Zeven confrontaties tussen Jezus en de Farizeeën over de sabbat

Zeven confrontaties tussen Jezus en de Farizeeën

Over de sabbat

Inleiding

Het gebeurde regelmatig dat de Farizeeën achter Jezus in Zijn aardse loop aandramden met hun kritische noot: “Dat mag niet, het is sabbat!” Voortdurend vielen zij Jezus lastig met het sabbatsgebod dat zij letterlijk in de natuurlijke wereld namen. Daarmee vielen zij Jezus aan, onze Heere, die in de Geest handelde tot geestelijk en fysiek welzijn van de mensen die Hij ontmoette. Tot mijn verrassing vond ik maar liefst zeven van die geschiedenissen in de evangeliën waar sprake is van de sabbat waarop Jezus de mensen goed deed, genezende en bevrijdende allen die door de duivel overweldigd waren, want God was met Hem (Hand. 10:38). Dit terwijl de Farizeeën of de Joden in het algemeen Hem tegenstonden met een beroep op het feit dat het sabbat was. Hij stond als de ware Rustaanbrenger boven de sabbat die Hij in Zijn leven vervulde als de Zoon van God, maar ook als de volmaakt geestelijke mens. Hij liet de ware goddelijke vrijheid en de geestelijke rust zien tegenover de leidslieden die zich krampachtig vasthielden aan een dag op aarde die zij strikt in de natuurlijke wereld waarnamen, maar zij konden – gebonden door ‘vrome’, religieuze machten van de boze – zich niet verheugen in het goede dat Jezus aan mensen deed tot herstel van hun leven, uitgerekend  op de sabbat. Wettische geesten en mensen die zich door hen laten leiden, kennen niet de hemelse, innerlijke vreugde van het geloof, maar fixeren zich op het uiterlijke en het aardse. De Farizeeën hadden dan ook niet het heil en de heling van mensen op het oog, maar slechts of iets niet geoorloofd, niet toegestaan was, niet mocht volgens hun letterlijke, natuurlijke interpretatie van het sabbatsgebod. Zij baseerden zich op de letter van een verbod, terwijl Jezus met leven en genezing kwam.

  1. De discipelen plukten aren en aten daarvan

In Matth. 12 lezen we dat de discipelen honger hadden en begonnen aren te plukken en te eten. Subiet zagen de Farizeeën dat en zeiden tegen Hem: “Zie, Uw discipelen doen iets wat niet geoorloofd is te doen op de sabbat.” Jezus verwees hen naar David en zijn helden die toen zij honger hadden het huis van God (de tabernakel) binnengingen en van de toonbroden aten die zij officieel niet mochten eten, maar alleen de priesters. Jezus wees hen op de barmhartigheid die God wil en zei over Zichzelf: “Iemand die meer is dan de tempel” en “de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat” (Matth. 12:6-8). In Marc.2:27 lezen we daarbij: “De sabbat is gemaakt ter wille van de mens, niet de mens ter wille van de sabbat.”

  1. De man met de verschrompelde hand

In Lukas 6:6-11 lezen we: op een andere sabbat kwam Jezus in de synagoge en gaf onderwijs. Er was daar iemand van wie de rechterhand verschrompeld was. De Schriftgeleerden en de Farizeeën letten scherp op hem of Hij op de sabbat genezen zou, om iets te kunnen vinden om Hem te beschuldigen. Maar Jezus kende hun overwegingen. Jezus liet de man met de verschrompelde hand in het midden staan. Hij zei tegen hen: “Ik vraag u: wat is geoorloofd op de sabbat: goed te doen of kwaad te doen, een mens te behouden of om te laten komen? (Marcus 3:4 voegt hier toe: “En zij zwegen”) En nadat Hij hen allen rondom aangekeken had, zei Hij tegen de man: Steek uw hand uit. Hij deed daten zijn hand werd hersteld, gezond als de andere.” De reactie van de Farizeeën was dat zij vol woede waren. In Matth. 12:10-12 wordt nog het volgende toegevoegd: “Hij zei tegen hen: Welk mens onder u die één schaap heeft, zal het niet, als het op een sabbat in een kuil valt, grijpen en eruit tillen? Hoeveel gaat het niet een mens een schaap te boven! Daarom is het geoorloofd op de sabbatdagen GOED te doen.”

  1. De kromgebogen vrouw

In Luk. 13:10-17 lezen we: “Hij gaf onderwijs op de sabbat in één van de synagogen. En zie, er was een vrouw die achttien jaar lang een geest had die haar ziek maakte (een geest van zwakheid, NBG) en zij was kromgebogen en kon zich in het geheel niet oprichten. En toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij Zich  en zei tegen haar: Vrouw u bent verlost van uw ziekte. En hij legde de handen op haar en zij werd onmiddellijk weer opgericht en verheerlijkte God.” Dit keer was het de overste van de synagoge die commentaar leverde verontwaardigd was dat Jezus op de sabbat genas. Hij antwoordde en zei tegen de menigte: “Er zijn zes dagen waarop men moet werken. Kom dan daarop en laat u genezen, maar niet op de sabbat”.  Wat een zure respons! De Heere dan antwoordde hem en zei: “Huichelaar, maakt niet ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de voederbak los en leidt hem weg om hem te laten drinken? En moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is en die de satan, zie, nu achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de dag van de sabbat? En toen Hij dit zei, stonden al zijn tegenstanders beschaamd en de hele menigte was blij om alle heerlijke dingen die door Hem gebeurden.” We zien in dit verhaal dat Jezus niet gehinderd werd door de sabbat in de natuurlijke wereld, maar dat Hij actief werkzaam was in de geestelijke wereld om deze gebonden vrouw van haar ziektegeest los te maken tot bevrijding!

  1. De man met waterzucht

De volgende gebeurtenis van een genezing op sabbat vinden wij in Luk. 14:1-6. Er staat: “En het gebeurde, toen Hij in het huis van een van de leiders van de Farizeeën gekomen was op een sabbat om brood te eten, dat zij scherp op Hem letten. En zie, voor Hem stond iemand die leed aan waterzucht. En Jezus antwoordde en zei tegen de wetgeleerden en Farizeeën: Is het geoorloofd op de sabbat gezond te maken? Maar zij zwegen. En Hij greep Hem vast, genas hem en liet hem gaan. En Hij zei, terwijl Hij Zich tot hen richtte: Wie van u zal, wanneer zijn ezel of os in een put valt, deze er niet meteen uittrekken op de dag van de sabbat? En zij konden Hem daarop geen antwoord geven.”

  1. De verlamde te Bethesda

De genezing van de 38 jaar verlamde man – vergelijk dezelfde periode van Israëls omzwerving in de woestijn na de uittocht uit Egypte – vond plaats bij het badwater van Bethesda. We lezen hierover in Joh. 5:1-18.  Er lag daar een grote menigte van zieken, blinden, kreupelen en verlamden, die wachtten op de beroering van het water door een engel. Wie dan het eerst en het snelst in het water kwam of wie daarbij behulpzame vrienden had, werd genezen.  De genezing was zo bijna een lot uit de loterij. Geloof in de levende God was geen voorwaarde en niet dit geloof werd hier gehonoreerd, maar veeleer was er sprake van geluk en willekeur. Wat zal het een duwen en dringen geweest zijn! Zij waren niet gefocust op God, maar op de beroering van deze troebele bron. Daaruit zien we dat er hier veeleer sprake is van een occulte bron die van tijd tot tijd door een engel bewogen werd. Deze engel moeten we signaleren en onderscheiden  als een boze geest die hier werkzaam was. Jezus sprak de wonderlijke woorden “wilt gij gezond worden” (Joh. 5:6) tegen de kansloze 38 jaar verlamde man die hij er hier in dit bedevaartsoord eruit pikte. Hij had geen vier vrienden die hem bij Jezus konden brengen zoals bij die andere verlamde, maar zijn klacht was “ik heb geen mens” (Joh. 5:7). Veel mensen vinden de immers de aandacht voor hun ziek-zijn en het herhaaldelijke vertellen van medische verhalen prettig en vinden zo een zekere belangstelling en medelijden van hun omgeving met hun kwalen. Bethesda betekent ‘huis van barmhartigheid’, maar wat hier gebeurde demonstreert eerder onbarmhartigheid. Jezus zei tegen de man: “Sta op, neem uw ligmat op en ga lopen. En meteen werd de man gezond, nam zijn ligmat op en ging lopen. En het was sabbat op die dag. De Joden dan zeiden tegen hem die genezen was: “Het is sabbat, het is u niet geoorloofd de ligmat te dragen” (Joh. 5:8-10, vergelijk Jer. 17:21-27). Weer zien we weer die wettische houding van de Joden die de zaak naar het uiterlijk beoordeelden, maar geen hart hadden van ontferming voor de genezen mens en niet konden delen in diens vreugde. Integendeel, zij bestookten hem alleen maar met kritische vragen. Keiharde machten der duisternis waren hierin werkzaam die niet het heil van de medemens op het oog hadden, maar hem alleen maar veroordeelden. Toen Jezus de man daarna in de tempel vond zei hij tegen hem: “Zie, u bent gezond geworden, zondig niet meer, opdat u niet iets ergers overkomt” (Joh. 5:14). Even verderop lezen we dan: “En daarom vervolgden de Joden Jezus en probeerden zij hem te doden, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed. Maar Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook. Daarom dan probeerden de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God Zijn eigen Vader was, en daarmee Zichzelf aan God gelijk maakte” (Joh. 5:16-18). Jezus deed de goede werken op sabbat die Hij de Vader zag doen!

  1. De besnijdenis op sabbat

We gaan naar Johannes 7 waar we lezen over Jezus’ confrontatie met de Joden tijdens het Loofhuttenfeest (Joh. 7:10-20). “Jezus antwoordde en zei tegen hen: Eén werk heb Ik gedaan en u verwondert u allen (hiermee doelt Jezus op de genezing van de verlamde in Joh. 5:8-9, waarbij Hij ook beschuldigd werd van sabbatschennis, Joh. 5:16,18). Welnu, Mozes heeft u de besnijdenis gegeven (zie Lev. 12:3) – niet dat zij van Mozes komt, maar van de vaderen – en u besnijdt iemand op sabbat. Als een mens de besnijdenis ontvangt, juist om de wet van Mozes niet te breken, bent u dan verbitterd tegen Mij, omdat Ik een heel mens gezond gemaakt heb op de sabbat? Oordeel niet naar wat voor ogen is, maar vel een rechtvaardig oordeel” (Joh. 7:21-24). De besnijdenis moest plaatsvinden op de achtste dag en daar hield men zich aan, zelfs als die achtste dag op een sabbat viel. Dan moest het gebod van de sabbat dus wijken voor het besnijdenisgebod. Jezus wilde hen laten zien dat zo’n niet houden van de wet geen overtreding van Gods gebod is. Ze oordeelden Jezus naar de buitenkant, naar de regels van de wet, zonder in de gaten te hebben dat Jezus hierin de wil van God uitvoerde (Joh. 7:17). Jezus deed de oproep om rechtvaardig, niet naar het aanzien, te oordelen, dat wil zeggen: naar Gods bedoeling en wil. Het ging de Heere om een innerlijke houding van toewijding aan God.

  1. De blindgeborene en het badwater van Siloam

“En in het voorbijgaan zag Hij iemand die blind was van de geboorte af” (Joh. 9:1). Op de vragen van Zijn discipelen legde Jezus uit dat niet deze heeft gezondigd en zijn ouders ook niet, maar dit is gebeurd opdat de werken van God in Hem geopenbaard zouden worden. Hij voegde daaraan toe: “Ik moet de werken doen van Hem die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht waarin niemand kan werken. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het Licht der wereld. Nadat Hij dit gezegd had, spuwde Hij op de grond, maakte slijk met het speeksel en streek het slijk op de ogen van de blinde, en Hij zei tegen hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (wat vertaald wordt met uitgezonden). Hij dan ging weg en waste zich en kwam ziende terug” (Joh. 9:2-7). Dat lokte bij de buren en anderen die eerder gezien hadden dat hij blind was de reactie uit om de ex-blinde bij de Farizeeën te brengen. Dan staat er zo opmerkelijk en veelbetekenend bij: “En het was sabbat toen Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende.” Sommige Farizeeën zeiden: Deze mens is niet van God, want Hij neemt de sabbat niet in acht (Joh. 9:8-16). Later zegt de voormalig blinde: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie” (Joh. 9:25) en daarna: “Wij weten toch dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand godvrezend is en Zijn wil doet, naar hem hoort Hij. Door de eeuwen heen is het niet gehoord dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft. Als Deze niet van God was, zou Hij niets kunnen doen” (Joh. 9:31-33). Het resultaat was dat Hij uit de synagoge gegooid werd en toen Jezus Hem vond, zei Hij: gelooft u in de Zoon van God? De blinde kwam tot geloof in de Heere en Hij aanbad Hem (Joh. 9:34-38). En Jezus zei: “Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat zij die niet zien, zien zouden en zij die zien, blind zouden worden”, waarop sommigen van de Farizeeën tegen Hem zeiden: “Zijn wij dan soms ook blind?” Jezus zei tegen hen: “Als u blind was, zou u geen zonde hebben, maar nu u zegt: Wij zien, zo blijft dan uw zonde (Joh. 9:39-41). De Farizeeën zagen met hun natuurlijke ogen het sabbatsgebod, maar waren geestelijk stekeblind voor het geweldige wonder dat Jezus aan deze man deed. Zij konden niet samen met de man blij zijn voor de heerlijke genezing, maar morden en kritiseerden aan de zijlijn over de overtreding van de sabbat door het werk dat Jezus verrichtte. De man was van nature blind, maar zijn ogen gingen zowel in het natuurlijke op aarde als in het geestelijke – doordat Hij Jezus zag en Hem geloofde – wagenwijd open!

Jildert de Boer, december 2017.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *