Zagen de profeten onder het oude verbond niets van de gemeente?

ZAGEN DE PROFETEN ONDER HET OUDE VERBOND NIETS VAN DE GEMEENTE?

Tegen de achtergrond van de bedelingen- en opnameleer

Inleidend 

Er wordt in de bedelingenleer verondersteld dat de profeten, zoals Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël, alleen profeteerden over de ‘bergtoppen’ van de eerste komst en de tweede komst van Christus.  Men spreekt van een ‘profetisch perspectief’, waarbij in dit beeld daarbij aangegeven wordt, dat de profeten de tussen de ‘bergen’ liggende ‘vallei’ of het ‘dal’ van het gemeentetijdperk niet hebben gezien. Volgens deze visie was dit geheimenis van de gemeente aan hen volstrekt onbekend.

Het is echter niet eenvoudig om de tussentijd van de gemeente en daarbij een veronderstelde breuk van meer dan 2000 jaar tussen de negen en zestigste jaarweek en de zeventigste jaarweek van Daniël (Dan. 9:24-27) bijbels gefundeerd aan te tonen. In de Maranatha-visie begint de zeventigste jaarweek van Daniël pas na de zogenoemde opname van de gemeente, die men zo verstaat dat Jezus de Zijnen ophaalt naar de hemel.

Daarom kijken we kritisch naar deze onlogische, langdurige onderbreking tussen de 69e jaarweek en de 70e jaarweek. Tussen de eerste komst van Christus en Zijn wederkomst ligt geen profetisch gat of hiaat, maar een verder ontwikkelingsproces van Gods eeuwige voornemen met de gemeente.

Het geheimenis van de verborgenheid: de gemeente

De Efezebrief zegt: “en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper aller dingen, opdat thans door middel van de gemeente…” (Ef. 3:9-10, NBG-vert.; zie ook Ef. 6:19-20 en 1 Kor. 4:1). Het wordt ook genoemd het geheimenis van Christus (Ef. 3:4).

Jezus zegt tegen zijn discipelen: “Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen…” (Matth. 13:11, NBG-vert.) en: “Ik zal Mijn mond opendoen met gelijkenissen. Ik zal over dingen spreken die verborgen waren vanaf de grondlegging der wereld” (Matth. 13:35, NBG-vert.). Het is duidelijk dat deze nieuwe geestelijke gedachtewereld in het oude testament niet bekend of geopenbaard was. In het nieuwe verbond is sprake van voortschrijdend inzicht. Voor zover de profeten van het oude verbond erover gesproken hebben en getracht hebben de dingen te doorvorsen en na te speuren, verstonden ze toch doorgaans de echte betekenis en inhoud van hun eigen profetieën niet (1 Petr. 1:10). Maar aan hen werd geopenbaard dat zij ons dienden (1 Petr. 1:12). Petrus leerde: “Al de profeten, van Samuël af en vervolgens, zovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd” (Hand. 3:24, NBG-vert.). De profeten spraken over de eerste komst van Christus, maar toch ook over de prediking aan de heidenen. We lezen immers: “Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derde dage opstaan uit de doden en dat in Zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving van zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem” (Luk. 24:27, NBG-vert.).

Aansluitend bij Ef. 3:9 noemen we een vers uit een andere, Paulinische brief: “het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen. Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder (in) u, de hoop der heerlijkheid” (Kol. 1:26-27, NBG-vert.).

We merken op dat juist in dezelfde Efezebrief in principe vanaf het werk van Christus op Golgotha de scheidsmuur tussen Joden en heidenen omver haalde (Ef. 2:14-16; Kol. 3:11). Dit opheffen van de nationale verschillen zien we ook al in eerder geschreven brieven van Paulus (Rom. 10:12; 1 Kor. 12:13; Gal. 3:28).

Het NU wordt tegenover het VROEGER gesteld toen zij nog heidenen waren (Ef. 3:5-6). De vroegere geslachten wil zeggen: vóór de Pinksterdag (Ef. 2:11-22).

Spreken Paulus’ vroegere brieven (voor Efeze en Kolossenzen geschreven) niet over de openbaring van dit geheimenis? Ja, zeker wel!

Er staat geschreven: “maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God al van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid” (1 Kor. 2:7, NBG-vert.). De gezochte redenering die men soms hier tegenin brengt is dat Paulus het hier nog weer zou hebben over een apart geheimenis van de verborgen wijsheid Gods.

Voorts lezen we: “Hem nu, die bij machte is u te versterken -naar mijn evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen, maar thans geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God tot bewerking van gehoorzaamheid des geloofs bekendgemaakt onder alle volken…” (Rom. 16:25-26, NBG-vert.). 

Zagen de oudtestamentische profeten de gemeente niet? 

Men stelt in de bedelingenleer dat de profeten van het oude verbond NIETS wisten van de zogenaamde ‘tussentijd’ van de bedeling van de genade of de bedeling van het geheimenis.

Die profeten hebben wel degelijk naar deze zaligheid gezocht en gevorst. Zij speurden na op welke en hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn… (1 Petr.1:10-12, NBG-vert.). Dit zijn niet mis te verstane verzen die zonneklaar aangeven dat de profeten van het oude verbond over de genadetijd van de gemeente profeteerden! 

Interim-periode?

De hele boodschap van Jezus Christus gaat volgens de bedelingenleer slechts over het aanbieden van een aards Koninkrijk aan Israël (plan A) en toen dit volk – op een gelovig overblijfsel na – dit verwierp, werd Israël terzijde gesteld (en het Koninkrijk uitgesteld) en toen kwam – volgens deze visie – de Gemeente als een ‘inlas’, een tussenvoegsel of intermezzo in Gods plan op de proppen, totdat Hij de draad met Israël weer zal oppakken in de eindtijd.

In deze lijn van denken zou de Gemeente en het evangelie van de genade slechts een gedachte van God naderhand zijn (plan B). Paulus heeft het echter niet over een tussentijd van de gemeente. Hij spreekt over het schaduwvolk van het oude verbond, het Israël naar het vlees (1 Kor. 10:18), als voorbeeld en waarschuwing voor ons (= de Gemeente), over wie het einde der eeuwen gekomen is (1 Kor. 10:6,11, NBG-vert.). Niet het volk Israël is de werkelijkheid, maar de Gemeente is de werkelijkheid en Israël is de schaduw. Alleen door geloof in Christus, het ware zaad van Abraham, kan men gezegend worden en een erfgenaam van de belofte (Gal. 3:7,9,16,29). De rol van de Israël was tijdelijk, om de Messias voort te brengen (Gen. 49:10; Joh. 8:56). De Gemeente, waarin het overblijfsel van Israël (de Messiasbelijdende Joden) is opgenomen, is het orgaan, waarmee God in Christus Zijn plan volvoert.

Er wordt in de bedelingenleer een zodanige splitsing gemaakt tussen Israël en de Gemeente dat dit zelfs twee soorten evangeliën zou betreffen: het evangelie van het Koninkrijk en het evangelie van de genade. Inderdaad onderscheidt de Bijbel beide aspecten of onderdelen van het evangelie, maar scheidt ze niet van elkaar. Het evangelie van de genade van God en de prediking van het Koninkrijk  worden samen genoemd (Hand. 20:24-25).

Men beweert dat het oude testament nergens over de Gemeente spreekt.

De Gemeente is echter geen ‘noodsprong’ of verlegenheidsoplossing van God, omdat het met Israël niet lukte, maar Hij is er van meet af aan op bedacht geweest een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen (Hand. 15:14, NBG-vert.). We lezen zo treffend: “En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen” (Rom. 9:24, NBG-vert.).

De bedelingenleer haalt de Gemeente en Israël uit elkaar, koppelt ze los van elkaar met ieder een eigen plan, terwijl je die in Christus en de beloften die slechts in Hem worden vervuld (2 Kor. 1:20; Hand. 15:8-11; Rom. 10:12; Gal. 3:26-29; Kol. 3:11; Ef. 2:14-18) bij elkaar moet houden.

Oud-testamentische teksten worden in het nieuwe verbond getransponeerd naar de gemeente

Hebben de profeten van het oude verbond helemaal niet over de gemeente gesproken? Hebben zij, ondanks hun beperkte begrip vergeleken met het nieuwe verbond, de gemeente helemaal over het hoofd gezien? Er zijn vele passages die in het oude verbond verwijzen naar Israël, maar die in het nieuwe verbond zonder meer op de gemeente, bestaande uit Joden en heidenen, worden betrokken. Ik noem er een aantal ter vergelijking die de ijverige bijbelstudent kan nagaan:

  • Gen. 2:24, vgl. Ef. 5:31-32.
  • Hos. 1:10, vgl. Rom. 9:22-26.
  • Hos. 2:22, vgl. 1 Petr. 2:9,10.
  • Amos 9:11-12, vgl. Hand. 15:14-18.
  • Joël 2:28-32, vgl. Hand. 2:1,16-21.
  • Joël 2:32, vgl. Rom. 10:12-13.
  • Ex. 19:6, vgl. 1 Petr. 2:9.
  • 37:27, vgl. 2 Kor. 6:16.
  • Jes. 43:6, vgl. 2 Kor. 6:18
  • Lev. 19:2, vgl. 1 Petr. 1:15,16.
  • Jer. 31:31-34, vgl. Luk. 22:19-20; Hebr. 8:6-13.
  • Hag. 2:7-10, vgl. Hebr. 12:26,27.

Deze oudtestamentische passages die in eerste instantie Israël golden, worden in het nieuwe verbond direct van toepassing verklaard op en getransponeerd naar de Gemeente van Jezus Christus, bestaande uit in Hem gelovige Joden en in Hem wedergeboren heidenen. Het oude verbond sprak er al over: “Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn, om de stammen van Jacob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat Mijn heil reike tot het einde der aarde” (Jes. 49:6, NBG-vert.; vgl. Gen. 12:3; Gen. 22:18).

Jildert de Boer
© Verdieping en Aansporing, 2020.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *