Is het ‘eenspreker-model’ de beste manier om de gemeente op te bouwen?

IS HET “EEN SPREKER-MODEL” DE BESTE MANIER OM DE GEMEENTE  OP TE BOUWEN?

Een proeve ter overweging

De traditionele kerken 

De dominee preekte en het kerkvolk luisterde. Dat volk had het gaarne alzo! Op die wijze zijn velen opgevoed. De kerkorde stond het brengen van het Woord ook alleen toe aan ambtelijk bevoegde predikers, die er theologie voor hadden gestudeerd.

Alles verliep volgens een vaste liturgie, een geijkt patroon vanuit de Reformatie ontstaan. De ene man die het Woord bracht stond er centraal. De Gereformeerde eredienst was uit reactie op de Roomse rituelen en ceremonieën zeer sober ingericht.

Wel sprak men over de “dienst der gebeden”, die ook alle door de predikant verricht werden en de “dienst der offeranden”, want allen werden opgeroepen de collecte(n) niet achteloos voorbij te laten gaan. De psalmen (en evt. gezangen) waren van te voren door de dominee uitgezocht en werden door hem opgegeven. Nadrukkelijk stond de “dienst des Woords” centraal en de psalmzang, de wetsvoorlezing, de gebeden en de apostolische geloofsbelijdenis omlijstten het geheel.

Deze vastliggende structuur werd door sommigen ervaren als de “gekerkerde kerk”. Naar veler overtuiging kon de Geest niet goed uit de voeten met het geschetste stramien. Zij vonden het een belemmering voor de volle doorwerking van de heilige Geest. Niet weinigen trokken uit de historische, gevestigde kerken weg, om de vrijheid in de Geest te beléven.

In veel kerken is de orde van dienst nog steeds zo als hierboven werd geschilderd. Naar ons begrip doet het doorsnee kerkelijke patroon nogal plechtig, statisch en formeel aan.

Vernieuwing via de (volle) evangelische beweging

De Osborn – campage in 1958 op het Malieveld in Den Haag heeft een enorme stoot gegeven tot een geestelijk ontwaken in Nederland. Overal ontstonden nieuwe groepen en gemeenten. In de zestige, zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw kwam de (volle) evangelische beweging tot bloei.

Er werd geleerd hoe het ook anders kan in de samenkomsten. Dat men werkelijk de Heer kan loven en prijzen en dat het iets heerlijks is het jubellied aan te heffen. De trits zangdienst, aanbiddingsdienst en prediking kwam in zwang.

De zangdienstleider of meestal zangdienstleidster gaf enthousiaste lofliederen op en praatte deze aan elkaar met een kort persoonlijk getuigenis of Bijbeltekst tussendoor, dan wel door iets opbouwends te zeggen naar aanleiding van de tekst van het gekozen lied. De broeders en zusters in de zaal klapten mee dat het een lieve lust was. Tijdens de zangdienst kon er zo nu en dan door anderen een getuigenis gegeven worden, al naar wat men met de Heer beleefd had.

De zangleidster leidde ook de gemeente in de sfeer van aanbidding tot de Heer met rustige, vaak herhaalde koortjes. In de aanbiddingsdienst kregen ook de gemeenteleden gelegenheid hun lof, dank en aanbidding naar de Heer te uiten. Opheffing van (heilige!) handen werd een veelbetekenend gebaar tot God. Tussendoor werd er nogal eens een lied of koortje ingezet. Daarbij was er ook de mogelijkheid om Geestesuitingen door te geven in een beeld, profetie of tong met vertolking. Men had immers de doop met de heilige Geest ervaren en het streven naar de geestelijke begaafdheden was daar een gevolg van.

Na de aanbiddingsdienst was het de beurt aan de prediker. Hetzij een gastspreker van elders, hetzij een plaatselijke voorganger of oudste verkondigden de boodschap. Meestal in een tijdsbestek van zo’n half uur tot drie kwartier hielden zij hun prediking.

Soms was er daarna een uitnodiging tot voorbede. Zij die deze mogelijkheid aangrepen, ervoeren vaak bevrijding van gebondenheden, genezing van ziekte, of verhoring in andere noden. De nieuwe inzichten op de strijd in de hemelse gewesten (=de geestelijke wereld) manifesteerden zich daadwerkelijk in de gemeente.

Tot slot werd de dienst met een passend lied afgesloten. 

In veel (volle) evangeliegemeenten is de gang van zaken nog ongeveer zo als hierboven is vermeld. Het is een hele verbetering vergeleken met de traditionele kerken, waaruit velen afkomstig waren. De gelovigen in de zaal werden veel meer in de dienst betrokken met ruimte voor spontaniteit en er was een vrijere, meer informele manier gevonden, om de samenkomsten tot een feest te maken!

Meer vrijheid, niettemin aan beperkingen onderhevig

De Reformatorische kerken hebben op grond van het Woord op bepaalde punten met Rome gebroken, maar toch ook nog veel van de Rooms-Katholieke kerk overgenomen. Wij denken bijvoorbeeld aan de leer van de kinderdoop en een weliswaar in afgeslankte vorm toch nog toepassen van het verschil tussen “geestelijke” en “leek”, hoewel men ook “het ambt aller gelovigen” officieel erkende.

De (volle) evangelische beweging heeft op grond van het Woord en de heilige Geest bepaalde kerkelijke leringen losgelaten, maar ook het één en ander meegenomen uit de protestantse kerken. We denken nu aan het vrijwel altijd gehanteerde “één spreker – model”, dat is overgenomen naar kerkelijke snit.

De drieslag zangdienst, aanbiddingsdienst, prediking heeft wel voor meer beweging en dynamiek gezorgd in de samenkomsten. Toch is de afleiding daarvan niet rechtstreeks aan de Bijbel te ontlenen. De invulling van de samenkomst geeft aanmerkelijk meer vrijheid dan in de kerkelijke structuur. Er is vrijheid als het gaat om hardop bidden en het uitoefenen van Geestesgaven. Er zijn veel mogelijkheden gekomen voor lofprijs en aanbidding.

Persoonlijke getuigenissen is een gebied dat soms meer beperkingen oplevert, althans als het erom gaat die zomaar spontaan in te brengen. Mogelijk was dit een reactie op een zekere “wildgroei”, waarbij mensen allerlei “verhalen” begonnen te vertellen, die niet altijd tot opbouw van de gemeente waren. Je getuigenis van onnodige omhaal van woorden te ontdoen is dan ook iets dat we al doende mogen leren, zodat er ruimte en tijd blijft voor anderen die eveneens willen getuigen. Anderzijds is het jammer genoeg zo dat vele (volle) evangelische gelovigen nooit meer een getuigenis in de samenkomst geven.

De meeste beperking ligt bij de Woordverkondiging. Het Woord wordt niet “vrij” gegeven, maar is gereguleerd.

Roosteren: goed bedoeld, maar niet het volkomene

De zangdiensten worden van te voren ingeroosterd en bij toerbeurt verricht door bijvoorbeeld zes personen. Het is een groep waar vooral in wat grotere gemeenten nieuw, aankomend talent niet zo gemakkelijk binnenkomt, tenzij er zangleiding is, die zich vrijwillig terugtrekt.

De Woordverkondiging of toespraak/prediking is van te voren aangestuurd. Dat wil zeggen: vooraf zijn er mensen gevraagd om op die en die datum te spreken. De leiding van een gemeente vergadert hierover en overlegt wie er gevraagd zullen worden. Er wordt wellicht besloten dat er zo’n twaalf gastspreekbeurten per jaar zullen zijn en er wordt in den lande gekeken welke sprekers daarvoor op vastgestelde data gevraagd zullen worden.

Daarnaast zijn er een paar bijzondere diensten, zoals bijvoorbeeld jeugddiensten, getuigenisdiensten en de viering van de christelijke heilsfeiten. De “oudstenraad” of het “leidinggevende team” overlegt voorts wie uit hun midden spreekbeurten voor zijn rekening zal nemen en hoeveel op jaarbasis. Tenslotte zijn er nog een aantal spreekbeurten over, waarvoor selectief aan enkele personen uit de gemeente wordt gevraagd die te vervullen. Deze gemeenteleden spreken vervolgens één, twee of drie keer per jaar. Het is niet eenvoudig tot dit groepje toe te treden en het potentieel aan sprekers wordt meestal voorzichtig, op zorgvuldige wijze aangevuld.

Staande regel is vrijwel altijd: één spreker per samenkomst. Zelf participeren we veel in samenkomsten waar dit het gebruikelijke is, maar waarbij er doorgaans wel een zo groot mogelijke variatie van sprekers uit eigen gemeente en van buiten mogelijk is. Dat betekent niet dat dit de enig denkbare optie is.  Dat het brengen van de bijbelse boodschap via Woordverkondiging een ruime plaats verdient, is zeker bijzonder belangrijk. Dat staat buiten elke kijf!

We willen nu een aantal overwegingen aanreiken, die mogelijk een hulp zijn voor verdere opbouw van de gemeente in haar proces naar geestelijke volwassenheid.

De pionier brengt de boodschap

Als een pionier ergens op een plaats het evangelie van het Koninkrijk Gods begint te prediken, dan is het zonneklaar dat hij in de begintijd de enige spreker is. Hij verricht de taak veelal als apostel of evangelist en als er onder Gods zegen een groep verzameld is, kan de gemeentebouw van start gaan.

In de eerste periode is er veel geloofsopbouwende prediking en fundamentele bijbelstudie nodig. Wie kan die beter geven dan de ene man die visie en roeping had om ergens op een plaats een werk van God te beginnen? De mensen, die aan de zich vormende gemeenschap werden toegevoegd, hebben vertrouwen in hem gekregen en zij drinken de woorden Gods in. Het leeuwenaandeel van het werk wordt door de pionier verzet, vaak een evangelist en/of aangevuld door de leraarsbediening.

Zo langzamerhand begint de pionier echter ter plaatse om te zien naar vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten (2 Tim.2:2). Te zijner tijd ontwikkelen zich “oudsten” vanuit de groep, die mee gaan dragen en de noeste geloofsarbeid van de pionier van lieverlee eerst deels en tenslotte helemaal kunnen overnemen. Er zijn dan al herders ter plaatse opgegroeid, die zorg kunnen dragen voor de kleine kudde van de gemeente in beginstadium.

Een gemeente in de kinderschoenen 

Wanneer een gemeente in de eerste ontwikkelingsfase is, zal een evangelist – pionier, mogelijk daarna ook een bijbelleraar of later enkele oudsten/voorgangers zorgen voor geestelijk voedsel: eerst melk en vervolgens vaste spijs. Zolang een gemeente zich in kinderlijk stadium bevindt, zal het vaak één spreker zijn, die de toon van de samenkomst zet. Wel is het van meet af aan belangrijk dat ook de overigen door de vervulling met de heilige Geest vrijmoedig zijn en actief meedoen.

Zij leren te bidden in het openbaar tot de Heer en tot opbouw van de gemeente. Zij leren getuigenis te geven op zo’n wijze dat het nuttig is voor de gemeente, waardoor het geloof van de anderen wordt versterkt. Tevens zoeken zij de geestesuitingen in het midden der gemeente te openbaren door nauwkeurig acht te leren geven op de werking van Gods Geest in hen.

Een erg belangrijk gegeven noemt Paulus als hij de uitingen des geestes bespreekt: “Maar AAN EEN IEDER wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen” (1 Kor. 12:7). Wezenlijk is dat de leden leren hun medeverantwoordelijkheid voor het groeiende geheel te verstaan: “Gij nu zijt het lichaam van Christus en IEDER VOOR ZIJN DEEL leden” (1 Kor. 12:27).

Een gemeente op weg naar volwassenheid

Vanuit Efeze 3:18-19 zien we: ²geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan, samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, OPDAT gij vervuld wordt tot alle volheid Gods².

Efeze 4:7 zegt: ²Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt².

Efeze 4:11-16 betoogt in niet mis te verstane bewoordingen dat de bedieningen er zijn , om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij ALLEN de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. Om de mannelijke rijpheid te bereiken, is de dienst van alle geledingen nodig!

Als wij dus naar Gods wil als doel hebben, dat de gemeente tot geestelijke volwassenheid zal komen, dan hebben wij de inzet en de inbreng van elk lid op zijn wijze nodig. Immers alle leden kunnen openbaring van de Geest krijgen (1 Kor. 12:7). Die openbaringen van de anderen zijn voor onze geestelijke ontwikkeling onmisbaar. God wil ons geven een geest van wijsheid en openbaring om Hem recht te kennen (Ef. 1:17). Het is daarom van wezenlijk belang elkaar (regelmatig) tot opbouw te horen op de samenkomsten, van elkaar te leren en van elkaar opwekking en aanvuring te ontvangen! (1 Kor. 14:31).

Naarmate een gemeente zich geestelijk begint te ontwikkelen, kan het als te beperkt worden ervaren als slechts die ene spreker voor al het voedsel zou moeten zorgen. Het kan goed zijn dat hij meer inhoud heeft dan de anderen ter plaatse, maar die zullen ertoe opgevoed dienen te worden, dat zij naarmate de tijd vordert, ook mede ervoor zorg gaan dragen, dat de gemeente om zo te zeggen (geestelijk) brood op de plank krijgt.

Daartoe is geestelijke groei nodig: een persoonlijk bezig – zijn met het Woord, het praktisch toepassen van Gods Woord in de levenssituaties en het krijgen van openbaring, waarin een boodschap – hoe pril en beperkt in het begin ook – voor de gemeente ligt. Het gebrek kan door anderen aangevuld en opgevuld worden, die de kern van de boodschap van God hebben opgepakt en er hun deel aan toevoegen.

Het gaat niet om beschouwende, theoretische preken, maar om geladen met iets van God op het hart op de samenkomst te komen. Dan kan dat doorgegeven worden en dit is tot opbouw, nut en zegen. Soms kan dat gecomprimeerd zijn in 10, 15 of 20 minuten, dan hebben meerderen de gelegenheid op hetzelfde woord in te haken en aan te sluiten. De eerste broeder mag dan leren alle ²in- en uitleidingen weg te laten, om maar niet te spreken van onnodige uitweidingen, zodat de essentie en het hart van zijn boodschap in de gemeente landt. Hoe beperkt en gebrekkig dit ook in de beginfase zal functioneren, men leert zo elkaar om de beurt (zonder afspraken daartoe vooraf!) – de één na de ander – (zonder discussies tussendoor!) bij te staan en elkanders geloof op te bouwen.

Naarmate men aan geestelijke inhoud toeneemt en men door Gods genade vertrouwen bij de anderen krijgt, kan men wel iets langer spreken. Altijd is het echter van betekenis erop te letten te stoppen met spreken, als de openbaring en de zalving van Gods Geest ophoudt. Het is niet zo moeilijk samenkomsten te vullen met menselijke toespraken, die misschien aangenaam zijn voor het vlees, maar waarin het scherpe zwaard en de helende balsem van het Woord veelszins ontbreekt en die derhalve weinig voedsel voor de geest bevatten. Alles moet tot stichting, tot opbouw geschieden!

De boodschap van de eerste kan plaatsvinden met een aantekenbriefje met een aantal steekwoorden of gedachten, die de spreker thuis op zijn hart had. Het kan ook zijn dat er meer is voorbereid op papier (dat hoeft niet verkeerd of minder te zijn, om de gedachten te ordenen: de Geest werkt thuis ook!). Het kan ook zo zijn dat degene die begint gegrepen is om een bepaald woord op de gemeentesamenkomst te brengen en het spontaan met Gods hulp door te geven. Een tweede die daarop in wil haken – als daarvoor de mogelijkheid is geschapen – zal uiteraard door willen bouwen op het gelegde fundament voor die bijeenkomst, afgestemd op wat de Heer nog meer wil spreken. Hij geeft met kennis van Gods Woord (bijv. enkele aanvullende, onderbouwende teksten) en vanuit eigen leven een aanvulling. Eventueel kan er nog een derde opstaan, die mogelijk de kern van de eerste twee sprekers samenbundelt.

Samengevat: een gemeente in de kinderschoenen heeft het een periode nodig dat die ene spreker haar opbouwt. Wil zij zich echter ontwikkelen naar een grotere maat (van de wasdom der volheid van Christus), dan kan dit patroon met een vooraf vastgestelde ene spreker naar ons begrip ontoereikend worden, om te gemeente verder te bouwen. De leden van het lichaam van Christus behoren in elk geval de mogelijkheid te krijgen om op te groeien tot een gezonde, bijbelse en geestelijke mondigheid!

Meerderen kunnen dienen in de samenkomst, ook met het Woord

We willen nu een aantal passages in het Nieuwe Testament aanhalen, waaruit blijkt dat in de eerste gemeenten het ²vrije Woord² mogelijk was.

In 1 Kor. 14:29 staat: ²Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren…². Het gaat hier om meer dan het uitspreken van een geestesuiting. Het is zonneklaar dat het gaat om profetische woordverkondiging, te meer als we de verbinding leggen met Hand. 15:32. Daar lezen we per slot van rekening: ²Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, bemoedigden en versterkten de broeders met vele woorden². Profetisch spreken en prediking ligt dicht bij elkaar.

In Hand. 15:35 zien we wel dat Paulus en Barnabas het voortouw namen in de Woordverkondiging, maar dat zij ruimte lieten voor vele anderen om het woord mee te beoordelen, te ondersteunen, te bevestigen en te onderstrepen. Het vers luidt als volgt: ²En Paulus en Barnabas bleven te Antiochie en leerden en verkondigden MET VELE ANDEREN het woord des Heren².

Zelfs in de synagoge, hoeveel te meer in de gemeente van de levende God, kon men al vragen: ²Indien gij een woord van opwekking voor het volk hebt, spreek het dan² (Hand.13:15). In de apostelvergadering kon men eveneens na elkaar opstaan en het woord nemen, bijvoorbeeld Petrus, Barnabas en Paulus en Jacobus (Hand.15:7,12-13).

Behalve in 1 Korinthe 14:26 en volgende – het bekende “ieder heeft iets” – komt men op meerdere plaatsen in de brieven tegen dat het Woord “vrij” was.

Efeze 4:29b geeft aan: ²…maar als gij een goed (woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij die het horen, genade ontvangen².

Paulus had door Gods genade en Geest een boodschap voor de mensen, maar die had hij meestal niet kant en klaar voorbereid bij zich. Dat kunnen we ons niet voorstellen. Hij had het veeleer zo: “En bidt…ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken…” (Ef. 6:18-19).

Kol. 3:16 vermeldt: “Het woord van Christus wone RIJKELIJK in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst…”. Als de inhoud van het woord in de gelovigen nog arm en mager is, dan is het ook moeilijk elkaar te leren en zal men het van een of enkele sprekers moeten hebben, die bij toerbeurt week na week prediken. Zijn de gelovigen echter hongerig, dan nemen zij in betrekkelijk korte tijd het woord in rijke mate in zich op en voeren het met hun leven uit! Op die wijze neemt de kennis en wijsheid toe om elkander met het woord te dienen en krijgt men meer en meer inhoudsvolle samenkomsten!

1 Tim. 3:13 reikt het volgende aan: “Want zij, die hun dienst goed hebben vervuld, verwerven zich een ereplaats en veel vrijmoedigheid om te spreken door het geloof in Christus Jezus”. Welke dienst wordt hier bedoeld? Blijkens het voorgaande vers de dienst thuis! Iemand merkte eens met wijsheid op: “Wees thuis een getuige en je zult het overal zijn”! Als wij in ons eigen huis het voorbeeld in christelijk gedrag niet geven, hoe zullen wij dan grote woorden van God in de gemeente kunnen en durven verkondigen? Als ons leven thuis tot voorbeeld strekt, dan hebben wij ook veel vrijmoedigheid om te dienen met het woord op de samenkomsten! Anders zou ons woord op de samenkomsten een aanfluiting kunnen worden voor onze vrouw en kinderen, die ons leven van nabij kennen en kunnen nagaan of het klopt wat we verkondigen.

In 1 Petr. 4:10-11 lezen we: “Dient elkander, EEN IEDER naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods. Spreekt IEMAND (!), laten het woorden zij als van God; dient IEMAND, laat het zijn als uit kracht, door God verleend, opdat IN ALLES God verheerlijkt worde door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid is en de kracht in alle eeuwigheid! Amen”. Als wij iets over dit gedeelte opmerken, dan zien wij dat iemand kon opstaan om te spreken en te dienen. Het woord “iemand” is heel ruim. Tegelijkertijd staat er, dat het woorden moeten zijn als van God. Anders gezegd is er een gezonde combinatie nodig van vrijmoedigheid en vreze des Heren. Het is niet zomaar iets om woorden in de gemeente neer te leggen, want het gaat om woorden als van God. Het is echter ook weer niet de bedoeling, dat ieder maar blijft zitten, maar juist dat iemand vrijmoedig opstaat om met een boodschap van God op het hart deze door te geven aan de gemeente.

Uit dit vers kunnen wij verstaan dat er niet ingepland was wie dit keer de spreekbeurt zou hebben. Dat lijkt, hoe goed beslist ook bedoeld, op menselijke organisatie, in plaats van samenkomsten waar de heilige Geest met de leden van het lichaam van Christus uit de voeten kan tot opbouw van elk – ander. Dat kunnen werkzame “Geest en alle geledingen”- samenkomsten worden, waar nu vaak te veel sprake is van “rooster en podium” geleide samenkomsten. Daar kan God ook wel doorheen werken, maar de vraag is of we Hem meer en krachtiger willen zien werken in een functionerend lichaam van Christus.

Hebr. 10:24-25 zegt: “En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen”. Het geheim is dat je in je eigen bijeenkomst elkaar kunt aansporen! Waartoe? Tot liefde en goede werken en dat des te meer! Die gelegenheid is er vrij en volop en er is niemand die domineert. Menselijke begaafdheid of redenaarstalent telt niet, maar slechts godvruchtigheid. Wij kennen mensen die geen spreektalent hebben, maar wel een boodschap van God kunnen doorgeven tot zegen! Echter, we kennen ook toespraken, die menselijk gesproken meeslepend zijn en knap zijn in formulering, maar die niet met betoon van geest en kracht komen (vergelijk 1 Kor. 2:1-4), omdat het leven erin al te zeer ontbreekt.

“Ieder heeft iets”, betekent: komen met iets goeds, iets opbouwends. Enkelen kunnen met een lering komen, enkelen kunnen in tongen spreken, enzovoort (1 Kor. 14:26-27). Het wordt een zich ontwikkelende, heerlijke gemeente, waar men elkaar leert aan te sporen, zodat een heldere bazuin klinkt, zodat men zich gereed kan maken tot de strijd (1 Kor.14:8).

Geregelde spreekbeurten of het woord “vrij” geven?

Vanuit het traditionele kerkelijke en evangelische denken, mag er maar één persoon spreken per samenkomst. Uit bovengenoemde bijbelgedeelten hebben we geconstateerd, dat dit ten tijde van het nieuwe testament anders lag! Er was vrijheid om te (kunnen) komen met een woord en er konden meerderen met het woord dienen. Het is feitelijk ondenkbaar dat bijvoorbeeld de gemeente te Korinthe een sprekerslijst had opgesteld met daarop de volgende planning:

Week 1: broeder Paulus.

Week 2: broeder Silas.

Week 3: broeder Apollos.

Week 4: broeder Timotheus.

Zo werkte het niet! Natuurlijk kregen broeders die op doorreis te gast waren de eerste gelegenheid van de opzieners ter plaatse om het woord te verkondigen, maar er was ruimte voor meer profeten met een (aanvullende) boodschap.

In onze tijd mogen we leren om te groeien naar volwassen gemeente – zijn! Uiteraard is het nuttig om af en toe broeders van andere plaatsen uit te nodigen, om een stevige start te maken met een woordverkondiging, of daar een waardevolle toevoeging aan te geven en zich zo van buitenaf te laten bevruchten.

Daarnaast is het de hoofdzaak, om met de plaatselijke broederschap te leren elkaar op te bouwen. Als de spreekbeurten al bij voorbaat geregeld zijn en toegedeeld aan enkelen, dan is het niet denkbeeldig dat sommige andere leden het geestelijke animo verliezen, om zich uit te strekken tot een bijdrage in de woordverkondiging. Het werkt niet motiverend als men een half jaar moet wachten, voordat men eventueel een keer aan de beurt komt voor een woordverkondiging. (Tegen die tijd is er allang weer iets anders aan de orde, wanneer men tenminste geestelijk in beweging blijft! ). Het punt hierbij is dat men mogelijke bedieningen van sommige anderen  in de gemeente, die de Heer wil gebruiken, op een menselijke manier beknot.

Het argument: “daar zijn we nog niet aan toe, om het zonder roosters vooraf te doen” is meestal ingegeven door angst en dat is een slechte raadgeefster. Men moet er dan voor zorgen en aan werken dat de gemeente rijp wordt, om aan te kunnen wat het Woord zegt: “waar de Geest des Heren is, is vrijheid” (2 Kor. 3:17). Als de Geest HEER is, als Gods Geest de heerschappij gegeven wordt over de samenkomsten, ontstaat er vrijheid en wisselend dienstbetoon via velen.

Wanneer een gemeente opgroeit en rijpt, dan hoeven de spreekbeurten niet van te voren verdeeld te worden. Eén van de plaatselijke voor-gangers (=voortrekkers) kan bijvoorbeeld een begin maken met een bepaald onderwerp, dat nadien door een tweede en derde verder wordt uitgediept en vertaald naar het dagelijkse leven, waarop daarna weer door de gemeente met persoonlijke getuigenissen gereageerd kan worden. Degene die de leiding in de betreffende samenkomst heeft, kan ook het woord “vrij” geven.

In de praktijk zullen de vaders in Christus het meeste bijdragen tot de geestelijke inhoud van de samenkomsten. Maar er hoeft in een gemeente, die naar de volkomenheid jaagt, niet per se te worden vastgesteld wie er vandaag zullen spreken en in welke volgorde. Als het goed is, let ieder op de werking van de heilige Geest. Zij die nog tamelijk in het begin van hun geestelijke ontwikkeling staan, ook jonge mensen, kunnen eveneens een steentje bij het geheel leggen, vanzelfsprekend kort, levend en fris!

Gaat het echter om aardse taken in een gemeente (bijvoorbeeld koffieschenken, corveetaken, enz.), dan is het als regel praktisch om volgens een lijst of rooster te werken. Wil een gemeente echter geestelijk volwassen worden, dan kun je een geestelijke taak als dienen met het Woord beter niet altijd maar door menselijk organiseren door namen van te voren via roosters in te kaderen (en daarmee indirect anderen van de woordverkondiging uit te sluiten!). In een levend functionerend, geestelijk organisme wordt dit meer en meer overbodig. Daar kan gediend worden volgens het leven, onder leiding en discipline (!) van Gods Geest.

Wanneer er een bijbelstudieavond gehouden wordt, is het vanzelfsprekend geen bezwaar als één persoon een onderwerp belicht en deze zal meestal gebruik maken van aantekeningen. Dat is nuttig voor een verdere, verdiepende en ondersteunende opbouw.

Gaat het echter om de gewone samenkomsten, dan is het heerlijk 1 Kor. 14:26-33 te hanteren, zodat elk kan komen met dat wat hij heeft: een psalm, een lering, een openbaring, een tong, een uitlegging, enzovoort. Twee of drie profeten kunnen het woord voeren (1 Kor.14:29) en er staat tevens: “gij kunt allen één voor één profeteren, opdat allen lering en ALLEN OPWEKKING erdoor ontvangen” (1 Kor. 14:31). Dat hoeft niet via de geestesuiting van profetie “oude stijl” die vaak gepaard ging met het te aanmatigende “zo spreekt de Heer”. Dat kan ook door na elkaar korte, persoonlijke, profetische geloofsgetuigenissen te horen, hoe het door Gods kracht zal worden in eigen leven. In geloof zie je daarbij nieuwe levensperspectieven door het verkondigde woord des levens!

De bedoeling is dan men dan aansluit bij het door 2 of 3 verkondigde woord op die punten waar de Geest iemand licht over het eigen, persoonlijke leven gegeven heeft, zodat er diepere reiniging en voortgaande ontwikkeling kan komen. Het is prachtig als er door de werking van de heilige Geest in alle delen een “rode draad” gesmeed kan worden in de samenkomsten en de boodschap van God vastgeklonken wordt in de harten tot verdere levensverandering naar Jezus’ beeld!

Tenslotte: het “één spreker – model” is naar ons inzicht een kerkelijk overblijfsel en werkt opnieuw, zij het vaak onbedoeld, een “kerkje spelen” en “menselijke programmering” in de hand.

Laten wij ons beoefenen en beijveren, om volgens de werking en beweging van de heilige Geest samen te komen volgens 1 Korinthe 14:26-33 en wij zullen de veelvoudige en veelkleurige zegen en wijsheid van God in een grotere volheid gaan beléven! De diensten en gaven in de gemeente komen op deze wijze in een veel rijkere mate tot uiting en ontplooiing! Dit is het heerlijke proces naar een gemeente door middel waarvan de broeders en zusters de geestelijke volwassenheid gaan bereiken!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.