Gehoorzaamheid en genade deel 1 en deel 2

Inleidend                                                               

Vormen genade en gehoorzaamheid een tegenstelling? Een wijd verbreid misverstand is dat het oude verbond gehoorzaamheid vroeg onder de wet, maar dat wij onder het nieuwe verbond (gelukkig) de genade hebben. De boze is er altijd op uit halve waarheden te prediken en bijbelse begrippen door elkaar te haspelen met zijn verwarring zaaiende vraag: is het ook dat God gezegd heeft? (je kunt de spreektrant van bepaalde moderne theologen horen in dit tot twijfel leidende gelispel!).

Wanneer we spreken over de balans tussen genade en gehoorzaamheid, dan zal de boze ons óf in de ene “sloot” naast te weg proberen te krijgen (gehoorzaamheid op een uiterlijke en wettische manier, waarbij genade wordt verdonkeremaand), óf hij tracht ons in de andere “sloot” naast de weg te doen belanden (genade als een goedkope dekmantel voor een valse vrijheid, die tot wetteloosheid leidt en waarbij gehoorzaamheid wordt gerelativeerd of teniet gedaan)

We doen we een poging om het een en ander uiteen te zetten in een bijbels evenwicht. Dit is van groot belang voor ons leven, omdat het gaat om twee kernbegrippen in de Bijbel en hoe die zich tot elkaar verhouden. Hoewel er veel voor valt te pleiten om te beginnen met “genade” en daarna “gehoorzaamheid”, heb ik ervoor gekozen in te steken bij “gehoorzaamheid” (in het eerste gedeelte) om daarna terug te komen op “genade”(in het volgende hoofdstuk met een omgekeerde titel erboven).

Voorin, achterin en middenin de Bijbel: geboden

Al direct in de hof van Eden kreeg de mens de proef op de som door middel van een gebod (Gen.2:16-17). Door ongehoorzaamheid kwam de mens tot zonde en zaten we om zo te zeggen met de “gebakken peren”. Door de gehoorzaamheid aan de oude slang, dat is de duivel en satan, werd de weg tot de boom des levens afgesloten.

In de grote confrontatie in de eindtijd met de boze blijft weer dat belangrijke gegeven staan van het zaad der vrouw, dat gekenmerkt wordt door de volharding in het bewaren van de geboden Gods en het hebben van het getuigenis en het geloof van Jezus (Openb.12:17; Openb.14:12). Op de laatste bladzijde van de Bijbel staat: “Zalig zij die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan het geboomte des levens” (Openb.22:14, St. Vert.). Letterlijk staat daar “hout des levens”. In Openb.22:2 vertaalt de Leidse Vertaling dit treffend met “levensbomen” (vergelijk ook de bomen langs de tempelbeek in Ezech.47:12). Het is geweldig dat de boom des levens – beeld van Jezus Christus – uiteindelijk in de weg van gehoorzaamheid zich vermenigvuldigt tot een geboomte des levens en deze levensbomen staan daar als beeld van de zonen Gods, die tot genezing van de volken zullen zijn. Aan dit herstelproces mogen wij deelhebben, allereerst in eigen leven door gehoorzaamheid en middenin de gemeente van de levende God!

In het hart van Gods Woord zien wij dat de door ongehoorzaamheid afgesloten weg tot de boom des levens opnieuw wordt ingewijd door het kruis van Christus. Een lied zegt daarvan: “met de boom des levens wegend op zijn rug, droeg de Here Jezus Gode goede vrucht”. Door de gehoorzaamheid van Eén zullen zeer velen rechtvaardig worden (Rom.5:19). Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood des kruises (Fil.2:8). Ook Jezus moest – hoewel Hij de Zoon was (niet vanzelfsprekend: omdat Hij de Zoon is!) – de gehoorzaamheid leren, uit hetgeen Hij heeft geleden (Hebr.5:8) tijdens verzoekingen (Hebr.2:18). Toen Hij het einde (=einddoel) had bereikt is Hij voor allen die Hem gehoorzamen (niet: voor allen die het wel geloven!) een oorzaak van eeuwig heil geworden (Hebr.5:9).

Nu is het onze beurt om in de situaties van verzoekingen de gehoorzaamheid te leren, om uit te groeien tot volwassen zonen Gods, die net als hun Meester leven in zichzelf (Joh.5:26 en Joh. 6:53) mogen ontwikkelen door de Geest Gods, om uit te delen aan een zuchtende schepping, om te dienen en te helpen bevrijden.

Prachtig dat we nu al mogen anticiperen op het komende volledige herstel en dat we reeds krachten van de toekomende eeuw kunnen smaken (Hebr.6:5) We mogen getrouw in het kleine oefenen, want het waarachtige licht schijnt reeds (1 Joh.2:8), om het straks in het groot en in volledige mate uit te gaan oefenen, als het eeuwig oordeel, de totale scheiding tussen licht en duisternis, tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, tot stand komt. Heerlijk (voor)recht!

We zien dus een proces vanuit het verloren paradijs via Jezus Christus op weg naar het herwonnen paradijs, waarbij de in alles gehoorzaam geworden zonen Gods als herstellers zullen optreden met een geloof in alles wat in Gods voornemen beloofd is.

Denk aan de grote opdracht, die kort gezegd in vier delen kan worden aangegeven: ga heen, maak discipelen van Jezus, doopt ze in Zijn naam en leert hen te ONDERHOUDEN AL wat Ik u bevolen (geboden, Statenvertaling) heb (Matth.28:19). Pas dan volgt de belofte, die je zo vaak los op tegeltjes, wandbordjes en ansichtkaarten ziet: “EN (=voegwoord!) zie, Ik ben met u al de dagen tot aan het einde der wereld” (Matth.28:20).

In vogelvlucht iets vanuit het Oude Verbond

Wanneer we lezen over de mannen Gods in het Oude Verbond, dan valt ons onmiddellijk hun gehoorzaamheid op.

Van Noach lezen we aangaande de ark, dat hij er maar niet wat op los timmerde, maar: “En Noach deed het; geheel zoals God het hem geboden had, deed hij” (Gen.6:22).

Door het geloof is Abraham, toen Hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats die hij ter erfenis zou ontvangen en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou (Hebr.11:8).

Tegen Mozes zei God niet: “bouw een huis voor Mij en maak er maar wat moois van”. Nee, Hij gaf nauwkeurige instructies voor de bouw van de tabernakel en haar indeling en Mozes deed zoals de Here geboden had. Het gevolg was dat de heerlijkheid des Heren in de tabernakel verscheen. De les daaruit voor ons is dat een opwekking of een herleving altijd tot stand komt in de weg van gehoorzaamheid. Als we in de gemeente maar wat aanrommelen, dan kunnen we het schudden dat Gods heerlijkheid er gemanifesteerd wordt.

Over Kaleb lezen we dat hij een andere geest had en dat hij de Here volkomen gevolgd heeft (Num.14:24). Hij kreeg deel aan de (volledige) erfenis (Joz.14:6-15) vanwege zijn volkomen trouw (Joz.14:8,14). Voor bijna alle anderen gold, dat zij weliswaar vergeving van zonden hadden gekregen op Mozes’ voorbede, maar dat de weg naar het beloofde land voor hen geblokkeerd werd door ongehoorzaamheid, ofwel ongeloof (Hebr.3:18-19).
Ook in onze tijd rusten veel christenen op hun lauweren (overwonnen vijanden in het verleden), maar zijn niet bezig met de strijd tegen de geestelijke reuzen der duisternis in de hemelse gewesten, waarvan het land Kanaän een schaduwbeeld was. Ze vinden het onderwerp “strijd” maar zwaar. Wij kunnen evenwel niet teren op vroegere zegen (de eerste druiventros uit Eskol), maar het gaat om een volharding in gehoorzaamheid tot de goede strijd van het geloof, die vrucht draagt en heerlijkheid oplevert. Anders worden wij wel behouden op grond van het geloof in Christus’ offer voor onze zonden, maar missen wij de erfenis of het erfdeel (Hand.26:18) van (gods)vrucht en goddelijk leven in onszelf. De Heer had ons juist Zijn Geest gegeven als onderpand van de erfenis (Efeze 1:13-14) en die geeft ons kracht om gaandeweg het goddelijke land te veroveren en in bezit te nemen. Wij zijn immers begiftigd met alles wat tot leven en godsvrucht strekt (2 Petr.1:3).
Koning Saul was ongehoorzaam (1 Sam.15). Ooit was ook hij onder de profeten in geestvervoering geweest. Zijn ongehoorzaamheid had verstrekkende gevolgen: het kostte hem zijn koningschap! Als wij ongehoorzaam worden, kost het ons ook ons koningschap, al kunnen we mogelijk nog door vuur heen behouden worden (1 Kor.3:15). Dan krijgen wij geen deel in het parlement ofwel het regeren met Christus. Daarvoor heb je meer wijsheid nodig dan in een aard ingestelde regering bezit en ook een compleet andere levensstijl. Bij koning Saul ging het van kwaad tot erger. Hij kwam bij de waarzegster terecht en zijn leven eindigde door zelfdoding.

Boeken als Deuteronomium en Jeremia spreken veel over de voorwaarde om gehoorzaam te zijn. Dan gaan Gods beloften in vervulling!

 

De grondhouding in het leven van Jezus en zijn onderwijs

 

Jezus had van meet af aan de intentie: “Zie, hier ben Ik, om uw wil, o God, te doen” (Hebr.10:7). De Zoon kon niets doen wij van Zichzelf, of Hij moest het de Vader zien doen (Joh.5:19) en zonder Jezus kunnen wij niets doen (Joh.5:19 en Joh.15:5b). Verder zei Jezus: Want Ik zoek niet mijn (menselijke) wil, maar de (goddelijke) wil van Hem die Mij gezonden heeft (Joh.5:30). Om Gods wil te gehoorzamen, waartoe Hij Zichzelf helemaal beschikbaar stelde, moest Hij zijn eigen wil verloochenen en opgeven in alle levenssituaties. Dat leerproces van het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen (Jes.7:15) begon al heel jong, zodra Hij Zich dit bewust werd. Hoewel Hij ontvangen of verwekt werd door de heilige Geest van God, was Hij volkomen mens uit Maria geboren.

 

Bij het opgroeien van Jezus zal Hij de nodige lessen hebben geleerd in de timmermanswerkplaats van zijn pleegvader. Het gezin van Jozef en Maria bestond op een gegeven moment uit minstens zeven kinderen (Marc.6:3). Ik stel me zo voor dat als Jozef Jezus’ broer Jacobus aan het eind van de dag van het buiten spelen riep, om de timmermanswerkplaats aan te vegen, dat deze wel eens – net als onze kinderen bij een klusje – zal hebben geroepen: “pa, dat heb ik gisteren ook al gedaan, laat nu Judas en Simon maar eens aan de beurt komen. Als Jozef Jezus bijv. als tienjarige jongen riep, om de houtkrullen op te ruimen, dan stel ik me voor dat Hij dan gehoorzaamheid leerde door zijn eigen wil (om dóór te spelen bijv.) opzij te zetten en Zijn mond te houden (over “gisteren ook al” en “de anderen kunnen ook wel eens”). Hij begon met helpen en dienen. Natuurlijk kostte elke verzoeking Hem strijd, want Hij was mens, maar door de Geest van God koos Hij altijd voor gehoorzaamheid. Als Hij op straat uitgescholden werd, dan schold Hij niet terug, zoals de meeste natuurlijke mensen wel doen. Zelfs toen Hij op twaalfjarige leeftijd in de tempel bleef, omdat Hij bezig moest zijn met de dingen van Zijn (hemelse) Vader, kon Hij het opbrengen op met hen terug te gaan en Zijn aardse ouders in Nazareth onderdanig te zijn. Juist na deze gebeurtenis staat er: “En Jezus NAM TOE in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen” (Luc.2:52). Er waren nog 18 vormingsjaren te gaan in Nazareth tot Zijn openbare optreden op 30 jarige, dat is volwassen leeftijd. Toen startte Zijn bediening onder de mensen.
In het onderwijs van Jezus sprak Hij vaak over gehoorzaamheid. Ik noem maar enkele voorbeelden:

-Een ieder nu die deze mijn woorden hoort en ze DOET, zal gelijken op een verstandig man, die

zijn huis bouwde op de rots (Matth.7:24).

-Want al wie DOET de wil mijns Vaders die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en

moeder (Matth.12:50).

-Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren (Joh.14:15); wie mijn geboden heeft en

ze bewaart, die is het die Mij liefheeft (Joh.14:21); wanneer gij mijn geboden bewaart, zult gij

in mijn liefde blijven (Joh.15:10).

 

Dus niet zoals lichtvaardig kan gebeuren, dat je bij wijze van spreken 1000x over Gods liefde zingt zonder zijn geboden te bewaren (=gehoorzamen). Die liefde van God zal iets uitwerken in je binnenste, zodat je graag God gaat gehoorzamen! Niet als een uiterlijke plichtsbetrachting, of een vorm naar de letter, maar door Geest, van binnenuit, van harte! Zo gedreven te worden door de liefde en de genade van God is het “leidmotief” van ons leven. Ware genade – we komen daar nog op – maakt namelijk gehoorzaam!

 

Gehoorzaamheid, zoals het nieuwe verbond dat schetst

 

Petrus zegt in de Handelingen dat men aan God meer gehoorzamen moet dan aan de mensen (Hand. 5:29) en ook over de heilige Geest die God hun gegeven heeft, die hem gehoorzaam zijn (Hand. 5:32).

In de Romeinenbrief heeft Paulus het aan het begin en aan het eind over gehoorzaamheid des geloofs bewerken (Rom. 1:5 en Rom. 16:26). Geloofsgehoorzaamheid is bij hem een eenheid. Immers, gehoorzaamheid zonder geloof is de letter van de wet en het omgekeerde: geloof zonder gehoorzaamheid (of geloofswerken) is dood. Gehoorzaamheid houdt discipline van binnenuit in, maar uiteraard geen menselijke kadaverdiscipline in de stijl van “geef acht” en “voorwaarts mars”. Evenmin is er sprake van die ouderwetse, strenge orde in het onderwijs, zo van “1,2 in de maat, anders wordt de juffrouw kwaad”.

 

Gehoorzaamheid in de gemeente past in de vrijheid van Christus, maar sommigen vatten het op als slavernij. Middenin de Romeinenbrief merkt Paulus op dat in wiens dienst je je stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven… Vervolgens jubelt hij: “Maar Gode zij dank: gij waart slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht die u overgeleverd is (Rom.6:16-17).

In dezelfde geest spreken alle apostelen. Jacobus heeft het erover: “weest daders van het Woord en niet alleen hoorders; dan zoudt gij uzelf misleiden”(1:22). Petrus spreekt over je gehoorzaam voegen tot heiliging in AL je wandel en over de reiniging die daarmee gepaard gaat (1 Petr.1:14-16,22). Johannes zegt vlijmscherp: “Wie zegt: Ik ken Hem en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar”(1 Joh.2:4).

 

Enkele praktische consequenties

 

Gehoorzaamheid heeft een radicale impact op ons leven, zoals een koortje zegt: “recht is recht en krom is krom en als je ongehoorzaam bent, dan ben je dom, want het doel dat is Gods heerlijkheid”! Je laten dopen bijv. is een daad van gehoorzaamheid en daar hoef je geen “vijfjarenplan” van te maken.

 

In de gemeente hebben we geen voorschriften van “raak niet, smaak niet, roer niet aan” (Kol.
2:21) en dus ook geen opgelegd “rook niet, smook niet” – verbod. Maar wie het innerlijk gaat verstaan, dat hij door niets geknecht wil worden (1 Kor.6:12), die breekt met deze verslaving en kan gaan spreken over “VROEGER waren ook wij verslaafd aan velerlei begeerten en zingenot” (Tit.3:3). Het mooie van de Heer is dat Hij gehoorzaamheid vraagt, maar ook gehoorzaamheid wil bewerken! Wie het vatten kan, die vatte het! Het geheim is dat God er genade toe geeft, om te gehoorzamen. De vraag is alleen of ik gewillig ben mij restloos te geven aan Jezus als Heer van mijn leven en dat mijn instelling is: “Heer, wat wilt u dat ik doen zal”?

 

Denk eens aan bijv. bidden, Bijbellezen, evangeliseren en gemeenschap beoefenen.

De Heer vraagt van ons dat we “stille tijd” houden. Al snel na mijn bekering hoorde ik hiervan: je MOET “stille tijd” houden. Ik zette mijn wekker op twintig minuten, want zolang wilde ik bidden. Als de wekker afliep, kon ik stoppen. Zo wettisch-gehoorzaam vulde ik dit in. Later las ik de tekst “bid zonder ophouden” (1 Thess.5:17) en viel ik in het andere uiterste, dat ik soms op de fiets bad en tussendoor in allerlei situaties, maar geen tijd meer afzonderde om God speciaal te zoeken, tenzij dan in bidstonden met anderen. Ik geloof dat ik nu een bepaalde mate van balans heb gevonden, dat het zowel goed is, om in allerlei levensomstandigheden “zonder ophouden”te bidden (verbinding met onze “Bovenleiding”!), als ook regelmatig apart tijd te nemen voor – met eerbied gesproken – “onderonsjes” met de Here. Intimiteit vereist beslist tijd!

 

De Heer wekt ons ook op om niet te gronde te gaan door het gebrek aan kennis (Hos.4:6).Het opdoen van kennis en inzicht in het Woord kost zeker inzet en doorzettingsvermogen. Ik ben dankbaar voor de levenslessen van God, vaak ook door middel van anderen en door inzicht verrijkende lectuur.

Intussen dienen we ons bewust te zijn van al die moderne “afleiders” als het gaat om een stukje “stille tijd”, zoals bijv. T.V., DVD, muziek, hobbies, (mobiele) telefoon. Dit kunnen “tijdvreters” worden als wij ze zonder “gebruiksaanwijzing” hanteren. Als het “slokop’s” van buitenaf worden, gaan ze ten koste van onze gehoorzaamheid van binnenuit tot het zoeken van gemeenschap met de Heer, dat is: bezig zijn in de hemelse gewesten. Wees daarom alert op “afleiders” in de zichtbare wereld, die je voortdurend willen binden aan de aarde!

 

Als je evangeliseert is de voorwaarde dat je zelf gehoorzaam aan God leeft, anders sta je met je getuigenis met een mond vol tanden, of verkoop je “gebakken lucht” en is het alleen maar “bla bla” wat je uit. We kunnen niet blijven hangen in ongehoorzaamheid of gebondenheid op punten die we drommels goed weten, want dat schaadt niet alleen ons eigen leven, maar het verzwakt of verlamt ook ons getuigenis naar anderen.

 

Gemeenschap met elkaar ontstaat, wanneer wij onze zielen door gehoorzaamheid aan de waarheid hebben gereinigd tot ongeveinsde broederliefde en opgeroepen worden om elkaar van harte en bestendig lief te hebben, als wedergeborenen (1 Petr.1:22-23). Dit is de doodsteek voor huichelarij en een schop tegen een “groepjesgeest” (=de macht van partijschappen). Goddelijke gehoorzaamheid leidt tot volledige onderwerping aan God (Hebr.12:9b), tot gehoorzaamheid aan je voorgangers (is tot je eigen nut!) (Hebr.13:17), maar zeker ook tot “wees elkander onderdanig in de vreze van Christus” (Efeze 5:21) en “omgordt u ALLEN jegens elkander met nederigheid” (1 Petr.5:5). Dit zijn twee sleutelteksten tot het krijgen van eenheid. Dat wordt een prachtgemeente, een gemeente zonder trammelant en geherrie! “Mensonmogelijk” zegt u? Ja, naar de gezindheid van het vlees gesproken wel, want dat kan zich niet onderwerpen aan de wet van God (Rom.8:7). Onhaalbaar? Ja, dat vindt de duivel ook, want die houdt van “vlekken en rimpels” en dat wil hij graag zo houden (zie Efeze 5:27). Maar God heeft het volkomene bedacht en dat is goddelijk haalbaar en mogelijk! Dikke willen en sterke persoonlijkheden leren buigen voor het samen doen van die ene wil van God, want het wachtwoord is: GEHOORZAAMHEID!

 

(Kleine) kinderen struikelen nog over van alles en kunnen nog heen en weer slingeren, maar (aankomende, zich ontwikkelende) zonen Gods, die in ELK opzicht naar Hem toegroeien, hebben een stabiele, vaste gang. Ze leren te (blijven) staan in alle dingen tijdens hun rijpingsproces naar alle volheid van God (Efeze 4:13 en Efeze 3:19). Zij hebben werkelijk aan de roeping van de God van ALLE genade tot eeuwige heerlijkheid beantwoord, die hen – na een korte tijd van lijden – zal volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten (1 Petr.5:10).

We recapituleren met een subliem woord: “God is bij machte ALLE genade in u overvloedig te schenken, opdat gij, in ALLE opzichten te ALLEN tijd van ALLES genoegzaam voorzien, in ALLE goed werk (=gehoorzaamheid) overvloedig moogt zijn” (2 Kor.9:8).

 

Jildert de Boer

 

  

GENADE EN GEHOORZAAMHEID (2)

 

De genade door Jezus Christus gekomen

 

Wat een wonder als wij weten dat we genade van God hebben ontvangen over ons zondige leven. De genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen! De wet is door Mozes gegeven (Joh.1:17) en die omvatte nog niet de volledige waarheid over God. (Overigens wordt het woord “genade” volgens de concordantie wel zo’n 30x gebruikt in het Oude Testament). Jezus Christus heeft ons (werkelijk) God doen kennen (Joh. 1:18). Let wel: Jezus kwam met genade EN waarheid. Genade zonder waarheid maakt slap en week. Waarheid zonder genade maakt hard en liefdeloos. Genade en gehoorzaamheid horen daarom bij elkaar en mogen niet van elkaar losgemaakt worden, of tegenover elkaar worden gezet!

 

In het voorgaande hebben we uitgebreid stilgestaan bij de gehoorzaamheid aan de waarheid. We zagen dat je je mag beroepen op de genade van God, maar dat dit een valse ondertoon krijgt, als je doorgaat met het je niets aan te trekken van sommige geboden van God. Wij weten dat Gods grote gebod de LIEFDE is. Dat neemt niet weg dat het onderricht van Jezus (bijv. in de Bergrede, of in Joh.14, 15 en 16) en het onderwijs der apostelen (bijv. in de eerste Johannesbrief, enz.) doorspekt is met vermaningen, aansporingen, opdrachten, richtlijnen of geboden  en raadgevingen of adviezen. We noemen maar de uitdrukking in 2 Petr.3:2: “het gebod uwer apostelen van de Here en Heiland”. Genade maakt nu juist dat je de Here en zijn woorden gaat gehoorzamen in ALLES! Door genade leren we Hem kennen als Verzoener en Heiland; door gehoorzaamheid aanvaarden we Hem tevens als Heer en Koning over ons leven (bijv. Kol.2:6).

 

Eerste en tweede genade: een dubbel deel

 

In 2 Kor.1:15 gebruikt de Statenvertaling de term “opdat gij ene tweede genade zoudt hebben”. In Joh.1:16 staat de uitdrukking “Immers uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, zelfs genade op genade”. Zo kun je bijvoorbeeld spreken over de genade tot zondevergeving en de genade om de heilige Geest te ontvangen met kracht tot overwinning op de zonde. De Geestesdoop is een genadedoop (zoals je de waterdoop een getuigenisdoop en de vuurdoop een lijdensdoop zou kunnen noemen).

De eerste genade die God ons geeft, is ons AL onze ongehoorzaamheid te vergeven. Het zijn de gunstbewijzen des Heren dat wij niet omgekomen zijn! (Klaagl.3:22). Lof en dank aan God!

De tweede genade is dat God ons helpt en kracht geeft, om te gehoorzamen aan Gods wil.

In Rom.6:14 staat: “immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade”. Je zou kunnen spreken over bedekkende genade (over zonden) en beheersende genade (tot overwinning). Onder deze genade verliest de macht der zonde zijn heerschappij.

 

Er is passieve genade als vrije, onverdiende gunst van God aan zondaren (“O, God wees mij zondaar genadig”, Luc.18:13) en actieve genade, die je werkzaam en gehoorzaam maakt.

Er is een genade tot redding die je NIETS kost (bijv. Rom.3:24, Hand.15:11) en er is een genade tot discipelschap, die je ALLES kost, omdat die je oproept tot totale gehoorzaamheid (Luc.14:26-27,33). Nogmaals: bij een discipel hoort een gedisciplineerd leven. Een discipel hoeft niet te zoeken naar “roeservaringen”, zoals bijv. het zogenaamde “vallen, lachen en  schudden in de geest” of een andere “zucht naar manifestaties”, maar de Geest richt je juist met dubbele genade op, om te gaan dienen en zegenen in het praktische leven.

 

Er is een genade voor ons (Jezus is voor mijn zonden gestorven en dat is mijn redding om niet, d.w.z. gratis) en er is een genade met ons en in ons, waarin we kunnen groeien (2 Petr.3:18; 2 Kor.4:15). Paulus zegt eerst “maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben” en vervolgens: “en zijn genade aan mij is niet tevergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods die MET mij is” (1 Kor.15:10).

Tegen de Korinthiërs heeft Paulus ook als een medewerker van God vermaant “de genade Gods niet tevergeefs te ontvangen” (2 Kor.6:1). Dan werkt de genade niets uit en dat is triest.

 

De eerste genade is genade zonder werken (der wet) (Gal.2:21; Gal.5:4; Efeze 2:8,9), maar de tweede genade voert tot een overvloed aan goede werken (2 Kor.9:8). Dit zijn werken in God verricht, door de kracht van de heilige Geest.

Genade wordt soms voorgesteld als een “zacht doekje voor het bloeden”, maar de Bijbel wekt veeleer op tot “wees krachtig in de genade” (2 Tim.2:1). Voor verdere, diepere gehoorzaamheid in de details of subtiele dingen van ons leven is er weer meer genade van God nodig. Er is een voortdurende wisselwerking tussen genade en gehoorzaamheid! In 1 Petr.1:13-17 wordt zowel gesproken over “vestig je hoop volkomen op de genade” als over “voegt u als gehoorzame kinderen” en “wordt ook gijzelf heilig in Al uw wandel”. Des te grotere genade (Jak.4:6), des te meer volkomen gehoorzaamheid (2 Kor.10:5,6). Heerlijk om je naar uit te strekken, nietwaar?

 

Lees de aanhef van sommige brieven in het nieuwe testament, die spreken over een vermenigvuldiging van de genade! In de komende eeuwen zullen wij een overweldigende rijkdom Zijner genade mogen TONEN naar Zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus (Efeze 2:7).

Van Jezus is geschreven dat er woorden van genade van zijn lippen kwamen (Luk.4:22) en in de gemeente komt er heel wat genade van God via anderen over ons heen door middel van nuttige, opbouwende woorden vol zegen (Efeze 4:29; vergelijk Hand.4:33).

 

Genade en nederigheid

 

Een belangrijke zaak is ook dat genade en nederigheid met elkaar in verband staan, want “de nederigen geeft Hij genade” (Jak.4:6 en 1 Petr.5:5).

In de gemeente kan van alles gebeuren, maar door te kunnen buigen, je te verootmoedigen en de minste te zijn, kan Gods genade je te hulp komen en alle lastige situaties helpen oplossen.

Problemen ontstaan als we op de ander zitten te wachten dat die zijn ongelijk bekend (dat is zijn/haar zaak), of als wijzelf voor ons eigen gelijk op onze strepen gaan staan over misschien wel onbenullige zaken. Genade van God helpt je om te kunnen te relativeren, hoofd- en bijzaken te onderscheiden en zelf als eerste vergevingsgezind te zijn bij misverstanden, miscommunicatie en misinterpretatie.

Je bewust te zijn van ontvangen genade van God, maakt je ruimhartig om de ander royaal genade te schenken bij een fout, verkeerde beoordeling of iets dergelijks.

 

Uiterlijke gehoorzaamheid?

 

Laten we niet tevreden zijn met uiterlijke gehoorzaamheid, zo van: we zitten in de samenkomst en lopen mee in het gareel. Denk aan de plichtsgetrouwe, wettische oudste zoon, die alle genade van de Vader ter beschikking had, maar het niet kon verkroppen dat aan “die zoon van u” (de jongste en wetteloze) genade en vreugde werd bewezen door de Vader. Laten we onszelf de spiegel voorhouden, of we hier enige gelijkenis met onszelf kunnen vinden.

 

Natuurlijk hoeven we ook niet (aan de buitenkant) de indruk te wekken achter te blijven (vergelijk Hebr.4:1) door bijvoorbeeld niet mee te zingen in de samenkomst, of de collectezak achteloos aan ons voorbij te laten gaan. Hierin kan men elkaar niet oordelen, maar ieder zie toe op zijn of haar eigen wandel en wij mogen elkaar stimuleren tot het goede, welgevallige en volkomene. Ware gehoorzaamheid is uiteindelijk een hartezaak, die weliswaar uit werken blijkt.  Want: “zo zijn ook de goede werken aanstonds duidelijk, en die, waarmee het anders gesteld is, kunnen niet verborgen blijven” (1 Tim.5:25).

 

Een W.W.J.D.-armbandje (=What would Jesus do?) dragen is een aardig symbool, maar is die gezindheid aan de binnenkant ook zo, dat ik genade vind om hulp te verkrijgen te gelegener tijd (Hebr.4:16) dat wil zeggen als er een verzoekingssituatie zich aandient? Vind ik dan genoeg helpende genade, om gehoorzaam aan God te reageren, dat wil zeggen “als Jezus”, die zachtmoedig en nederig van hart was? (Matth.11:29).

 

Veranderde genade

 

Tegen Paulus zei de Heer in de letterlijke en figuurlijke stormen in zijn leven “Mijn genade is u genoeg” (2 Kor.12:9). Sommigen veranderen en vervalsen dit tot het maar door kunnen gaan met zondigen met als argument “er is toch genoeg genade”(Rom.6:1,15). Met zulke leuzen maakt men de genade goedkoop, terwijl het een dure losprijs was waarmee Hij ons gekocht en betaald heeft (1 Kor.6:20, Statenvertaling). Op die wijze wordt de genade in losbandigheid verandert (Judas 4). Losbandigheid= los van banden, dus zonder geboden, ofwel zonder te gehoorzamen aan onze enige Heerser en Here Jezus Christus.

 

In 2 Kor.12:9 bedoelt de Heer met “Mijn genade is u genoeg” nu juist dat Zijn genade ook in de moeilijkste omstandigheden, als een engel van satan met vuisten slaat, VOLDOENDE zal zijn, om ertegen bestand te zijn, kortom: dat Hij TOEREIKENDE genade zal geven om die zware situaties aan te kunnen. Er is genade om leed te kunnen verdragen (1 Petr.2:19-20; Fil. 1:29).

Laten wij de ware genade vasthouden (1 Petr.5:12), dat is de genade Gods die je in waarheid hebt leren kennen (Kol.1:6). Deze ware genade geeft je nooit een vrijbrief om te zondigen, of van de genade een “slappe voorstelling” te maken, om aan de gehoorzaamheid te ontkomen, of er niet zuiver, serieus en nauwkeurig mee om te gaan. Helaas nemen sommigen een loopje met de vrijheid in Christus door deze te gebruiken als een aanleiding voor het vlees (Gal. 5:13).

 

Tweevoudige genade

 

Er is genade van God als men de nederlaag geleden heeft tegen de vijand op een bepaald punt. Ik noem dit voor het gemak “lig-genade”, maar blijkens 1 Joh.2:1-2 is dat niet het gewone, maar als dit gebeurt dan hebben wij een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige. Dit kunnen we ook aanduiden met “genade achteraf” en dat is een troost.

Maar Gods bedoeling is “sta-genade”, dat is genade te vinden, om te blijven staan in gehoorzaamheid aan God en dit is “genade vooraf” en dat is dubbele troost. Sidney Wilson zei eens: “liggen staat ons veel meer aan dan dat staan ons ligt” en dat is wel raak getypeerd, maar zo mag het niet blijven! “Zo moet het voor u VASTSTAAN, dat gij wel dood zijt voor de zonde, doch levend voor God in Christus Jezus” (Rom.6:11). Je kunt dood voor God zijn en levend voor de zonde OF je bent dood (en doof!) voor de zonde en levend voor GOD!

 

In Tit.2:11 lezen we dat de genade Gods verschenen is, heilbrengend voor alle mensen, om ons OP TE VOEDEN. Deze opvoedende genade brengt ons onder meer tot een rechtvaardig en godvruchtig leven (Tit.2:12) en tot een volijverig zijn in goede werken (Tit.2:14).

 

Opvoeding: van genade tot gehoorzaamheid of de invloed van de geestenwereld tot wetteloosheid

 

Wat mij op het hart ligt is erop te wijzen dat kinderen en jeugd “aan hun ouders ONgehoorzaam” (2 Tim.3:5 en Rom.1:30) een teken is van zware tijden in de laatste dagen en dit gaat ons in de gemeenten en in de gezinnen niet automatisch voorbij. De geest van wetteloosheid is in opmars en doet wat hij kan om onze kinderen en jeugd mee te sleuren. Dit geeft geen reden tot paniek of angst, maar we mogen ons opstellen vanuit Gods rust (Hebr.4:11) en elkaar opwekken, opdat NIEMAND ten val kome door voorbeelden tot ongehoorzaamheid te volgen. Integendeel: laten wij met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden, om hulp te verkrijgen te gelegener tijd. Als wij als ouderen het zegel van God niet aan onze voorhoofden hebben (=vernieuwing van denken), dan lopen wij het gevaar dat het “groene gras” verbrandt, dat wil zeggen: dat de opgroeiende jonge mensen een prooi kunnen worden van wetteloze machten der duisternis (Openb.7:3; Openb.8:7; Openb. 9:4). Laten wij onze kinderen en onze jeugd vurig claimen voor het Koninkrijk God en de genadetroon in onze bidstonden als het ware “bestormen”, zodat de goede engelenwereld ten dienste van hen bewogen wordt en zij welbewaard blijven. De boze machten kunnen dan niet zomaar met onze kinderen hun wetteloze werk verrichten, wat zij wel wensen. De goede engelen zijn er ook nog en zij worden door God ingezet ten dienste van ons (Hebr.1:14). Let erop dat Samuël en Mozes in een goddeloze omgeving genadig bewaard bleven in gehoorzaamheid aan God op het gebed van hun ouders!

 

In de opvoeding gaat het naast bescherming en geborgenheid bieden toch ook om het bij het opgroeien steeds meer los te durven laten in vertrouwen op de genadevolle en liefderijke hand van de Heer. Uiteraard ontslaat dit ons niet van goede, ouderlijke zorg en – al naar gelang de leeftijd – het houden van de vinger aan de pols.

Onze kinderen komen op school en werk met heel veel in aanraking uit het rijk der duisternis, maar wij als ouders geloven dat de engelen erbij kunnen, waar wij er op een bepaald moment niet (meer) bij kunnen. Wat een genadegift zijn ook onze kinder- en jeugdleiders, die soms hun harten kunnen bereiken, waar wij als ouders dat op een gegeven moment niet altijd kunnen, ook al dragen wij de eerste verantwoordelijkheid.

Wij hebben continu genade en wijsheid van God nodig. Daar bidden we al om als wij de kleine kinderen “opdragen” aan de Heer te midden van de gemeente. We werken eraan dat ze gehoorzaamheid leren: “Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam [in de Here], want dat is recht” (Efeze 6:1). Maar ook: “Vaders, prikkelt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden” (Kol.3:21). En: “voed hen op in de tucht en in de terechtwijzing des Heren” (Efeze 6:4). Wij dienen ons op te stellen tegen een geest van brutaliteit, die tegenwoordig heel algemeen tot de (wetteloze) “tijdgeest” hoort.

 

Het is duidelijk dat we hier genade moeten leren vinden, om gehoorzaamheid te bevorderen in onze huizen. Een gouden regel daarbij is: “woorden wekken, maar voorbeelden trekken”. Respect kun je niet afdwingen, maar wel door verlokking verwerven. Daarbij hoort allereerst het zoeken naar een goed contact en een harteband met de kinderen. Tijd in je kinderen investeren is waardevol gebruikte tijd. Op dit gebied moet ik zelf ook regelmatig door herinnering wakker gehouden worden. Dat het hart der vaderen (merk op het initiatief!) teruggevoerd wordt tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen (als gevolg!) reikt Mal.4:6 ons zo opwekkend aan. Op die wijze wordt de zogenaamde generatiekloof onder ons gedicht en verstaan oudere en jongere mensen wat er in elkaars hart leeft!

 

Het aloude negatieve geluid van “die jeugd van tegenwoordig” verstomt daarbij en de ouderen ontwikkelen een warm hart voor het geslacht dat na hen opgroeit!

Wat gaaf als jonge mensen breken met de geest van brutaliteit en respectloosheid jegens ouderen, wat in de maatschappij zo algemeen voorkomt en GEHEEL anders gaan leven (Efeze 4:20) en niet een beetje anders al O.K. vinden. Hoe heerlijk als jonge mensen genade vinden om te kiezen voor gehoorzaamheid en zich kunnen (leren) houden aan bepaalde huisregels, die hun ouders op een bepaalde leeftijd tot hun heil en vrede gesteld hebben. Wie gehoorzaam wil zijn, leert simpel klokkijken en kan (mobiel) bellen naar zijn ouders of het wellicht een uur later mag worden, dan thuis eerder was afgesproken.

Geweldig als bijvoorbeeld – door genade van de Here – het inzicht bij de jeugd ontstaat dat het nachtleven niets is voor christenjongeren, omdat wij de dag toebehoren en de werken der duisternis af willen leggen (vergelijk 1 Thess.5:5-8; Rom. 13:11-14).

 

Genade tot reinheid

 

Tenslotte wil ik attenderen op een heldere richtlijn die de apostel Paulus ons gaf: “Vormt geen ongelijk span met ongelovigen” (2 Cor.6:14), een gebod dat ook in de natuurlijke wereld geldt en wat onder andere inhoudt: zoek geen verkering met een ongelovige jongen of meisje. Kijk uit met zogenaamde bekeringen, om de jongen of het meisje te krijgen.

Als de ene helft van het span op een tafel staat en de andere helft van het span ongelijk op de grond, dan is het veel makkelijker om degene op de tafel (de christen) naar beneden te trekken, dan dat degene die beneden staat (de ongelovige) naar boven gehesen kan worden. De invloed van beneden doet zich sterker gelden en helaas hebben wij kostbare jonge mensen af zien glijden naar beneden door een ongelijk span te vormen in verkering met een ongelovige.

Daarom mogen wij meebouwen aan de positieve instelling om alleen een relatie aan te gaan met iemand die van harte de Heer wil dienen en te waarschuwen voor ongelijke spanvorming. Dit bespaart een heleboel problemen. De Heer wekt op tot gehoorzaamheid bij relatievorming en bij Hem kunnen we ook genade vinden over ons leven, om op dit terrein de goede keuzes en beslissingen te nemen, niet in hartstocht en begeerlijkheid, zoals de wereld, maar in heiligheid en eerbaarheid (1 Thess.4:4-5; Hebr.13:4). Men leze eens Ezra 9 en 10 en Neh.13:23-27. Dat mag dan oude verbond zijn, er zitten voor ons toch nuttige lessen tussen. Dat geldt bijv. ook voor het aandachtig lezen van Spreuken 5, 6 en 7.

 

Oproep

 

Nu gaat het erom een besluit te nemen tot volledige overgave aan Gods wil op elk (bewust) punt van ons leven en radicale keuzes daarin te maken. God wil u en mij VOLLE genade daartoe geven!

Gehoorzaamheid wordt dan geen loden last, maar een vreugdevolle zaak om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God (Kol.1:10).

 

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *