Zoekend bezig naar ontwikkeling dwars door strijd heen

ZOEKEND BEZIG NAAR  ONTWIKKELING  DWARS DOOR STRIJD HEEN
Een aantal hartenkreten in de praktische strijd geboren. Ongetwijfeld haalt de beschreven zoektocht langs een paar onderwerpen het een en ander overhoop. Daarbij hebben we geenszins alle wijsheid in pacht en evenmin de oplossingen in onze broekzak zitten. Vandaar een zoekend bezig-zijn, om al tastende te vinden en te trachten de wil van de Heer te verstaan.
In de nood komt het er te meer op aan in Wie we ons vertrouwen stellen. Gods bedoeling is altijd geestelijke ontwikkeling via de weg van loutering. Die loutering leidt tot veredeling, tot een kwaliteitsleven met een verdiepte inhoud. In de crisis van ons leven, of in een gemeentecrisis is het zaak in geloof en geduld te volharden zonder het bijltje erbij neer te gooien. Tot die opgeef-houding wil de boze ons verzoeken, maar in geloof stalen we onze geestelijke spieren en mogen we op onze geestelijke benen blijven staan. In onze strijd zijn we afhankelijk van de Here en Hij vormt ons dwars door teleurstellingen heen, zodat wij geen “zielig hoopje mens” worden of blijven, maar ons kunnen verblijden in het doel dat de Heer met ons beoogt: de levende hoop tot de heerlijkheid van de zonen Gods!

Houd moed te midden van…

Jezus sprak: “In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houd goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Joh.16:33). In de Amplified vertaling wordt “verdrukking” omschreven met: frustraties, teleurstellingen en ontgoochelingen. Welke christen kent niet de teleurstelling in een medechristen? Wie heeft er nog nooit een onrechtvaardige of onredelijke behandeling van medebroeders meegemaakt? Kan het gebeuren dat het bouwen van de gemeente frustraties oplevert? Is ontgoocheling van gemeenteleden denkbaar als voorgangers in een ernstige zonde vallen?

De vijand is er als de kippen bij om voeding te verstrekken aan gevoelens en gedachten van frustratie, teleurstelling, ontmoediging en ontgoocheling. Jezus leefde zelf op aarde ook in bezet gebied en Hij kende de listige intriges van de overste van deze wereld. Hij roept ons op om evenals Hij dwars door alles heen GOEDE MOED te houden en met Hem te overwinnen!
De vijand der mensen is er doorlopend op uit ons beentje te lichten. Als het even kan onderneemt hij zijn pogingen om ons onderuit te halen. Wij kennen de situaties dat in ons leven het ‘geduvel’ op ons af komt. Dan mogen wij leren ons te oefenen in het strijden van de goede strijd van het geloof. Er is waakzaamheid vereist, om niet tot mismoedige gedachten te komen als het in het zichtbare, naar wat voor ogen is, volop tegen zit. De Heer is er echter ook nog en Hij wil ons daar doorheen halen!

Moeiten rondom het werk

Worden wij werkeloos, dan voelen we ons misschien verworpen in ons maatschappelijke functioneren en een ‘afdankertje’ onder de mensen die ons kennen. Nu komt het er temeer op aan dat wij helder voor onze (geestelijke) ogen hebben hoeveel wij waard zijn in Gods ogen. Op die manier blijven wij in onze opstelling en houding fier overeind in vertrouwen op God dat Hij in deze omstandigheid uitkomst zal geven en dat wij ondertussen volop nuttig blijven.

Op ons werk kunnen wij ook in nijpende omstandigheden terechtkomen. Laten wij dan de mentaliteit van Christus zien? Of wordt het onrecht van een “verkeerde” baas (1 Petr. 2:18) ons te heet onder de voeten, waardoor we niet heel anders dan de meesten reageren? De gezindheid bereidwillig dienstbaar te zijn als aan de Here en niet aan mensen (Ef. 6:7) is een schitterende christelijke deugd. “Wat gij ook doet, verricht uw werk van harte als voor de Here en niet voor mensen” (Kol. 3:23) is hier ons  oefenterrein. Op dit gebied is het zoeken naar het naar behoren verrichten van je dagelijks werk zonder een slaaf van je werkgever te zijn, of zo door je aardse werk opgeslokt te worden dat je er gestresst van raakt. 

Moeiten in het gezinsleven

Ons gezin is een ‘proeftuin’, waar wij van alles tegenkomen, om er ons (geestelijke) voordeel mee te doen. Als het echter lijkt dat het met een kind slecht gaat, dan dienen we te leren die proef te doorstaan. Dat wil zeggen: niet bij de pakken neer te gaan zitten, maar  door-te-blijven-staan in volhardend geloof en gebed. En: door te gaan met het geven van warmte, je kind te heiligen, en zicht te hebben op meedienende engelen, ook al zie je nog geen uiterlijke resultaten.

De dienst thuis goed vervullen is de eerste prioriteit voor iemand die ook graag in de gemeente wil dienen (1 Tim. 3:10,12,13). Daar worden we allereerst op de proef gesteld. Vangen we daar de kleine vossen van ergernis en irritatie? Hoe is mijn eigen houding en toon ten opzichte van een kind? Als het nodig is gedrag te corrigeren, dan is het van enorm belang niet het kind zelf af te wijzen (“jij bent ook altijd…”) Durf ik mijzelf kwetsbaar op te stellen tegenover mijn kinderen? Zijn wij bereid te investeren in onze ‘inboorlingen’ dichtbij? In het laatste vers van het Oude Testament lezen we dat God (eerst!) de harten van de vaderen tot de kinderen terugvoert en (dan!) het hart der kinderen tot hun vaderen (Mal. 4:6).

Voor het leiden van een gezin is heel wat ‘stuurmanskunst’ vereist, om zonder averij tussen de klippen door te varen en vaak is het zoeken naar de goede koers. We zijn om raad verlegen, maar niet radeloos! Het is bidden om wijsheid van God, om goede keuzes en doeltreffende beslissingen te nemen.

Als wij daar in de eerste plaats een reddend werk verrichten, dan zijn wij tevens geschikt om de gemeente en anderen te dienen.

Het huwelijk vraagt om blijvende investeringen, teneinde elkaar te verstaan, te blijven communiceren, elkaar te begrijpen en elkaar aan te voelen. Dat zijn dingen die ons niet komen aanwaaien, maar die tijd en inzet vergen. Als de harmonie op sommige punten onder druk staat, hoe gemakkelijk is het dan langs elkaar heen te leven, of zelfs elkaar te verwijten, in plaats van te werken aan begaanbare wegen, om samen verder te gaan. Soms is het zoeken naar wijsheid waar te spreken en waar te zwijgen en te wachten. Het doorduwen van eigen mening ligt naar de mens gesproken dichtbij. Het leren rekening houden met elkaar is de koninklijke weg, waarop je zoekt het voor de ander fijn en aangenaam te maken.

Moeiten in de gemeente

De gemeente is een werkplaats of een bouwplaats. Daar wordt geschaafd en geschuurd en zodoende worden wij aan elkaar geslepen. “Zoals men ijzer met ijzer scherpt, zo scherpt de ene mens de andere” (Spreuk 27:17).

In de gemeente gebeuren echter nog een heleboel onbegrijpelijke dingen, die je onder christenen feitelijk niet verwacht, maar die vallen onder de categorie ‘vleselijk.’ Kan ik dan de dingen die gebeuren overgeven aan Hem die rechtvaardig oordeelt? (1 Petr. 2:23). Ben ik in staat om het kwade te overwinnen door het goede? (Rom. 12:21). Als ik aanstoot neem, dan loop ik het gevaar mij te branden aan een geest van kritiek en oordeel. Maar waarom groet hij me niet? Hoe komt het dat ik zo’n koud antwoord van haar krijg? Waarom word ik gepasseerd voor die taak? Enzovoort.

De hoofdzaak in deze dingen en vele meer is dat God mij kan veranderen en dat ik begrip krijg voor de ander, zelfs als hij/zij het bewust of onbewust fout doet voor zover als ik kan zien…(ik heb echter ook ‘blinde vlekken’ en interpreteer nog niet volkomen). Scheid ik de veelal goedwillende mens van de machten der duisternis, of ga ik dan toch nog bij vlees en bloed (het menselijke inzicht) te rade en voer ik de strijd op het natuurlijke vlak door bijvoorbeeld een discussie aan te gaan die tot niets nuttigs leidt? De boze blokkeert maar al te graag de broederschap en tracht ons door kleine misverstanden op het verkeerde been te zetten. Zoeken wij dan contact en gemeenschap met elkaar of laten wij ons door de lagen van de tegenstander, die ons focust op het zichtbare bij de ander, in de luren leggen? Hier kunnen wij zoeken naar ontwikkeling van gemeenschap, als wij ons door de Geest laten leiden en niemand meer naar het vlees te kennen. In zo’n klimaat wordt de broederschap opgebouwd en wordt er gewerkt aan relaties met een gezindheid vanuit het hart elkaar echt te ontmoeten.

Het is een kostbare zaak in gemeentebouw oog te hebben voor de enkeling, opdat die tevoorschijn komt. In de bediening van Jezus valt het ons telkens weer op dat Hij niet slechts de schare leerde, maar bovenal oog en hart had voor de individuele mens in nood. We denken bijvoorbeeld aan de gesprekken, die voor ons staan opgetekend, met Nicodemus en met de Samaritaanse vrouw in Johannes 3 en 4.

Op zoek naar genezing

Velen zijn teleurgesteld dat – ondanks de herontdekking van de geloofs- en gebedsgenezing – niet allen genezen worden. We verlangen naar een ontwikkeling, waarbij ook de gaven van genezingen in de gemeenten beter tot functioneren komen.

Bij het zoeken naar genezing en het op de bres staan voor zieken kwam mij de geschiedenis van Jezus in Marc. 8:22-26 te binnen. De eerste keer dat Jezus in dat verhaal een blinde de handen oplegt, heeft als resultaat dat hij de mensen als bomen ziet wandelen. Dan staat er zo leerzaam: “vervolgens legde Hij weder de handen op zijn ogen, en hij zag duidelijk en was hersteld. En hij zag voortaan alles scherp”.

Jezus genas hier in twee keer en dat is iets om over na te denken! Natuurlijk geloven wij in directe, instantelijke genezing. De praktijk leert evenwel dat de genezing vaak ook in een proces, door strijd heen, al dan niet met hulp van artsen, tot stand komt. Bovendien hebben wij onze worsteling met nog niet genezen zieken en herinneren we ons gelovigen, die ondanks aanhoudend en intensief gebed om genezing, toch overleden zijn.

Op onze vragen in deze hebben we nog niet altijd een helder antwoord, maar we zijn zoekend bezig naar meer licht op dit terrein. Wij die bezig zijn met aankomend zoonschap merken dan, dat we nog niet alle wetmatigheden in de geestelijke wereld kennen, waardoor de resultaten die we op grond van Gods Woord verwachten, soms nog uitblijven. Toch is het wezenlijk geloof en hoop voor de zieken te verkondigen en ze desnoods vele keren de handen op te leggen, zoals de Heer ons opdroeg. Van het allergrootste belang is dat satan onze inwendige mens niet kan aantasten met zijn geloofsondermijnende activiteiten, zodat wij als ons lichaam wordt aangetast de innerlijke vrede kunnen bewaren in vertrouwen op de Here, die uitkomst geeft.

Op weg naar het zoonschap willen wij leren werken met de krachten der toekomende eeuw (Hebr. 6:5) en oefenen wij ons in het anticiperen op die tijd! Al tastende willen wij meer wijsheid van de Heer opdoen en balanceren wij tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet.’ Op die wijze zijn wij idealisten en realisten tegelijkertijd.

Sektarische neigingen

Als je gevormd bent door een persoon of richting, die bepaalde unieke dingen heeft, dan kun je in de verzoeking komen te denken: “wij zijn het, wij hebben het en wij weten het.” Er ontstaat dan een sektarische tendens, die je isoleert van andere christenen die je mogelijk in de naam van de Heer iets te zeggen hebben, zelfs als er in ons midden dingen zijn geopenbaard, die je elders in de christenheid tamelijk weinig tegenkomt.

In voorzichtigheid en met wijs beleid geloof ik dat het van geestelijke volwassenheid getuigt als wij verbindingslijnen leggen in den lande, om -waar mogelijk- anderen tot zegen te zijn en omgekeerd gezegend te worden door datgene wat de Here aan anderen heeft toevertrouwd.

Uiteraard kan het daarbij voorkomen dat je lang niet altijd waarachtige broederschap vindt of ontmoet. Het Babylonisch-religieuze is groot en onderscheiding van geesten is onontbeerlijk! Dat ontslaat ons echter niet van de roeping om gemeenschap te zoeken met de oprechten van hart en de getrouwen in den lande. De opdracht luidt: “Verzamelt Mij mijn gunstgenoten, die met Mij het verbond sluiten met offers” (Ps. 50:5) en: “Jaag naar gerechtigheid, naar trouw, naar liefde en vrede met hen, die de Here aanroepen uit een rein hart” (2 Tim. 2:22).

Gemis aan eigen identiteit

De tegenovergestelde beweging ontstaat als er identiteitsverlies optreedt en het niet meer zoveel uitmaakt wat je leert en gelooft, zodat men zich gemakkelijk associeert met de brede evangelische wereld. Op die toer glijdt men gemakkelijk uit naar dubieuze manifestaties als het ‘vallen in de geest’ en dergelijke. Zonder elitair of fanatiek te zijn mogen wij dankbaar zijn voor het geheim van de ‘hoge weg’ door de hemelse gewesten, als deze heerlijke inzichten tenminste tevens praktisch omgezet worden in leven Gods op aarde.

Het is van geweldig groot belang dat wij balans zoeken tussen gezonde leer en leven en tussen Woord en Geest, tussen openheid voor anderen en bewaring van het goede in ons door de Heer aangereikte inzichten. In dit heilzame evenwicht komen wij niet in de ‘sloten’ aan weerskanten van de weg, namelijk aan de ene kant de verabsolutering van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, die soms een bepaalde hardheid in opstelling met zich meebracht en aan de andere kant de nivellering van de boodschap van het Koninkrijk Gods, die soms een bepaalde onverschilligheid ten aanzien van de leer veroorzaakte. Hoe goed is het als ons getuigenis luidt: “Ik wandel op het pad der gerechtigheid, MIDDEN op de wegen van het recht” (Spreuk. 8:20).

Laten wij zoekend bezig blijven naar een positieve ontwikkeling en een zuivere koers naar Woord en Geest!

Scheuring en verdeeldheid of eenheid

Velen zijn teleurgesteld of gefrustreerd, omdat zij zelfs met de heerlijke boodschap van het (volle) evangelie een scheuring, dan wel een uiteenvallen van een gemeente hebben meegemaakt, of moesten constateren dat een voorganger een scheve schaats had gereden. Dit zijn ingrijpende dingen, die veel pijn en verwonding veroorzaken. Deze beschadigingen in de verhoudingen doen leed en het kost tijd, om deze wonden te laten helen en tot herstel te komen. Sommige verwijdering en verdeeldheid berust puur op persoonlijke tegenstellingen, of louter op menselijke misverstanden, waar de boze mee aan de haal gaat. Wil men hier iets uitrichten, dan komen we op een gevoelig terrein, dat door bepaalde ervaringen in het verleden gestalte heeft gekregen. Er is wijsheid voor nodig om op eieren te lopen en in grote behoedzaamheid onderling vertrouwen te herwinnen.

Lang niet elke scheuring kan terug gevoerd worden op “scheuringen die er wel moeten zijn, zal het blijken, wie onder u de toets kan doorstaan” (1 Kor. 11:19). Evenmin kan alles herleid worden tot de wet van de letter V, waarbij de benen die eens bij elkaar begonnen in de processen van de eindtijd steeds verder uiteenlopen. Natuurlijk is dit proces gaande: richting Babylon of richting Jeruzalem en deze ontwikkeling zal tot een climax komen.

Wij lezen echter ook: “…Weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn…” (1 Kor. 1:10). Partijschappen worden in Gal. 5:20 radicaal gerekend tot de werken van het vlees! Partijvorming komt voort uit een vleselijke, menselijke instelling (1 Kor. 3:1-4).

Welke gezindheid hebben wij getoond? Was het werkelijk de dienende mentaliteit van Christus? “Laten wij dan allen die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; maar hetgeen wij bereikt hebben in dat spoor dan ook verder” (Fil. 3:15-16). Willen wij op het ingeslagen spoor van het evangelie van het Koninkrijk verder? Dan kunnen er lichte verschillen van inzicht zijn en zeker ook onderlinge kleurnuances, die evenwel aanvullend dienen te werken. Als wij blijven in hetgeen wij in het spoor van de Geest bereikt hebben, dan zal God -terwijl wij elkaar niet loslaten- openbaring geven op enig punt van anders gezind zijn. Op die manier treedt de wet van de letter A in werking: de benen zoeken elkaar en er komt een dwarsverbinding. Zalig degenen die zich beijveren tot “lieflijkheid en samenbinding” waar ook maar enigszins mogelijk! Laten wij wandelen waardig der roeping…met ALLE nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes (Ef. 4:1-3).

De splijters en slopers van de gemeente zijn geesten uit de onzienlijke wereld, die aanzetten tot het drijven van wiggen tussen christenen, die heerlijke inzichten kennen en desondanks soms tegenover elkaar komen te staan. Als wij niet waakzaam zijn, vallen we terug naar het zichtbare en neemt de strijd tegen vlees en bloed weer een aanvang. Hoe goed is het om met een oprechte gezindheid de harten van je medebroeders te zoeken in zo’n situatie!

Helaas zijn er onnodig vele contacten en gemeenschapsbanden teloor gegaan in volle evangelie Nederland. Mogelijk komt men elkaar nog eens tegen op de begrafenis van een pionier, die de boodschap van de strijd in de hemelse gewesten vertolkte. Mag het daarbij blijven? Misschien leidt de Geest meerderen om de pen te pakken, teneinde vergeving te vragen en verloren gegane relaties te herstellen. Wellicht neigt Gods goede Geest ons om de telefoon te nemen en het broederlijk gesprek te zoeken, dan wel een afspraak daartoe te maken. Dat zou een heerlijke uitwerking van God uit kunnen geven, die lonend is. Wat baat het ons elkaar met argusogen te bekijken? Veel beter is het de eventuele kwade vermoedens weg te doen en opnieuw de gemeenschapsbanden aan te knopen of aan te halen.

De beste reclame voor de volledige evangelie boodschap is de eenheid tussen degenen die deze met woord en daad belijden. Laten wij zoekend bezig zijn naar de ontwikkeling en praktische realisatie van die eenheid door allereerst onverdeeld te zijn in eigen leven, vervolgens met broeders en zusters ter plaatse te bouwen aan broederschap en in regio- en landelijke contacten onderlinge gemeenschap te beoefenen. In dit alles is een ootmoedige gezindheid nodig, want dat is de voedingsbodem van de vrucht van de Geest. Dienen vanuit ootmoed leidt tot liefde en eenheid.

Het geheim van het met Christus gestorven-zijn

Mogelijk is de diepte van het woord van het kruis niet genoeg gepeild. Wellicht een punt om zoekend naar meer licht mee bezig te zijn. Het kruis behelst veel meer dan alleen de boodschap dat Christus voor ons is gestorven als een verzoening voor onze zonden, hoe heerlijk overigens ook.

Het kruis biedt voorts de afdoende remedie tot eenheid, want als al die vleselijke, menselijke, presterende ‘willen’ blijven leven, krijg je altijd onenigheid en geharrewar en nimmer de goddelijke eenheid, die Jezus bedoelde in Johannes 17. Het hoofd Christus kent slechts de gehoorzaamheid aan die ene wil, namelijk Gods wil. Door ons aan het hoofd te houden en die ene wil van God uit te voeren, wordt het lichaam van Christus gebouwd. Er ontstaat broederschap, want wie de wil van de Vader doet, behoort tot Jezus’ familie (Matth. 12:50). Daar gaat het niet aan menselijke meningen te (willen) handhaven, maar het Woord is toonaangevend en bepalend voor eigen leven en voor gemeentebouw.

Het kruis van Christus is het summum van vernedering en ootmoed, van waaruit het opstandingsleven met de vrucht van de Geest opbloeit, de liefde voorop. Daar bewerkte Hij vrede door de vijandschap te doden (Ef. 2:14-17). Daar is ook onze oude mens door het geloof medegekruisigd (Rom. 6:6). Daar heeft Hij de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd (Kol. 2:15). Daar werden de gelovige Jood en de gelovig geworden heiden in Christus tot één lichaam verbonden. Daar kunnen o zo verschillende mensen zonder onderscheid door God tot een eenheid gemaakt worden onder het motto: alles en in allen is Christus (Kol. 3:11). Daar geldt: aan de zonden afgestorven, opdat wij voor de gerechtigheid zouden leven (1 Petr. 2:24). “Want wie Christus Jezus toebehoren hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd” (Gal. 5:24). Daar is geen plaats meer voor huichelarij, afgunst, machtsstreven, eergevoel, beledigd zijn, eigen gelijk, geldingsdrang, heerszucht, twist, tweedracht en dergelijke, die zo kenmerkend zijn voor het vlees en die leiden tot spanningen, wrijvingen en botsingen. Deze zaken zullen in de dood van Christus gegeven worden, opdat het leven van Christus in ons geopenbaard wordt!

In 2 Kor.5:14-17 lezen wij als volgt: “Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven. En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem (niet in eerste instantie dus voor de ander!), die voor hen gestorven is en opgewekt. Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees… Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen”.

Hoeveel trammelant krijg je in een gemeente met gestorven mensen? In deze kunnen wij iets leren van het kerkhof. Daar staan ze niet tegen elkaar op en daar vechten ze niet voor hun eigen gelijk. Niemand roept: “ik wil niet horen tot de onderliggende partij”. Rust en vrede heerst alom. Wij kunnen door het geloof in dit leven reeds de rust ingaan en deel krijgen aan de goddelijke natuur! Het inzicht “met Christus gestorven te zijn” hier en nu is een geheim! Velen geloven dat de (lichamelijke) dood een doorgang is tot het eeuwige leven en dat na dit leven het land der ruste ons wacht en dat dan pas de hemelse harmonie ons deel kan zijn. Wij leggen echter nu reeds onze oude bestaans – en leefwijze af, die was overeenkomstig het vlees, de loop van deze wereld en de overste van de macht der lucht. Door het geloof laten wij ons dopen en getuigen wij ervan dat wij met Christus gestorven zijn en opgestaan (Rom.6:3-4).

Beide processen van dood aan het oude en opstanding van het nieuwe moeten echter nog volop in ons leven uitgewerkt worden. Na de doop is er dan ook een weg te gaan, waarlangs het leven Gods in groeiende mate ons deel wordt, terwijl wij bevrijd worden van bindingen met boze geesten, verlost worden van (subtiele) zonden en genezen worden van innerlijke verwondingen. De weg van heiliging voert tenslotte tot het zoonschap in volheid!

De levende hoop onwankelbaar vasthouden

Hoe nodig is het te blijven volharden in de hoop, ook als wij inzichten verkondigen, waarvan wij de volle uitwerking en doorwerking in de praktijk nog niet altijd gerealiseerd zien. “Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij die belooft heeft is getrouw” (Hebr. 10:23). “Maar het is onze begeerte, dat ieder uwer dezelfde ijver blijve betonen tot de verwezenlijking van de hoop tot het einde toe, opdat gij niet traag wordt, maar navolgers moogt zijn van hen die door geloof en geduld de beloften beërven” (Hebr. 6:11-12). Jezus, onze voorloper en gangmaker, heeft het einddoel immers bereikt en nu hebben wij een krachtige aansporing om de hoop te grijpen, die voor ons ligt. Hebben wij die ankerketting vast en komen wij in geloof en gehoorzaamheid al binnenhalend het heerlijke doel steeds nader? Jazeker! (vergelijk Hebr. 6:18-20). Zijn wij ook bereid de weg door lijden en moeiten heen te gaan? Verzoekingen, lijden en verdrukking worden door Paulus niet lang en zwaar genoemd, maar KORT EN LICHT! (1 Petr. 1:6; 1 Petr. 5:10; 2 Kor. 4:17).

Altijd vol goede moed blijven

Het is van levensbelang nooit moedeloos te worden in dit ontwikkelingsproces, waarin wij de wil van God trachten te verstaan en onze hoop op Hem gevestigd hebben, dat Hij de weg ons banen zal! “Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd tot alle volharding en geduld” (Kol. 1:11).

Op die wijze worden wij net als de Here ‘lang van moed’ ten aanzien van onze medebroeders, want dat is toch de betekenis van de vrucht van de Geest, die lankmoedigheid heet. Tevens is het mogelijk altijd vol goede moed te zijn wat betreft ons persoonlijk leven en onze groei. Ook voor de ontwikkeling van de gemeente houden wij de levende moed der hoop op het volle zoonschap voor ogen.

Wij besluiten met enkele verzen, die ons opwekken, om de moed niet te verliezen, noch in ons persoonlijke leven, noch in de gemeente:

-“Daarom, nu wij deze bediening hebben, verliezen wij de moed niet…” (2 Kor. 4:1).

-“Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uitwendige mens,
nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd” (2 Kor. 4:16).

-“Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in
het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn…” (2 Kor. 5:6).

-“maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten
en bij de Here onze intrek te nemen” (2 Kor. 5:8).

-“De een hielp de ander en zeide tot zijn makker: Houd moed! De werkman bemoedigt
de goudsmid; wie met de hamer plet, bemoedigt degene die op het aambeeld slaat, en hij
zegt van het soldeersel: het is goed. Daarop bevestigt hij het met spijkers, opdat het niet
wankele” (Jes. 41:6-7).

Moge de Heer u krachtig zegenen, om voluit praktisch nut te halen uit het geschrevene!

Jildert de Boer
© Verdieping en Aansporing.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *