LEVEN VANUIT DE OPSTANDING VAN JEZUS CHRISTUS

Inleiding

“De Heer is waarlijk opgestaan” is onze jubelroep. Dat heilsfeit vieren we met Pasen, ondanks alle vrij onbenullige bijverschijnselen van paashazen en paaseieren die weinig tot niets met de opstanding van onze Heer te maken hebben. Al doen eieren in de verte ons nog denken aan nieuw leven… Moderne theologen geloven niet in het wonder en het historische feit van de lichamelijke opstanding van Christus. Zij menen dat Christus slechts in figuurlijke zin is opgestaan en daarmee een nieuwe start op gang heeft gebracht. Daarmee loochenen zij de werkelijke overwinning op de dood van de Christus.

Helaas weten veel mensen buiten de christelijke gemeente niet meer wat de kern van het christelijk geloof is. Zij leven zonder God en zonder hoop in deze wereld (Ef. 2:11-12). Zij leven misschien 70 of 80 jaar op aarde en beschouwen hun leven met het doodgaan als afgelopen. Dood is dood menen zij. Hoe triest als de lichamelijke dood je eindstation is, laat staan de eeuwige dood. Wat enorm ernstig dat zovelen het eenvoudige “Wie in Mij (Jezus Christus) gelooft, heeft eeuwig leven” (Joh. 6:47) achteloos aan zich voorbij laten gaan. Aan ons de opdracht om hen van Jezus te vertellen die gezegd heeft: “Ik ben de Opstanding en het Leven, wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven” (Joh. 11:25).

Er zijn christenen die in de zogenaamde zielenslaap (of zielendood) geloven en stellen dat sterven ophouden te bestaan is. Een gedachte die men probeert te bouwen op enkele oudtestamentische teksten, maar die de toets aan het nieuwe testament niet kan doorstaan. Los daarvan geloven zij in elk geval wel in de opstanding van de totale mens op de jongste of laatste dag.

De opstanding is de hoofdpijler van het christelijk geloof

Hoe belangrijk is het dat we niet alleen blijven staan bij de gedachte aan het lijden en sterven van Christus, dat we in het bijzonder gedenken bij het vieren van het heilig avondmaal. Maar dat we beseffen, dat wij zonder de opstanding niet gerechtvaardigd konden worden, want Christus is “overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging” (Rom. 4:25). “Dat Christus is gestorven voor (= ten behoeve van) onze zonden overeenkomstig de Schriften, en dat Hij begraven is en dat Hij is opgewekt op de derde dag, overeenkomstig de Schriften” (1 Kor. 15:3-4) komt krachtig naar voren als belangrijkste pijler van het christelijk geloof. Immers, alle stichters van wereldgodsdiensten zijn dood, maar de echte Verlosser, Jezus Christus, lééft, want Hij is opgewekt uit de dood! Zonder dat is onze prediking zonder inhoud en zonder inhoud is dan ook ons geloof. Het is zelfs zinloos, als Christus niet is opgewekt, want dan zijn ook degenen die in Christus ontslapen zijn verloren. Als wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen (1 Kor. 15:14-19).

Het hoofdstuk 1 Korinthe 15 geeft ons een machtig perspectief op de opstanding van Christus, de opstanding van de doden, het nieuwe verheerlijkte lichaam en het uitzicht op de volledige overwinning!

De dood is overwonnen en de duivel is onttroond

Christus heeft over de dood gezegevierd. Hij is opgewekt door de majesteit van de Vader, oftewel door de overweldigend grote kracht van de Geest van God (Rom. 6:4, NBG-vert.; Ef. 1:19). “Nu jaagt de dood (ons) geen angst meer aan”, zegt het derde couplet van het lied ‘Daar juicht een toon.’ Christus heeft “door de dood, hem die de macht over de dood had – de duivel – tenietgedaan (onttroond, NBG-vert.) en allen te verlossen die door angst voor de dood gedurende heel hun leven aan slavernij onderworpen waren” (Hebr. 2:14-15). Onze Redder of Zaligmaker, Jezus Christus heeft de dood tenietgedaan (van zijn kracht beroofd, NBG-vert.), en het leven en de onvergankelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie (2 Tim. 1:10).

Vele heiligen van het oude verbond staan met Jezus op uit het dodenrijk

Jezus was door Zijn sterven net als alle mensen van het oude verbond – Henoch en Elia uitgezonderd – naar het dodenrijk (Hebreeuws: sheool) gegaan en heeft daar Zijn overwinning geproclameerd aan de geesten in de gevangenis (1 Petr. 3:18-19). De dood meende Hem daar vast te kunnen houden en als dat gebeurd zou zijn, dan had de duivel gewonnen. “God heeft Hem echter doen opstaan door de weeën van de dood te ontbinden (verbreken, NBG-vert.), omdat het niet mogelijk was dat Hij daardoor (door hem, NBG-vert.) vastgehouden zou worden” (Hand. 2:24). Hij gaf daarmee de dood het nakijken!

Jezus kwam daar ook om vele rechtvaardigen van het oude verbond uit de lichtzijde van het dodenrijk (Abraham’s schoot) te halen, waar dus onder andere Abraham en Lazarus waren (Luk. 16:19-31). Het dodenrijk (Grieks: hades) had voor deze gelovigen van het oude verbond de functie van bewaarplaats tot de Messias kwam om hen mee te nemen. Voor de onrechtvaardigen was het duistere deel van het dodenrijk de voorlopige situatie als een voorportaal van de poel van vuur na het laatste oordeel (Openb. 20:11-15). 

“Direct na het sterven van Jezus gebeurde het volgende: “En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven naar beneden; de aarde beefde en de rotsen scheurden; ook werden de graven (beeld van het dodenrijk) geopend en veel (niet alle) lichamen van heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt; en na Zijn opwekking gingen zij uit de graven (uit het dodenrijk, waar zij drie dagen met Jezus vertoefden), kwamen in de heilige stad (het hemelse Jeruzalem, gevormd door gelovigen) en zijn aan velen (op aarde) verschenen” (Matth. 27:51-53).

Abraham had deze stad gezocht en nu ontving hij haar (Hebr. 11:10,16). Onder hen waren ongetwijfeld de geloofsgetuigen die in Hebreeën 11 vermeld zijn en in Hebr. 12:1 de wolk van getuigen genoemd worden. Hoewel niet concreet gezegd wordt aan wie zij op aarde verschenen, ligt het voor de hand dat zij niet in het aardse, ongelovige Jeruzalem vertoonden, maar in de kring van de discipelen in ruime zin (meer dan 500 broeders) verschenen zijn (vergelijk Matth. 28:10,16; 1 Kor. 15:6).

De ene misdadiger aan het kruis ging met Jezus naar het paradijs

Tot deze opgestane mensen die naar de heilige stad, het hemelse Jeruzalem, anders gezegd naar het paradijs gingen, behoorde ook de misdadiger aan het kruis die tegen Jezus gezegd had: “Heere, denk aan Mij als U in Uw Koninkrijk gekomen bent. En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn” (Luk. 23:42-43). Deze man was op het nippertje behouden en sommigen zoeken in zijn situatie een excuus, om zich niet te laten dopen, omdat deze misdadiger behouden werd zonder doop. Een paar opmerkingen daarover: op het moment dat de ene misdadiger aan het kruis zich bekeerde, was er nog geen sprake van de instelling van de christelijke doop in water. De man viel nog onder het oude verbond. Bovendien kon er gezien zijn situatie überhaupt geen sprake zijn van de doop, omdat hij vastgespijkerd zat. De man had geen tijd meer, om voor anderen te gaan leven en zijn geloof te laten blijken uit zijn werken. Hij is dus een prototype van kantje boord behouden worden. We kunnen zeggen: met de hakken over de sloot, nog net gered door zijn smeekgebed aan Jezus. Hij kwam door geloof zonder werken in het paradijs. In die zin is hij geen voorbeeld voor ons, omdat hij onmogelijk nog kon toekomen aan een levenswandel achter Jezus aan.

Daarom heette het: Opgevaren naar de hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede (Ef. 4:8, NBG-vert.)

“Toen Hij opvoer (hemelvaart van Jezus) in de hoogte, nam Hij de gevangenis (het dodenrijk) gevangen en gaf Hij gaven aan de mensen. Wat betekent dit ‘toen Hij opvoer’ anders dan dat Hij ook eerst neergedaald is in de diepten, namelijk de aarde?” (Ef. 4:8-9, HSV, citaat uit Ps. 68:18-19). De Canisiusvertaling heeft: “De onderste delen der aarde.” Hij voerde krijgsgevangenen mee uit het dodenrijk, dat ook gevangenis wordt genoemd (Openb. 20:7), toen Hij na Zijn proclamatie in het dodenrijk en Zijn opstanding de aarde verliet.

Deze mensen uit het oude verbond waren ‘krijgsgevangenen’, omdat ze onmachtig waren, want ze konden, ondanks hun rechtvaardigheid naar de wet, geen overwinnaar worden. Zij misten de inwonende kracht van de heilige Geest en de geestelijke wapenrusting. Jezus trok door ‘alle hemelen’ heen (Hebr. 4:14) en zoals we gezien hebben ook door de onzichtbare sfeer van het dodenrijk of de gevangenis, waar Hij als een heraut Zijn overwinning had bekend gemaakt en uitgeroepen.

De dood: niet slechts een toestand, maar een persoonlijke geestelijke macht, die Jezus niet vast kon houden

Wij moeten ons realiseren dat in het bijbelse spreken over de dood, dat dit niet alleen een toestand of situatie is, maar dat de dood een koning en de laatste vijand is, die ook als persoonlijke macht wordt voorgesteld. De dood heeft natuurlijk geprobeerd om Hem in het dodenrijk te ketenen, maar Hij kon geen enkele greep op Jezus houden. Hij bleef onaantastbaar, ook al probeerden de machten een claim op Hem te leggen en Hem te ondermijnen. Jezus miste elk aanknopingspunt om Hem te vatten of ergens op te pakken. Waarom? Omdat de dood voor het eerst te maken kreeg met een mens, die in Zijn leven nooit gezondigd had (1 Petr. 2:22), zoals alle andere mensen. Onmogelijk dus om Hem daar gevangen te houden! Later zou de verhoogde Heer zeggen: “Ik ben de Levende en Ik ben dood geweest, en zie Ik ben tot in alle eeuwigheid! Amen. En Ik heb de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf (Openb. 1:17-18).

De misrekening van het rijk van de duisternis

Hij heeft door de Heilige Geest met kracht bewezen de Zoon van God te zijn door Zijn opstanding uit de doden, namelijk Jezus Christus, onze Heere (Rom. 1:4). Dat was de wijsheid van God, waarvan geen van de machten van deze wereld (beheersers van deze eeuw, NBG-vert.) geweten heeft. Immers als zij die gekend hadden, zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben (1 Kor. 2:7-8). De demonen moeten in de geestelijke wereld gedacht hebben door Zijn kruisdood en afgang naar het dodenrijk: “nu hebben we Hem”, maar dit bleek juist de finale misrekening van het rijk der duisternis geweest te zijn: Zijn opstanding van tussen de doden uit! Het effect van het kruis is gebleken tegenover satan en zijn demonen: “Hij heeft de overheden en machten ontwapend, die openlijk te schande gemaakt en daardoor over hen getriomfeerd” (Kol. 2:15).

Het sterven is voor ons in Christus een promotie

Voor ons geldt dat we de dood niet meer zullen zien of proeven (Joh. 8:51-52). Wij komen als we in Christus zijn niet meer in het dodenrijk terecht. Wel zullen we nog lichamelijk sterven, waarbij onze uitwendige mens (het natuurlijke lichaam) wordt begraven, terwijl onze inwendige mens (ziel en geest, oftewel geestelijk lichaam) eeuwig zal leven. Het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig (2 Kor. 4:18, NBG-vert.). Als de gelovige sterft, gaat Hij bij de Heere inwonen (2 Kor. 5:8). Het is heengaan, om bij Christus te zijn (Fil. 1:23). Daarom zegt Paulus eveneens: “Want het leven is voor mij Christus en het sterven is voor mij winst” (Fil. 1:21). Ook Stefanus riep als eerste, christelijke martelaar, terwijl hij gestenigd werd: “Heere Jezus, ontvang mijn geest” (Hand. 7:59).

De overwinning is door Jezus behaald; er komt nog een eindoverwinning op satan en dood

Onze strijd of oorlog tegen de demonen in de hemelse gewesten gaat door (Ef. 6:12; Openb. 12:7-11). Door het werk van Jezus Christus is de ‘Decision-day’ (= dag van beslissing) geweest, al moet de definitieve ‘Victory-day’ (= dag van overwinning) over satan en dood nog komen. Voor ons geldt: “De God van de vrede zal de satan spoedig ONDER UW VOETEN verpletteren” (Rom. 16:20). De apotheose is: “Want Hij (Christus) moet Koning zijn, totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd. De laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood” (1 Kor. 15:25-26).

Onze wedergeboorte is een geestelijke opstanding

Vaak wordt het begrip opstanding ver vooruitgeschoven en fundamentele leringen als “van de opstanding van de doden en van het eeuwig oordeel” (Hebr. 6:2) worden dan enkel voor de toekomst gereserveerd. Maar in wezen begint een eeuwig oordeel al te werken bij je bekering, want oordelen is scheiding aanbrengen: je breekt met alle ongerechtigheid en je wordt vernieuwd in je denken. Zo is het ook met de opstanding: je hebt het oude, zondige leven afgelegd en je bent opgestaan in een nieuw leven met Christus als Heer.

De Bijbel noemt dat wedergeboorte, van boven geboren worden, uit God (Joh. 1:13; Joh. 3:3), waarop de doop in de Geest als Gods grote kracht dient te volgen en dan beginnen we deel te krijgen aan de goddelijke natuur (2 Petr.1:4). Door die Geestesdoop en de dagelijkse vervulling met de Geest (Ef. 5:18) gaan we geheel anders in de hemelse gewesten wandelen en strijden, kortom: de dingen bedenken die boven zijn, waar Christus is (Kol. 3:1-3).

Als je een wedergeboorte hebt meegemaakt, mag je zeker weten dat je eeuwig leven hebt (1 Joh. 5:13) (en niet pas na je dood zult krijgen). Want de dood is geen doorgang tot het eeuwige leven (alsof de dood een vriend in plaats van een vijand zou zijn). Het geloven in Jezus Christus als Heer en Heiland is de doorgang tot het eeuwige leven, dat hier en nu al begint en reikt over de dood heen.

Dat beide zaken (opstanding en oordeel) in de toekomst een climax zullen hebben bij het laatste oordeel is duidelijk, maar ze beginnen nu al te werken. Wij waren dood door de overtreden en zonden (Ef. 2:1), maar door Gods grote liefde zijn wij uit genade met Christus levend gemaakt (Ef. 2:5). De wedergeboorte is het geestelijk opstaan uit de dood en we weten dat de lichamelijke opstanding later in de tijd komt. Met de geestelijke opstanding uit de doodsstaat als zondaar is de eerste opstanding begonnen: “Zalig en heilig is hij die deel heeft aan de eerste opstanding” (Openb. 20:6) en deze opstanding wordt afgesloten door het opgewekt worden met een geestelijk of verheerlijkt lichaam.

De geestelijke opstanding is de opwekking door Zijn kracht tot een nieuw leven. Er zijn verschillende teksten die hierover spreken en we noemen er een aantal:

  • “Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden” (1 Petr. 1:3).
  • “Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten” (Ef. 5:14).
  • “….opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen” (Rom. 6:4). In dit gedeelte worden de doop in water genoemd die symbolisch laat zien wat er in de praktijk gebeurt: de oude mens wordt begraven door de doop in de dood van Christus en de nieuwe mens staat met Christus op in een vernieuwd leven.
  • “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft die Mij gezonden heeft, die heeft eeuwig leven en komt niet in de verdoemenis (oordeel), maar is uit de dood overgegaan in het leven. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De tijd komt en IS NU, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en dat wie hem horen, zullen leven” (Joh. 5:24-25).
  • “Want deze, mijn zoon, was dood en hij is weer levend geworden. En Hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn (feest te vieren, NBG-vert.) (Luk. 15:14). Zo sprak de Vader over de verloren zoon.

Zijn opstanding is de garantie voor onze opstanding met een verheerlijkt lichaam

Bij de komst van Jezus maken wij de transformatie van ons lichaam mee, of wij nu gestorven zijn, of dat wij dit levend in een punt van tijd meemaken. Christus is de Eersteling, de Eerstgeborene uit de doden, maar wij die in Hem zijn, mogen volgen.

Wij hopen op wat wij niet zien en verwachten met volharding de verlossing van ons lichaam (Rom. 8:23-25). “Wij verwachten de Zaligmaker, namelijk de Heere Jezus Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam, overeenkomstig de werking waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen” (Fil. 3:20b-21). “Zie ik vertel u een geheimenis: Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin. Immer, de bazuin zal klinken en de doden zullen opstaan als onvergankelijke mensen opgewekt worden, en ook wij zullen veranderd worden” (1 Kor. 15:51-52).

“Wanneer Christus geopenbaard wordt, DIE ONS LEVEN IS, dan zult u ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid” (Kol. 3:4). Hoe zal die heerlijkheid eruit zien? “Wij weten dat , als Hij geopenbaard zal worden, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is. Een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, GELIJK Hij rein is” (1 Joh. 2:2b-3). Zij hadden het beeld van de stoffelijk mens (Adam) gedragen, maar meer en meer gaan zij het beeld van de hemelse mens (Christus) dragen (1 Kor. 15:48-49). Christus krijgt zonen (Hebr. 2:10, NBG-vert.) die ook opgestaan zijn en aan Zijn beeld gelijkvormig zijn geworden! Met Hem hebben zij deel gekregen aan het verheerlijkte lichaam. Het lied kan gezongen worden, dat we ook vaak gezongen hebben over de eerstgeboren Zoon: “Een heerlijk morgenlicht breekt aan, de zonen Gods zijn opgestaan”. De eerste Zoon heeft vele zonen (meervoud) tot heerlijkheid gebracht! Samen met Hem mogen ze de zuchtende schepping gaan herstellen die onder de vloek ligt van het rijk van de duisternis (Rom. 8:19-22).

Het opstandingslichaam is een geestelijk, hemels lichaam. Dat wordt ontvangen, zowel door hen die in Christus ontslapen zijn als door de levende gemeente (1 Thess. 4:13-17). “Het sterfelijke wordt door het leven verslonden” (geabsorbeerd) (2 Kor. 5:4b, NBG-vert.; 1 Kor. 15:51-54). Dat wil zeggen: een verheerlijkt lichaam staat op. Want wat wij zaaien in de aarde (ons natuurlijke, vergankelijke en aardse lichaam) is niet het lichaam dat worden zal, maar een kale graankorrel. God echter geeft daaraan een lichaam, zoals Hij het heeft gewild (1 Kor. 15:35-38). Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid in vergankelijkheid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt in kracht, heerlijkheid en onvergankelijkheid (1 Kor. 15:42-44). De term “wederopstanding des vleses” is ongelukkig, want het vergankelijke beërf de onvergankelijkheid niet. Paulus zegt: “Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk van God niet beërven” (1 Kor. 15:50). Met welk lichaam worden wij opgewekt? Niet met het gerenoveerd, bij elkaar geraapt natuurlijk lichaam, maar met een door God geschapen geestelijk lichaam.

Dat verheerlijkte lichaam is niet aan tijd, plaats of ruimte gebonden, vergelijk het opstandingslichaam van Christus, dat kon verschijnen op aarde en weer verdwijnen in de geestelijke wereld en niet tegengehouden of beperkt kon worden door de aardse materie van gesloten deuren (Joh. 20:19,26). Desalniettemin was het een tastbaar lichaam, zoals blijkt uit wat Jezus tegen Thomas zei: “Kom hier met uw vinger en bekijk Mijn handen, en kom hier met uw hand en steek die in Mijn zij; en wees niet ongelovig, maar gelovig” (Joh. 20:27, vergelijk Joh. 20:20 en Luk. 24:39-40).

In zekere zin kunnen we, wat Filippus in Handelingen 8 meemaakte, zien als een voorproefje op wat we zelf zullen ervaren als Christus komt en wij een verheerlijkt lichaam ontvangen, om samen met Hem duizend jaar in het vrederijk mee te regeren. Er staat: “De Geest des Heren nam Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap. Maar Filippus bleek te Asdod te zijn; en hij trok rond om het evangelie te prediken aan alle steden totdat hij te Caesarea kwam” (Hand. 8:38-39, NBG-vert.). In de Geest werd Filippus geografisch van de weg naar Gaza verplaatst naar Asdod, zo’n 15 km. verderop. Zulke mogelijkheden zullen wij in de vredetijd van duizend jaren (een overgangstijdperk) met ons verheerlijkt lichaam ook hebben.

De statuur of grootte van het geestelijk lichaam komt tot stand door de werken, die God van tevoren bereid heeft (Ef. 2:10, NBG-vert.) en waarin de mens op aarde gewandeld heeft in de kracht van de heilige Geest. Het zijn werken in God verricht (Joh. 3:21, NBG-vert.) en het zijn de werken die ons navolgen (Openb. 14:13). Dat is hetzelfde begrip, maar met een ander beeld, als de schatten die we mogen verzamelen in de hemelen (Matth. 6:20) of nog anders uitgebeeld: het weven aan het kleed der gerechtigheid, dat zijn de rechtvaardige daden van de heiligen (Openb. 19:8).

Zo ontwikkelt zich het huis van de Vader door middel van levende stenen (groot en klein ingepast in het geheel) tot een tempel van God en de tempel groeit tot een stad met vele woningen, dat is het hemelse Jeruzalem, onze moeder (Gal. 4:26, NBG-vert.). Na het afbreken van de aardse tent, een beeld van ons sterven, hebben wij (niet: krijgen wij) een gebouw van God, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen (2 Kor. 5:2).

Heerlijke toekomst

Wij leven toe naar die heerlijke toekomst, waaraan wij nu steeds meer deelkrijgen door in Christus het opstandingsleven uit te leven. Dat leven beginnen we gaandeweg reeds uit te stralen, al mag het nog veel meer zijn! Het is een groeiproces.

Het zal tenslotte gezien worden in de komende fases van Gods plan: Christus is komende in en met Zijn heiligen! Hoe groot en hoe geweldig zal dat zijn! Daarna wacht ons samen met Hem een enorme taak voor de volken in het messiaanse vrederijk en op de nieuwe aarde.

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.