Licht over het dodenrijk (deel 2)

LICHT OVER HET DODENRIJK (2)

Enkele aanwijzingen uit het Oude Testament

In het Oude Testament zien wij dat de mensen bij hun sterven naar het dodenrijk gaan. Dat gold zelfs voor een vriend van God als Abraham. “En Abraham gaf de geest en stierf in hoge ouderdom, oud en van het le­ven ver­za­digd en hij werd vergaderd tot zijn voorgeslacht” (Gen. 25:8). Je ziet dezelfde gang van zaken ook bij de andere aartsvaders: “En Isaäk gaf de geest en stierf en hij werd tot zijn voorgeslacht ver­ga­derd, oud en van het leven verzadigd, en zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem” (Gen. 35:29). “Toen Jakob geëindigd had zijn zonen bevelen te geven, trok hij zijn voeten te­rug op het bed en gaf de geest, en hij werd tot zijn voorgeslacht vergaderd” (Gen. 49:33). Van Jacob staat ook geschreven: “rouwdragend zal ik tot mijn zoon in het dodenrijk neerdalen” (Gen. 37:35, vergelijk Gen. 42:38).

In de Psalmen wordt er ook gerefereerd aan het dodenrijk (en uiteraard op veel meer plaatsen in het Oude Testament). Bijvoorbeeld: “Als schapen zinken zij in het dodenrijk, de dood weidt hen; de oprechten heersen over hen in de morgenstond; hun gedaante moet in het dodenrijk vergaan, zodat zij geen woning meer heeft” (Ps. 49:15). De boze geesten willen niets liever dan de mens naar zijn innerlijk afvoeren naar de diepten van het dodenrijk, ook wel afgrond genoemd. Het dodenrijk zegt nooit: het is genoeg (Spreuk. 30:15-16). Het dodenrijk rooft hen die zondigen (Job 24:19).  In Job 7:9b staat: “zo stijgt wie in het dodenrijk neerdaalt, niet weer op.” Rom. 5:14 stelt het zo dat de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes, dus ten tijde van het hele oude verbond tot aan de opstanding van Jezus.

De afdeling voor rechtvaardigen: de schoot van Abraham

In het dodenrijk is er een scheiding aangebracht tussen de rechtvaardigen en de heidenen en binnen elke plek is er ongetwijfeld ook verschil, een bepaalde gradatie. De rechtvaardigen in het Oude Verbond kwamen na hun sterven terecht in een situatie die wel paradijs of schoot van Abraham wordt genoemd. . “Want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk, noch laat Gij uw gunstgenoot de groeve zien” (Ps. 16:10). Dat wordt ook in 1 Sam. 25:29 mooi aangegeven: “Mocht ooit een mens zich opmaken om u te vervolgen en u naar het leven te staan, dan zal de ziel van mijn heer gebonden zijn in de bundel der levenden bij de HERE, uw God, maar de ziel uwer vijanden zal Hij wegslingeren uit de holte van de slin­ger” (1 Sam. 25:29).

In deze aparte afdeling van rechtvaardigen  was er een bepaalde troost en blijkens het verhaal in Lukas 16 werden de rechtvaardigen door goede engelen gedragen in de schoot van Abraham, waar Lazarus een exemplarisch voorbeeld van was (Luk. 16:22). Er was daar sprake van ‘water’, dus een vorm van leven aan de goede kant van de kloof (Luk. 16:24).

Jezus geeft deze mooie notitie over Abraham: “uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd” (Joh. 8:56). Toen Jezus opstond werden vele heiligen als Abraham en hen die ‘in zijn schoot’ waren opgevoerd in het paradijs, in de heilige stad (Mat. 27:52-53; zie ook Luk. 13:28). Daarom heet het: opgevaren naar de hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede (dat wil zeggen: hen die door de dood waren buit gemaakt) (Ef. 4:8; vergelijk Ps. 68:19).

En wij dan?

Christenen komen niet meer in het dodenrijk terecht, want als wij in Christus Jezus zijn, zullen wij de dood in eeuwigheid niet aanschouwen of smaken (Joh. 8:51-52). Jezus zei tegen Martha: “Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven…” (Joh. 11:25-26).

De diepte van het dodenrijk: de afgrond

De negatieve zijde in het dodenrijk, wordt door de rijke man ‘deze plaats der pijniging’ genoemd en hij kon de ‘oversteek’ naar Lazarus in de schoot van Abraham niet meer maken, wat tijdens zijn leven wel had gekund. Hierbij moeten wij denken aan de onderste delen van het dodenrijk voorbij de onoverkomelijke kloof (Luk. 16:26) en dan is er sprake van de put van de afgrond (Op. 9:1), waar zich allereerst demonen bevinden en daarnaast mensen die als gevolg van hun zondige leven op aarde daar terecht komen in de donkere diepte van de geestelijke onderwereld.

In het onderwijs van Jezus lezen we: “Maar een ieder die een dezer kleinen, die in Mij geloven verleidt, het zou beter voor hem zijn als, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee” (Matth. 18:6). Wanneer je met een molensteen om je nek in de zee wordt ge­worpen, dan zink je diep in de zee, dat wil zeggen: de afgrond. Dan ga je met die steen (beeld van een macht) tot in de diepste diepte. Dit wordt ook van de Farao gezegd: “Het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee” (Ex. 15:1) en “In de diepte zonken zij als een steen” (Ex. 15:5). Farao kwam dus in de diepten van het dodenrijk terecht: de man met zijn inwonende macht der duisternis.

Jezus stierf en ging naar het dodenrijk

Toen Jezus stierf, lag zijn lichaam in het graf. Maar naar de geest in welke Hij ook heengegaan is en heeft Hij gepredikt aan de ‘geesten in de gevan­ge­nis die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lank­moedigheid Gods bleef af­wach­ten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd ge­bracht” (1 Petr. 3:19). Het gaat daar over de mensen in de dagen van Noach. Die geesten zouden dan de menselijke geesten kunnen zijn. Prediken betekent hier volgens de grondtekst proclameren of als een heraut de overwinning uitroepen in de gevangenis van het dodenrijk. Krijgen die mensen die eertijds ongehoorzaam waren hier een tweede kans? De lijn in de Bijbel is zonneklaar dat de mens tijdens zijn leven de keuze voor God moet maken. Het woord ‘ongehoorzaam’ lijkt hier toch moedwillig ongehoorzaam. Waren die mensen overweldigd door de geweldgeesten in de voortijd en leden zij als slachtoffers daaronder? Die gedachte kan opkomen, maar ik zie hier en op andere plaatsen in de Bijbel geen aanwijzing voor hun behoud. “Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel” (Hebr. 9:27).

Andere uitleggers menen dat de ‘geesten in de gevangenis’ verwijzen naar demonen (2 Petr. 2:4; Judas 6). Aan deze gevallen engelen heeft Jezus geproclameerd dat hun heerschappij ten einde zou lopen en heeft Hij Zijn overwinnende macht verkondigd. Als die mensen in de gevangenis daar gekomen zijn bij de zondvloed, dan is het aannemelijk dat de ongehoorzame, goddeloze mensen daar verbonden met de machten die ze dienden (met ‘man en macht’) in de afgrond gekomen zijn (2 Petr. 2:5). Gevallen engelen (de zonen Gods die zich met de dochters der mensen verbonden, Gen. 6:4) en mensen verdwenen in de zee (beeld van dodenrijk of afgrond) ten tijde van de zondvloed op een overblijfsel van acht mensen na, Noach en de zijnen, die door het water heen behouden werden. Er staat nergens concreet dat Jezus hier andere mensen losgemaakt heeft van hun gebonden zijn aan demonen tot bevrijding. Al is het denkbaar dat sommigen die hoop koesteren, maar bijbels hard te maken is dat niet. Uiteindelijk zal God Zelf dit laten blijken bij het laatste oordeel als het dodenrijk opengaat en de alle mensen daarin opstaan ten leven of ten oordeel (Joh. 5:28-29).

Rest op te merken dat in de eindtijd wel bij de vijfde bazuin de sleutel gegeven worden aan een ster die uit de hemel op de aarde was gevallen (een beschrijving van de antichrist) die op spiritistische wijze de put van de afgrond zal openen (Op. 9:1-2) om de gevangen demonen als sprinkhanen met de macht als schorpioenen eruit te laten komen voor een bepaalde periode.

Jezus stond op uit het dodenrijk

Satan mocht gedacht hebben dat hij een handige transactie had geregeld toen hij Jezus in de dood had gekregen om in ruil daarvoor de gehele mensheid los te laten. Jezus had de losprijs aan de duivel (de slavenhouder van zondige mensen) betaald , om de mensheid met Zijn bloed (leven) vrij te kopen voor (ten behoeve van) de Vader (Op. 5:9). De duivel moet gemeend hebben dat hij Jezus als de kostbare parel nu in de gevangenis van dood en dodenrijk vast kon houden. Dat liep echter voor hem uit op een gigantische misrekening, waarbij hij Gods wijsheid niet kon zien. We lezen daar iets over in 1 Kor. 2:8: “En geen van de beheersers dezer eeuw (= demonen) heeft van haar (= de wijsheid van God) geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben.”

Uiteraard hebben sterke demonen in de afgrond geprobeerd Jezus Christus daar te houden, maar zij konden geen grip of aanknopingspunt bij Hem vinden. De Heere Jezus was volkomen gaaf gebleven in Zijn leven en Hij was nooit tot zonde gekomen. Tijdens Zijn loop op aarde gold reeds: “De overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets” (Joh. 14:30). Ook in het dodenrijk was Jezus Christus binnengekomen als een volmaakt rechtvaardige en daardoor kon de boze geen enkele claim op Hem leggen. Zijn opstanding was het bewijs van een leven dat nooit gezondigd heeft, zoals we lezen in Rom. 1:4: “door Zijn opstanding verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Heere. ” We zien dit ook heel duidelijk in Hand. 2:24: “God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën (banden, Ps. 18:5; Ps. 116:3) van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden.” Om het met een beeld te zeggen: Jezus was als het ware ‘zo glad als een aal’, waardoor de doodsmachten en verderfengelen bij Hem geen ‘Anklang’ konden vinden. Zij konden Zijn volkomen gaafheid niet aantasten of ondermijnen. Hij stond op als eerstgeborene uit de doden (Kol. 1:18; Op. 1:5), van tussenuit de doden.

In de periode van drie dagen dat Jezus dood geweest is en levend is geworden tot in alle eeuwigheden heeft hij de sleutels van de dood en het dodenrijk in handen gekregen (Openb. 1:17-18). Hij is in het doodsklimaat geweest waar de Dood en de verderver, Apollyon heersen. In hun machtsgebied heeft Hij de dood en het verderf overwonnen, over de doodsmachten en verderfengelen gezegevierd en door de kracht van de heilige Geest (of: de majesteit des Vaders, Rom. 6:4) is Hij uit de doden opgewekt.

Jildert de Boer

©Verdieping en Aansporing

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *