Tweevoudige troost van God

Vermaning – vertroosting

In het evangelie ligt zegening én vermaning, bemoediging én correctie, troost én terechtwijzing. Het Woord van God werkt als zwaard én balsem! Het is ontdekkend als het scherpe loog en het kan werken als een zoete vertroosting. Het Woord scheidt vaneen en dringt diep door in ons binnenste, maar ook is het als een balsemende, helende zalf op de wonde.

Het zal duidelijk zijn dat we geen “zoete broodjes bakken”-evangelie voorstaan, maar veeleer een gezouten boodschap, die het hart raakt en ons vurig van geest maakt voor God! Toch bestaan de ingrediënten van het evangelie niets slechts uit peper en kerrie – die ernst en waarschuwing erin is nodig – maar ook uit kaneel en andere lieflijke kruiden: het is een blijde, verlokkende boodschap!

Door de zonde, die zoveel beschadiging in mensenlevens heeft aangericht en in menselijke verhoudingen kapot heeft gemaakt, hebben velen behoefte aan een opbeurend woord, een daadwerkelijk meeleven, een begripvol luisterend oor, een troostvolle bemoediging en een opwekkende stimulans. Velen snakken naar dergelijke, liefderijke impulsen vanuit hun omgeving en wij kunnen er alert op zijn, om goedheid om ons heen te verspreiden vanuit ons leven dat naar God en die ander uitgaat.

Uiteraard spelen we geen “aai poes” tegenover vleselijke elementen, hebben geen toegeeflijkheid tegenover concrete zonden en we treden niet soepel op tegen de machten der duisternis. Deze demonen zijn het namelijk, die in eerste instantie de ellende in deze wereld veroorzaken. We trachten echter de lijdende mens ware troost en echte hulp te bieden en Gods Woord is voor ons hierin richtinggevend!

Natuurlijke en geestelijke troost

Ware troost is meer dan iemand een aai over z’n bol of een schouderklopje geven, hoe goed dit ook kan werken. Het is meer dan je vrouw een bos bloemen geven op zaterdag, of als er iets voorgevallen is, waarvan je achteraf had gewild dat het niet was voorgevallen. Dat gebaar van een bos bloemen is ook goed op zijn tijd.  Het gaat verder dan het geven van complimenten, of het uitspreken van waardering, hoe prima ook op zichzelf genomen.

Veel meer is troost een levenshouding, een uitstraling van het leven van God in ons, een wezenstrek van de Christus in ons. Kunnen wij een ander werkelijk troosten met Gods Woord? Hebben wij een bepaalde inhoud van God gekregen, dat wij geestelijk zo kunnen troosten, dat de ander geholpen wordt en ermee vooruit kan? Kunnen wij intens luisteren naar de nood van de ander, om vervolgens zegevierend te spreken met opmonterende, troostende woorden? (Spreuk.21:28b).

Hier komen we in situaties terecht waar we ons eigen gebrek en tekort in tegenkomen. We bidden om wijsheid (Jak.1:5), we oefenen en we rijpen in deze dingen, in ons verlangen de ander tot steun en vertroosting te zijn. Opdat we geen “jammerlijke vertroosters” zullen zijn, zoals de vrienden van Job met al hun aanklachten en verwijten (Job 16:2).

Tijdelijke of blijvende troost

Mijn vader nam vroeger als hij als vertegenwoordiger thuis kwam soms een dinkytoy voor mij mee. Als klein jongentje was ik gek op die autootjes. Totdat het gebeurde – ik zal een jaar of vijf geweest zijn – dat mijn lievelingsautootje, een Ford Sodiac, in een putje verdween. Mijn moeder probeerde mij te troosten, maar ik bleef lang doorhuilen en roepen “mijn Ford Sodiac” en was bijna ontroostbaar. Ik kan mij het begrip en de troost van mijn moeder nog goed herinneren en zo’n ervaring blijft je bij. Hoe mooi is het als ouders er energie en tijd in steken om hun kinderen te troosten! De Bijbel zegt: “Zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten, ja, in Jeruzalem zal Ik u troosten” (Jes.66:13). De mensen in het algemeen troosten elkaar meestal tamelijk oppervlakkig met woorden als “kop op”, “morgen beter” en “ach joh, het gaat wel weer over”. Dergelijke woorden – hoe gemeend soms ook – fungeren vaak als een cliché of zoethoudertje, die soms kortdurend positief kunnen werken. We denken bijv. aan de schaatser, die na een teleurstellende prestatie of valpartij wordt opgevangen en getroost door zijn coach. Er zijn vele menselijke gedichten en spreuken, die best een aanzet kunnen geven iets van de positieve kant te bezien. Als christenen zullen we natuurlijke mogelijkheden en middelen niet onderschatten.

Bijbelse troost gaat dieper. Wie zijn zonden met berouw heeft beleden aan God en het eigendom is geworden van Jezus Christus, die heeft werkelijke troost in zijn leven gevonden en eeuwig leven gekregen! Reeds de oude Simeon verwachtte de vertroosting van Israël en zag deze vervuld in de komst van de Christus des Heren, Gods heil dat Hij heeft bereid voor het aangezicht van alle volken en deze godsspraak was hem door de heilige Geest gegeven (Luk.2:25-32).

Valse of ware troost
Vele mensen zoeken in deze tijd naar religie en zingeving. Jammer genoeg zoekt men vaak in oosterse godsdiensten, of via occulte geneeswijzen heil en troost te vinden. Die troost is vals en bedrieglijk, of zelfs schadelijk want men raakt gebonden aan de geesten der duisternis die daarachter en daarbinnen opereren. Komen zulke mensen in contact men het evangelie, dan is het nodig, om aan gevangenen loslating (van boze geesten) te verkondigen! (Luk.4:18-19).

Aan een open graf kan blijken of er valse troost of bedrog voor de eeuwigheid geboden wordt, al probeert men dat ook nog zo mooi te verbloemen, of netjes te camoufleren. Zelfs bij crematies heeft men klassieke of moderne muziek nodig om de leegheid wat op te luisteren. Moeder aarde speelt soms een grotere rol dan onze Vader die in de hemelen is.

De ernstige werkelijkheid is: zonder Jezus Christus is er geen Redder, geen levensdoel, geen blijvende troost tot in alle eeuwigheden, geen hoop voor de toekomst! Onder het motto van tolerantie en medemenselijkheid is men bezig “valse oksels onder de zielen van mensen te naaien” en op vage gronden praat men mensen vaak gemakkelijk de hemel in. Het rechtvaardige oordeel zullen we echter aan God overlaten, die de diepten van de overleggingen van ieders hart kent en nauwkeurig weegt.

De duivel zal OF met valse troost de mensen willen doen geloven dat iedereen gered wordt (alverzoening), OF hij zal door twijfel en onzekerheid te zaaien de mensen praktisch elke troost willen ontnemen en hen doen geloven dat bijna allen naar de hel gaan (verkeerd voorgestelde uitverkiezingsleer). Kortom: een trieste verschraling van bijbelse troost in Jezus Christus.

Wie troost heeft gevonden in Jezus Christus, is behouden. Als zo’n gelovige heengaat, dan treuren de nabestaanden niet als degenen die geen hoop hebben!

Eerste en tweede troost

Jesaja 40:1 zet in met “Troost, troost mijn volk” en dan gaat hij spreken tot het hart (de tempel als kern) van Jeruzalem om het toe te roepen dat zijn lijdenstijd volbracht is, dat zijn ongerechtigheid geboet is, dat het uit de hand des Heren DUBBEL ontvangen heeft voor al zijn zonden” (Jes.40:2).

In het Nieuwe Verbond zouden we dit kunnen vergelijken met “uit Gods volheid genade op genade ontvangen” (Joh.1:16). De eerste troost die we kunnen ontvangen is de vergeving van onze zonden. Dan is onze lijdenstijd volbracht, dat wil zeggen, dat we niet meer hoeven te lijden in ons geweten, dat nu vrij is van zondeschuld, ZONDER BESEF VAN KWAAD (Hebr.10:22). Het is heerlijk om te weten dat Jezus Christus heeft geboet voor mijn ongerechtigheid en dat ik mag leven met de troost van een rein geweten! Wij hoeven ons niet meer te laten knechten door de aanklacht van de boze!

Wil je daarbij ook deel krijgen aan het dubbele deel, aan de tweede troost? Dan ben je niet tevreden met enkel de troost van zondevergeving, maar je verlangt naar een dubbel deel, dat is naar de doop in de heilige Geest. Wanneer die Geest van God IN JE komt wonen, ben je Gods TEMPEL, en die is heilig (1 Kor.3:16-17). In die tempel van ons lichaam, waar Gods Geest woont, willen we hem met lichaam en geest verheerlijken. Zonden kunnen daar niet gedoogd worden. Door de kracht van Gods Geest kom je binnen in overwinning op je zonden en deze troost smaakt nog heerlijker en geeft je meer vreugdeolie dan de blijdschap van de vergeving van zonden. Het is trouwens een vervolg op de vergeving van zonden.

Veel predikers proberen de mensen te troosten IN hun zonden, in plaats van hen te verkondigen UIT de zonden te komen. Natuurlijk zal zo’n goedkope troost niet als “pleister” op openbare en bewuste zonden werken, want het is bedrog.

Sommige predikers maken het zo sterk niet, maar zij trachten de mensen te troosten in het geloof dat ze erin moeten berusten dat al hun zonden door genade bedekt zijn. Wie verder wil met de Here en treurt als hij in zonde terecht komt, die zoekt naar een betere vertroosting. Die ziet uit en gaat een troost verwachten die zo’n zegen inhoudt, dat hij van zijn boosheden afgebracht wordt. Daartoe heeft God Zijn Zoon doen opstaan (Hand.3:26) en wij zijn met Hem daartoe opgestaan in een nieuw leven! Hij neemt niet langer genoegen met de leer dat men niet anders kan leven dan maar blijven zondigen, ook als men christen is geworden. Zo ontstaat er geen geloof in levensverandering!

Hij treurt over zijn trieste nederlagen, die hem in het christenleven dreigen te ontmoedigen. “Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden” (Matth.5:4). Er zijn er die aan het hiernamaals denken, omdat het op aarde een tranendal zal blijven. Dat kan toch niet het leven en dat in overvloed zijn, zoals Jezus dit beloofd heeft? (Joh.10:10b). Gelukkig kunnen wij licht van God ontvangen, dat deze schemertoestand niet hoeft voort te duren, maar dat het door de andere Trooster – de kracht die door de Geest van God in je wil werken – MOGELIJK is een overwinningsleven te leiden. Zulke oprecht naar meer van God verlangende mensen zoeken en ontvangen de doop in heilige Geest, die hen omhult en vervult!

In Gods kracht keren zij zich naar het licht toe, om daadwerkelijk in het licht met Jezus te wandelen. “Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, maar in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet” (1 Joh.1:6). Fraai iets zeggen, vroom iets beweren, of mooi iets belijden (1 Joh.2:3; 1 Joh.2:9; 1 Joh.4:20) helpt niet, om er valse troost uit te putten, want de ware troost van God werkt alleen in geest en waarheid, als je met een waarachtig hart Gods woorden gaat uitleven. Zij schermen niet steeds met bedekkende genade, of het bedekkende bloed, maar in het bloed van Jezus reinigen zij hun wandel en zijn zij van de ijdele wandel van de vaderen vrijgekocht (1 Joh.1:7; 1 Petr.1:17-18). Zij geloven in opvoedende genade: “Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen OM ONS OP TE VOEDEN, zodat wij de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven, om ons vrij te maken van ALLE ongerechtigheid en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken. SPREEK HIERVAN, vermaan en weerleg MET ALLE NADRUK, niemand mag u verachten” (Tit.2:11-15). De weg tot des te grotere genade over je leven loopt altijd via ootmoed of nederigheid (Jak.4:6). De blijde boodschap aan ootmoedigen leidt tot bevrijding en vertroosting (Jes.61:1-3). Namelijk: “om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken dat men hen geve hoofdsieraad (schoonheid) in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest…”. Er is hoop en troost voor het geknakte riet, dat God niet wil verbreken en de walmende vlaspit, die Hij niet zal uitdoven (Matth.12:20). Laten wij tot troost zijn, om dat kleine waakvlammetje aan te wakkeren bij mensen om ons heen! Laten wij geknakte mensen ondersteunen en vertroosten, om deze zwakken op te beuren en moed in te spreken.

Zoon der vertroosting

In het Nieuwe Testament hebben we een heerlijk voorbeeld in Barnabas. Deze bijnaam had hij van de apostelen gekregen en de betekenis is “zoon der vertroosting” (Hand.4:36). Hij was een bemoediger bij uitstek! Hij had een warm hart voor Paulus, toen allen hem nog schuwden (Hand.9:27). Van hem staat het getuigenis opgetekend: “hij was een GOED man, VOL van de heilige Geest en van geloof” (Hand.11:24). Hij bleef geloof, geduld en ontferming houden om te werken aan en met Johannes, genaamd Marcus, terwijl Paulus deze “tweede mijl” niet ging en Johannes Marcus niet als extra belasting bij zich wilde hebben in het werk (Hand.15:36-39). Barnabas werkte aan de vorming van zijn neef met ALLE volharding en vertroosting (vergelijk Rom.15:5).

Zoals Barnabas zich eerst het lot van Paulus aantrok en hem tot troost was, die eerst nog geschuwd werd door de discipelen, omdat zij niet konden geloven dat hij een discipel was geworden (Hand.11:26-27), zo trok Barnabas zich nu het lot aan van zijn neef Marcus, die hij na de mislukking op de vorige zendingsreis een nieuwe kans wilde geven door hem mee te nemen op een volgende reis. Nu schuwde Paulus het echter, om Marcus mee te nemen en bleef van oordeel dat men niet iemand bij zich moest hebben, die hen na Pamfylië had verlaten en zich niet met hen tot het werk had begeven (Hand.15:37-38, vergelijk Hand.13:13). Hij was het er niet mee eens Marcus nogmaals op sleeptouw mee te nemen.

Later moest ook Paulus erkennen, dat Johannes Marcus uitgegroeid was tot een nuttige dienstknecht, want dan schrijft hij: “haal Marcus af en breng hem mede, want hij is mij VAN VEEL NUT voor de dienst” (2 Tim.4:11). Zo was hij op mettertijd geworden, omdat Barnabas de moed en hoop niet voor hem had opgegeven, maar zijn aanvankelijk nog slappe neef kon troosten en bemoedigen door hem mee te nemen en met hem op Cyprus de evangelieprediking te beginnen (Hand.15:39). Dit gaf helaas aanvankelijk een verbittering en uiteengaan tussen Barnabas en Paulus, die op zijn beurt met Silas begon te reizen. Later moest Paulus zijn vaste, stellige oordeel (Hand.15:38) over Marcus prijsgeven en schreef hij “ontvang hem” (Kol.4:10) en beschouwde hem als “medearbeider” (Filemon 24) en door Petrus wordt hij “mijn zoon Marcus” genoemd (1 Petr.5:13), die als een vader in Christus naast Barnabas ook zijn aandelen in Marcus heeft belegd. Laten wij Barnabas’ voorbeeld als goede bemoediger vol geloof en als milde vertrooster vol van Geest volgen!

Wij hebben moderne middelen, die we ook mogen gebruiken om anderen te troosten en te bemoedigen. Een kaartje, een belletje, een sms-je of een mailtje kan veel goeds uitwerken! Teksten uit Gods Woord kunnen tot een enorme troost zijn. Ik denk bijv. aan Ps.94:18-19: “Als ik dacht: Mijn voet wankelt, dan ondersteunde mij uw goedertierenheid, o Here. Bij de veelheid van mijn gedachten, verkwikten uw vertroostingen mijn ziel”.

 Getroost worden – tot troost zijn

“En Hij, onze Here Jezus Christus, en God onze Vader, die ons heeft liefgehad en ons eeuwige troost en goede hoop door Zijn genade verleend heeft, trooste uw harten en make ze sterk in ALLE goed werk en woord” (2 Thess.2:16). Er is sprake van “de God aller vertroosting, die ons troost in al onze druk”. Waartoe? “Zodat wij hen, die in allerlei druk zijn, troosten kunnen met de troost waarmede wijzelf door God vertroost zijn”. Hij gaat verder met: “Want gelijk het lijden van Christus overvloedig over ons komt, zo valt ons door Christus ook overvloedig vertroosting ten deel” (2 Kor.1:4-5). Bij lijden en druk is vertroosting van God nodig.

Vervolgens kunnen wij een hulp voor anderen worden tot vertroosting, zoals er volgt: “worden wij verdrukt het is u tot troost en heil; worden wij getroost, het is u tot een troost”. Wat houdt deze troost in? Het is “een troost, die zijn kracht toont in het doorstaan van HETZELFDE lijden dat ook wij ondergaan. En deze hoop voor u is wel gegrond, want wij weten, dat gij EVENZEER aan de vertroosting deel zult hebben als aan het lijden” (2 Kor.1:6-7). Bent u ook bereid de weg van het lijden in verzoeking, verdrukking en vervolging te gaan tot in de dood, zoals Paulus? Want over dit lijden gaat het!

De zonen Gods die troosten en de volken die getroost worden

Wat God nu in ons kan werken en wat wij daardoor worden in God, zullen wij straks zijn in de eeuwigheid. Er is een enorm verschil in heerlijkheid, zoals de ene ster van de ander verschilt in glans, zo zal het zijn bij de opstanding der doden (1 Kor.15:40-42).

Het is van groot belang te onderscheiden de mensen die behouden zijn en eeuwig leven hebben door Christus EN zij die gevormd en opgeleid zijn tot eerstelingen (Openb.14:4) of Bruid, de vrouw van het Lam, en daarna samen met het Lam de vrouw van God. De eerstelingen, of zonen Gods, hebben leven van God in zichzelf gekregen (Joh.6:53) en daarvan kunnen ze uitdelen. Er staat: “Het is zaliger te geven, dan te ontvangen” (Hand. 20:35). Ontvangen is dus ook wel zalig, geven evenwel nog zaliger!

In dit verband staat er met betrekking tot de grote schare uit de volken: “God zal ALLE tranen van hun ogen afwissen” (Openb.7:17 en Openb.21:4). Wat een troost ONTVANGEN zij! De kleine kudde eerstelingen (“144.000”) zijn echter erin betrokken, om deze troost te GEVEN, omdat zij in God en in het goed doen en tot troost voor anderen zijn gelééfd hebben. De Bruid is de tent – de woonstede Gods die opgebouwd is in de Geest – die uitgespreid wordt bij de mensen tot troost en zegen (Openb.7:15b en Openb.21:3). Het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en voeren naar waterbronnen des levens…” (Openb.7:17) en Hij zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens om niet (Openb.21:6).

De Bruid bestaat uit eerstelingen of zonen Gods, ofwel “zonen der vertroosting”. Zij zijn VOL van Geest en sprankelend leven, de rivier van water des levens is helder als kristal (Openb.22:1). De Bruid of vrouw van het Lam  heeft het licht van binnenuit mogen ontwikkelen: zij HAD de heerlijkheid van God (Openb.21:11) en de volken zullen BIJ haar licht wandelen (Openb.21:23-24). Zij leven van het licht uit de stad van God, het nieuwe Jeruzalem. Deze volken hebben gehongerd en gedorst naar de gerechtigheid, maar vaak werden ze overweldigd door de duivel. Ze hebben geen goddelijk leven in zichzelf, want deze ontwikkelingsgang hebben ze (nog) niet gemaakt. De Bruid heeft deze heerlijkheid van de Christus in zich slechts verkregen door de weg van het Lam te gaan, de weg van lijden en gehoorzaamheid! Vele mensen kunnen weliswaar behouden worden, maar weinigen willen alles opgeven – de prijs voor discipelschap Luk.14:26-27,33 – om een waardige Bruid van Christus te worden, die bij Hem past, die Zijn gelijke is.

Levensbomen tot vertroosting

In het paradijs stond eenmaal de boom des levens (Gen.2:9), een beeld van Jezus Christus. In het herwonnen en herstelde paradijs is er sprake van een verzamelnaam: “het geboomte des levens” (Openb.22:2; vergelijk Ezech.47:12). Zij zijn gesneden uit hetzelfde hout als Hij. Zowel de Zoon als de zonen hebben een gekruisigd leven geleefd en de zonen zijn, geleid door de heilige Geest, aan het beeld van de Zoon gelijkvormig geworden (Rom.8:14,29). De Leidse vertaling heeft het over “levensbomen”. Het zijn de Zoon van God met de zonen Gods met wie Hij de zuchtende schepping wil herstellen (Rom.8:19,21-22). Zij dragen en geven voortdurend vrucht (Gal.5:22) en de bladeren van het geboomte des levens – de geestelijke gaven (1 Kor.12:8-11) – zijn tot genezing van de volken (Openb.22:2). Vrucht en gaven van de Geest werken samen tot heil en heling!

Er is veel herstel van innerlijke beschadigingen nodig voor hen, die uit het dodenrijk komen en in het boek des levens geschreven bleken te staan, waardoor zij niet in de poel van vuur terecht kwamen (Openb.20:12-15). Dit vertroostende herstel ontvangen zij op de nieuwe aarde, waar de zonen Gods samen met Hem mogen dienen en bevrijden en tot zalf en balsem mogen wezen tot genezing. Het zijn met recht “troostbomen”, of “zonen der vertroosting”, die alle littekenen en verwondingen onder de zuchtende volkeren zullen genezen, vertroosten en herstellen! Wat een machtige roeping en taak is dat, samen met Jezus Christus, onze Heer, aan wie dit alles te danken is tot lof van God de Vader.

“Zie een Koning zal regeren in gerechtigheid (Jezus Christus) en vorsten (zonen Gods) zullen heersen naar het recht en IEDER VAN HEN zal zijn als een beschutting tegen de wind en als een TOEVLUCHT tegen de stortbui, als waterstromen in een dorre streek, als de schaduw van een machtige rots in een dorstig land” (Jes.32:1-2). HEERLIJKE TROOST!

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *