigers bij grote rechtszaken van soms wel 30.000 pagina’s), zijn loonstaten, nauwgezet bij om mensen aan te kunnen klagen voor hun zonden en het ‘verdiende loon’ uit te keren voor de zondige werken in zijn dienst verricht. “Weet gij niet dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid” (Rom. 6:16). Bij het laatste oordeel als de doden, de groten en de kleinen, voor de (grote, witte) troon staan, worden er boeken (van de dood) geopend (Openb. 20:12a). Dat is de nagelaten boekhouding van satan met zijn aanklachten en beschuldigingen waarin de namen zijn vermeld en de werken zijn opgetekend die voor deze doden tot de opstanding ten oordeel leiden (Joh. 5:28-29). Door deze boeken maakt satan aanspraak op de mensen en heeft hij een claim op hen. De duivel heeft belang bij deze notities, opdat geen enkele verkeerde daad door de vingers wordt gezien. Er is een geestelijke wet die zegt dat “elke overtreding rechtmatige vergelding ontvangt” (Hebr. 2:2). Daarbij maakt hij gebruik van Gods wet (Kol. 2:14) om de zonden van de mensen aan te wijzen. Satan heeft er belang bij dat de mensen verloren gaan en met hem meegezogen worden in de afgrond en naar het eeuwige verderf. Daarom doorkruist hij de aarde in zijn zwerftochten (Job 1:7). Hij gaat rond als een brullende leeuw en zoekt wie hij kan verslinden (1 Petr. 5:8).

Het boek des levens

Er staat in het tweede gedeelte van een vers in Openbaring 20: “En nog een ander boek werk geopend, het (boek) des levens; en de doden werden geoordeeld op grond van wat in de boeken geschreven stond, een ieder naar zijn werken” (Openb. 20:12b). Het is God die dit boek des levens heeft. De Scofield Reference Bible (populair bij hen die de bedelingenleer voorstaan; zie mijn artikel ‘Kritische kanttekeningen bij de bedelingenleer’) zegt hiervan dat in dat boek des levens geen enkele naam staat en alle doden hier voor eeuwig naar de poel van vuur gaan. Dat klopt niet. Daarin staan de namen en werken van hen die NIET in de poel van vuur worden gegooid, omdat zij uit de lichtzijde van het dodenrijk komen waar nog leven was. Zij deden van nature wat de wet gebiedt volgens het door God ingeschapen geweten (Rom. 2:14-16).

Bij het oordeel (scheiding) over de volken  (de schapen en de bokken), dus NIET over de gemeente, vanaf de troon Zijner heerlijkheid die Jezus niet hadden gezien of gekend, is het criterium of zij barmhartigheid hadden bewezen (Matth. 25:31-46). Het gaat hier over die categorie mensen die het ware evangelie nooit hebben gekend, maar in hun leven wel het goede hadden gezocht. Zij komen tot de opstanding ten leven (Joh. 5:28-29). Zij staan niet in ‘het boek des levens van het Lam’ waar alle mensen in staan die door het geloof de vergeving van schuld op grond van het bloed van het Lam hebben ontvangen (Openb. 13:8; Openb. 21:27).

Deze ‘boeken’ zijn niet letterlijk te nemen, maar staan symbolisch voor de herinnering, voor het besef van goed en kwaad, voor het geweten dat aanklaagt of verontschuldigt. Dat alles komt openbaar bij het laatste oordeel. Voor ons die in Christus zijn geldt dat wij “gezuiverd zijn van besef van kwaad”, omdat ons hart door het bloed van Gods Zoon gereinigd is (Hebr. 10:22). Ons geweten is daardoor vrij van aanklacht. Daarom kunnen en mogen wij een aandeel hebben in het oordeel. “Of weet gij niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen?” en “ Weet gij niet dat wij over engelen zullen oordelen?” (1 Kor. 6:2-3).

God is altijd uit op het goede voor de mens

Van God staat dat Hij wil (= wenst) dat alle mensen behouden worden (1 Tim. 2:4). God heeft er geen belang bij van al deze negatieve zaken minutieuze aantekeningen bij te houden. De Rechter, oftewel God, is niet tegelijk de aanklager evenmin als dat het geval is in een rechtszaak op aarde. Dat zijn altijd twee verschillende personen. Van God lezen wij dat Hij de zonden die tevoren onder zijn verdraagzaamheid waren gepleegd, heeft laten geworden (Rom. 3:25b). Hij heeft die dus geduld. Hij heeft alle volken op hun eigen wegen laten gaan (Hand. 14:16). Hij wilde immers alle zonde van alle mensen door het ene offer van Zijn Zoon, Jezus Christus, verzoenen (Rom. 3:25a). Deze voorziening van Godswege in Christus is beschikbaar voor de wereld met de oproep “laat u met God verzoenen” en men kan deel krijgen aan die verzoening door geloof (Rom. 3:25-30; 2 Kor. 5:18-20).

God die geen enkele gemeenschap heeft met het kwade heeft, zal van die verkeerde daden of zonden geen aantekeningen bijhouden. God werkt nooit samen met de boze, want Hij staat nimmer in contact met hem. Wij mogen God niets ongerijmds toeschrijven. De liefde rekent immers het kwade niet toe (1 Kor. 13:5) of zoals de Naardense Bijbel zo schitterend weergeeft: “de liefde is geen boekhoudster van het kwade.” Het is dus ook voor ons de kunst van geen enkele naaste een ‘zwartboek’ bij te houden. De bediening der verzoening bestaat hierin, “dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hen hun overtredingen niet toe te rekenen…” (2 Kor. 5:19).

‘Het is niet voor te stellen dat…’

Keren wij tenslotte nog eens terug naar de gedachten van annihilationisme of vernietiging en alverzoening of universalisme.

De boodschap dat er een ‘eeuwig verderf’ zal zijn, is niet goed voor te stellen voor het verstand en het gevoel van de mens. We hebben echter getracht aan te tonen dat er wel degelijk een eeuwig verderf zal zijn.

Maar men redeneert: ‘Gods liefde zal het uiteindelijk wèl maken met alle mensen’ of spreekt op basis van menselijke emoties: ‘De hel bestaat niet, maar drukt alleen een ophouden te bestaan of vernietiging/verdamping uit, een eeuwige, onbewuste dood’ of men stelt: ‘De hel is slechts een heropvoedingsinstituut en daarom een tijdelijk traject, waarna mensen na geoordeeld te zijn alsnog uit deze situatie ten leven komen’.

Eigenlijk zijn dit soort uitspraken een oppervlakkige benadering van de zaak. Het gaat erom wat de Bijbel zegt en niet om wat menselijke gedachten en gevoelens over de ‘hel’ zeggen, alsof die de maatstaf zouden zijn. Wil men menselijke meningen aan de Bijbel opdringen? Wil men naar eigen criterium een beeld van God scheppen dat past bij de eigen inzichten?

We hebben het over mensen, die stelselmatig Gods liefde en geduld die tot het uiterste ging, hebben afgewezen. Niemand zal onvrijwillig in de hemel zijn. God zal iemand die niet veranderen wil nooit dwingen. Trouwens hoe zou men zich in de hemel thuis voelen? Waarom zou je na je dood in de hemel willen zijn met God de Vader en Jezus Christus die je tijdens je aardse leven nooit hebt zien zitten? Waarom is de hemel voor sommigen die volgens eigen zeggen goed hebben geleefd toch een vage hoop als men zich altijd tegen de oproepen om zich te bekeren tot God te geloven in Jezus Christus heeft verzet? Vaak willen mensen naar de hemel (als die er is, zeggen sommigen erbij), maar wil men niet ingaan op datgene waartoe God nu oproept: bekering en geloof, breken met zonde in gehoorzaamheid aan het Woord. Wat de hel betreft, dat is het eindresultaat van een leven dat altijd in zonde tegen God door is gegaan, waardoor men de duisternis liever is gaan hebben dan het licht en men zich thuis voelt bij en in de duisternis.

Kan er een eeuwig verderf zijn voor het zondigen in het tijdelijke leven? Men vergeet dan het ernstige feit dat elke zonde, die de mens doet, in feite meedoen is met de opstand van de satan tegen de troon van God. De straf wordt niet bepaald door de duur van de overtredingen, maar door de aard ervan: het schenden van Gods eer en heiligheid en het collaboreren met de duisternis van satan.

God is het allerbeste in staat om rechtvaardig te oordelen over de ongehoorzaamheid van mensen. Of zijn wij zo arrogant dat wij denken God iets te kunnen voorschrijven hoe hij moet handelen bij het ontvouwen van Zijn eeuwig voornemen?

Verlokt ben ik Heer door Uw heerlijkheid en macht

Jezus is voor ALLEN die Hem gehoorzamen (!) een oorzaak van eeuwig heil geworden (Hebr. 5:9).

Jezus Christus heeft ons geroepen, niet door een prediking van angst (door almaar te dreigen met hel en verdoemenis),  maar door zijn heerlijkheid en macht; door Hem zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat wij daardoor deel zouden hebben aan de goddelijke natuur, ONTKOMEN aan het verderf dat door de begeerte in de wereld heerst (2 Petr. 1:3-4).

Laten wij mensen verlokken op deze weg van heil tot heerlijkheid! God zij dank voor zijn machtige herstelplan!

Jildert de Boer,
©Verdieping en Aansporing

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *