Is het Israëlisme bijbels gefundeerd?

Notities bij Joodse wortels, verbonden-zijn met het Joodse volk en Gods land

Inleiding

Wat mij op het hart ligt, is een andere kijk op het thema ’Israël’ te geven en een ander geluid te laten horen dan het vele dat overheersend in de christenheid over dit onderwerp te horen is en waarvan ik soms een beetje moe wordt… Dat kan aan mijzelf liggen. Ik heb vrienden – broeders en zusters – die een andere visie op deze belangrijke bijzaak hebben en die broeder- en zusterband zal en kan wat mij betreft blijven, want het gaat er niet om personen aan te vallen. Inhoudelijk wil ik – naast een aantal zaken, die ik eerder hieromtrent schreef op mijn website – nog eens enkele hoofdzaken weergeven hoe de Bijbel, in het bijzonder het Nieuwe Testament, geestelijk licht op Israël geeft. Althans voor zover mijn inzicht reikt (een belangrijke slag om de arm).

Er is een enorme belangstelling voor het land en het volk Israël onder veel christenen. Men vraagt zich af wat voor bijbelse betekenis Israël vandaag kan hebben. Niet weinigen menen dat je kunt zien hoe ver we in de eindtijd zijn door te kijken naar hoe laat het is op de klok van Israël. Bedoelt men daarmee een natuurlijk volk dat ongelovig is, dat als geheel buiten Christus staat en dat strijd voert tegen vlees en bloed?

Het beste advies dat sommigen aan christenen mee willen geven is: “Ga terug naar je Joodse wortels.” Een hulpmiddel daarbij is tegenwoordig bijvoorbeeld de Kesjer-cursus (ziehttp://www.shoresh.nl/). Op deze website staat: vóór Israël en Gods volk. We lezen daar wat de cursus inhoudt: “De Kesjercursus is een basiscursus over de Hebreeuws-Joodse wortels van het christelijk geloof. De cursus is met name bedoeld voor christenen die zich willen verdiepen in de Hebreeuws-Joodse oorsprong van hun geloof, de Bijbel en het land van de Bijbel, Israël.”

Met goede bedoelingen, daar gaan we vanuit, maar de vraag is of deze cursus niet een bijbels gezien eenzijdige voorlichting geeft. Worden locale gemeenten van Jezus Christus met de input van zo’n cursus geholpen of werkt de inhoud daarvan als een afleider van het werkelijke doel van gemeente-zijn? Het doel van de gemeente is niet het herstel van het natuurlijke Israël, maar het evangelie verkondigen aan alle volken (Matt. 24:14 en Matt. 28:19) en het herstel van de gehele schepping (Rom. 8:19-23).

Wij zien om ons heen dat het populair is geworden dat ook christenen uit de heidenen de sabbat gaan vieren en daarbij ook de Joodse feesten uit Leviticus 23 adopteren. Christenen verbinden zich met de Joodse rituele religie, zien Israël als het volk van God en beschouwen het Joodse land als het heilige en het bijzondere land van God. In dit verband schrijft men zelfs over het Heilige Land met hoofdletters. Hoe moeten wij als christenen over dit ‘Israëlisme’ denken?

 

Collectief schuld belijden?

 

Sommigen gaan zo ver dat ze ‘onze schuld ten opzichte van het Joodse volk’ gezamenlijk gaan belijden. Er is immers in de geschiedenis, ook die van de kerk, regelmatig sprake geweest van antisemitisme en deze Jodenhaat werd niet slechts gevonden bij de veroorzaker van de Holocaust, Adolf Hitler. In het boek Esther was dit al bij Haman het geval.

Zelfs christelijke mannen van naam als Thomas van Aquino en Luther hielden zich mee bezig met de haat tegenover de Joden, die beschouwd werden als Godsmoordenaars. Om nog maar niet te spreken over het geweld van de kruisvaarders in hun kruistochten in de Middeleeuwen. De kruistochten of ook wel kruisvaarten waren militaire ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina. Vreselijk!

Je kunt echter niet stellen dat wij als christenen daar allemaal collectief verantwoordelijkheid en aansprakelijk voor zijn. Ik weet in elk geval van mijn vader dat hij Joodse onderduikers verborgen hield in de Tweede Wereldoorlog. Ontzaglijk veel Nederlanders hebben zich ingezet om hun Joodse naaste uit handen van de Nazi’s te houden. Ook mensen met een zogenaamde ‘geestelijk Israëlvisie’ namen het op zich om Joden te laten onderduiken met gevaar voor eigen leven.

Hoezo collectief schuld belijden over wat eeuwen geleden gepasseerd is, hoe ernstig mis en verschrikkelijk soms ook? Wij hebben er als mens van nu part noch deel aan. Hooguit kunnen we erkennen dat – in het algemeen gesproken – de rol van de kerk tegenover Israël in de geschiedenis vaak niet fraai is geweest. Dit komt uiteraard nog steeds naar voren in het gesprek met Joden dat de christelijke kerk (vaak het ‘verbasterde Babel’ in de praktijk) het in de historie behoorlijk heeft verbruid in haar soms kwalijke optreden naar het natuurlijke Israël. Toch blijft overeind dat ieder van ons slechts verantwoordelijk is voor zijn eigen zonden en wij zijn niet collectief verantwoordelijk voor de zonden van het voorgeslacht (Ezech. 18:19-20; Rom. 14:12).

 

Vervangingstheologie?

 

In de theologie meenden de klassieke kerken dat een (in feite) meestal vleselijk christendom de plaats van het Joodse volk had ingenomen en dat het natuurlijke Israël geheel was afgeschreven. Dit wordt ‘vervangingstheologie’ genoemd, waarbij een christendom van historische volks- en familiekerken de plaats van het oude verbondsvolk Israël had ingenomen. “Niet allen die van Israël afstammen zijn Israël” (Rom. 9:6). Het ware Israël, dat zijn de besnedenen van hart door de Geest met de aan hen toegevoegde in Christus gelovende heidenen, heeft wel het verharde, ongelovige deel van het natuurlijke Israël vervangen, en brengt de vruchten voort die aan de bekering beantwoorden. Daarom sprak Jezus immers: “Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de VRUCHTEN daarvan opbrengt” (Matt. 21:43).

Het ware volk van God was altijd de minderheid, die de meerderheid in het kwade niet volgde (vergelijk Ex. 23:2) en deze Gemeente van Jezus Christus is altijd samengesteld geweest uit een getrouw Joods overblijfsel en de daartussen geënte heidenen naar het beeld van de ene (!) olijfboom in Romeinen 11. Het woord tussenenting is veel meer op zijn plaats dan het woord vervanging, alsof Israël finaal zou hebben afgedaan.

 

Hoop voor het natuurlijke Israël

 

“God heeft zijn volk toch niet verstoten. Volstrekt niet!” (Rom. 11:1-2). “Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade” (Rom.11:5).

Is er hoop voor het natuurlijke Israël? Zeker! “De Here had niet gezegd, dat Hij de naam van Israël van onder de hemel zal uitwissen” (2 Kon. 14:27). De velen die gezegd hebben: “Komt laten wij hen als volk verdelgen, zodat aan de naam van Israël niet meer wordt gedacht” (Ps. 83:5-9) zal dit daarom nooit lukken. Jesaja schrijft op diverse plaatsen dat er altijd een overblijfsel of rest behouden zal worden en in Romeinen 11:23 lezen we: “Maar ook zij zullen, wanneer (voorwaarde!) zij niet bij hun ongeloof blijven weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten.”

 

Tot jaloersheid verwekken

 

Paulus was intens bewogen over zijn eigen volk (Rom. 9:1-5; Rom. 10:1) en wilde graag enigen uit hen behouden door zo mogelijk zijn vlees en bloed tot naijver (= jaloersheid) op te wekken (Rom. 11:14-15). De gemeente of wat in de geschiedenis doorging voor ‘gemeente’ heeft meestal het getuigenis naar de Joden verpest door geen voorbeeld tot jaloersheid of tot verlokking te zijn. Een begeleidend verschijnsel van de ware gemeente, die het leven van Christus uitstraalt, is: dat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming vinden (Rom. 11:31).

 

Israël of Christus?

 

De gedachte bij de leuze ‘terug naar de Joodse wortels’ is een reactie op het Griekse denken (Hellenisme) in het christendom. Hierin zit een kern van waarheid en er is op zichzelf genomen niets op tegen om meer te kijken naar Hebreeuwse achtergronden.

De grote vraag is echter: wie of wat komt centraal te staan in het denken? In ‘Israël Aktueel’ van september 2015 geeft iemand het volgende getuigenis: “Door Israël leerde ik God kennen.” In het hele artikel komt de naam van Jezus Christus niet voor! Hier zien we dat op een subtiele manier niet Christus, maar Israël centraal komt te staan.

Het woord ‘Israël’ (Gen. 32:28) betekent strijder van God, maar dan niet meer om een aards Kanaän te veroveren, evenmin meer met tanks en bommen, zoals de huidige staat Israël, maar een strijder van God zijn in de sterkte en kracht van Gods macht tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef. 6:10-12).

 

Het Oude Testament lezen in nieuw-testamentisch licht

 

Er zijn er die prachtige uitspraken hebben gedaan over de verhouding tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Ik noem er enkele: “Het Oude Testament is Gods plaatjesalbum bij het Nieuwe Testament” en “het Nieuwe Testament is het verklarend zakwoordenboek bij het Oude Testament”. De schaduwbeelden in het Oude Testament, zoals de offers, de priesters, de sabbat, de besnijdenis, de feesten en de profetieën tonen voor christenen onder het Nieuwe Verbond de geestelijke werkelijkheid in Christus en in de Gemeente. Hoe nodig is het dat we Oude Testament lezen in het betere en meerdere licht van het Nieuwe Testament!  In het Nieuwe Testament is sprake van voortschrijdend inzicht en daarom gebruikt de Hebreeënbrief, die het Oude en Nieuwe Verbond met elkaar vergelijkt, 14x het woordje ‘beter’, o.a. ‘beter verbond’ (Hebr. 8:6). In dat heldere perspectief na de komst van Christus en met de Geest van Pinksteren is de grote nadruk die men in het ‘Israëlisme’ legt op de Thora, de wet, niet goed te begrijpen.

Uiteraard stemmen wij in dat het Nieuwe Testament ook niet te verstaan is zonder het Oude Testament. De beelden die bijv. in het boek Openbaring gebruikt worden zijn grotendeels ontleend aan het Oude Testament en hoeveel verwijzingen vinden wij in het Nieuwe Testament niet naar teksten in het Oude Testament.

 

Van de genade terug naar de wet: het Judaïsme

 

In de Galatenbrief heeft Paulus het over “zijn vroegere wandel in het Jodendom” en dat hij het in het Jodendom verder gebracht had dan vele van zijn tijdgenoten onder zijn volk als hartstochtelijk ijveraar voor zijn voorvaderlijke overleveringen (Gal. 1:13-14). Paulus waarschuwt in deze brief voortdurend om niet terug te keren naar het Jodendom met haar werken der wet om behouden te worden. Van deze moederschoot (= het Jodendom) was Paulus afgezonderd (gesepareerd staat er letterlijk) en door Gods genade geroepen, toen het Hem behaagd had, Zijn Zoon in hem te openbaren (Gal. 1:15-16).

De Judaïsten predikten een terugkeer van de genade en het geloof in Christus naar de wet. Paulus verzette zich krachtig tegen hen die onder meer de besnijdenis voor heidenen wilden invoeren (Gal. 2:14; Gal. 5:2-4; Gal. 6:12-15, vergelijk Hand. 15:5-11) en dagen, maanden, vaste tijden en jaren waarnamen (Gal. 4:10). De ‘Studiebijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek’ zegt hierover: “Bij ‘dagen’ valt te denken aan sabbatsonderhouding, bij ‘maanden’ aan de nieuwe maansdagen (vgl. Num. 28:11-15), bij ‘vaste tijden’ aan de feesten, zoals bijv. genoemd in Lev. 23 en bij ‘jaren’ aan het onderhouden van het jubeljaar (vgl. Lev. 25; Deut. 15:1-11).” Paulus wil niet dat hun leven onder de beheersing van wettische regels zal komen te liggen volgens de Joodse kalender.

De apostel Paulus riep uit: “Wie heeft u betoverd, wie Christus Jezus toch als gekruisigde voor ogen geschilderd is?” Deze betovering kwam ongetwijfeld van vrome, religieuze geesten via menselijke dwaalleraars, die Paulus valse broeders noemde (Gal. 2:4).

In de brief aan de Filippenzen somt Paulus op wat hij aan verdiensten had door zijn geboorte uit en opgroeien in het volk Israël, waardoor hij op vlees had kunnen vertrouwen (“naar de gerechtigheid der wet onberispelijk”), dit alles wat hem winst was, heeft hij om Christus’ wil schade geacht, omdat de kennis van Christus Jezus, zijn Here, dat alles te boven gaat (Fil. 3: 4-8).

 

De besnijdenis van het hart

 

Daarvoor had Paulus al gezegd: “Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen” (Fil. 3:3). Het gaat in het Nieuwe Verbond alleen nog om de besnijdenis zonder handen, van het hart, naar de Geest (Rom.2:28-29), de besnijdenis van Christus (Kol. 2:11-12).

Bij de besnijdenis van het vlees, als teken in gesteld bij Abraham in Gen. 17, werden de jongetjes van het verbondsvolk Israël ‘gemerkt’ door een ingreep aan de voorhuid van hun geslachtsorgaan. Immers, vanuit dat zaad zou de Christus voortkomen! Toen de beloofde Messias gekomen was en Hij verzoening bracht voor Jood en heidenen, werd de zogenaamde vleselijke besnijdenis overbodig. “Want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis, wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het verborgene is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God” (Rom. 2:28-29).

Het Nieuwe Verbond in Jezus’ bloed houdt alleen rekening met wie in Christus een nieuwe schepping is: uit Jood of uit heiden, er is geen onderscheid, besneden of onbesneden zijn naar het vlees betekent niets (Gal. 6:15, Gal. 5:6, Gal. 3:26-28, 1 Kor. 7:19, Rom. 10:12-13, Kol. 3:11 e.a.). De tussenmuur, die scheiding maakte tussen Jood en heiden, de vijandschap is weggebroken door Christus, die onze vrede is, die de twee één heeft gemaakt door het kruis (Ef. 2:14-16). Helaas richten zij die een andere weg voor Israël voorstaan, dan de weg die God met de gemeente voorheeft deze tussenmuur weer hoog op!

 

Abraham en zijn zaad: Christus en hen die in Christus zijn

 

Abraham is de vader van de onbesneden en de besneden gelovigen (Rom. 4:11-12). In het Oude Verbond begon God met de roeping van Abraham en via de aartsvaders ontstond er een groot, uitverkoren volk Israël (Gen. 12:1-2) met direct daarbij de belofte: “met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden” (Gen. 12:3). In het Nieuwe Verbond gaat het om het geloof in Christus van een internationaal volk van God: de Gemeente, het lichaam van Christus, “want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt” (1 Kor. 12:13).

Aan Abraham zijn de beloften gedaan en aan zijn zaad, in het enkelvoud: Christus (Gal. 3:16). “De zegen van Abraham is (sinds het kruis en Pinksteren, JdB) tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof” (Gal. 3:24). Wie is er nu zaad van Abraham? “Indien gij nu van Christus zijt, danzijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen” (Gal. 3:29). Abraham verwachtte al een hemelse stad en een hemels vaderland (Hebr. 11:10,16), want het aardse land Kanaän was de schaduw en niet de werkelijkheid (Hebr. 4:8). Met dit inzicht was hij zijn tijd ver vooruit, want zelfs nu zitten nog vele christenen zich steeds maar op de aarde te oriënteren.

In Johannes 8 zien wij hoe het is als de keerzijde plaatsvindt, al beriepen de Joden zich er tegenover Jezus op Abraham’s nageslacht te zijn (Joh. 8:33). Jezus zegt onder meer tegen hen: “Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham” (Joh. 8:39). “Jezus zeide tegen hen: Indien God uw Vader was, zoudt gij Mij liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden” (Joh. 8:42).

Heel scherp stelt Jezus tegenover hen: “Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen” (Joh. 8:44).

Verderop zegt Jezus: “Mijn Vader is het die Mij eert, van wie gij zegt: Hij is onze God, en gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem” (Joh. 8:54-55). Jezus identificeerde zonneklaar dat zij God NIET tot Vader hadden.

Toch wel een ander geluid dan dat van bepaalde christenen, die menen dat de Joden de Vader al hebben (als God van Israël naar oud-testamentische maatstaven). Zij beseffen niet wie de hemelse Vader is: Hij is de Vader van Jezus Christus!

 

Jezus is de weg voor Jood en heiden

 

De Bijbel kent geen ‘twee wegen-leer’, eentje voor Joden en eentje voor heidenen. Aan wie predikte Paulus het evangelie? “Joden en Grieken betuigende zich te bekeren tot God EN te geloven in onze Here Jezus” (Hand. 20:21).

Merkwaardig dat er vele christenen zijn, die zeggen dat je dat je Jezus niet als Verlosser aan het Joodse volk moet prediken, maar daarover moet zwijgen, totaal tegengesteld aan het optreden van Paulus. Weet men het soms beter dan Paulus? Er zijn er die oprecht gemeend oud-testamentische teksten proclameren als wachters op de muren van (het oude, aardse, tegenwoordige) Jeruzalem, maar niet aan het Joodse volk het evangelie verkondigen en hun Nieuwe Testament dicht laten. Kunnen wij Joden het evangelie onthouden? Zou dat in hun filo-semitisme (adorering van Israël) ook een vorm van anti-semitisme kunnen zijn om te weigeren aan Joden Jezus te verkondigen?

 

Het aardse en het hemelse Jeruzalem

 

Hoe heerlijk als ook Joden de Vader van Jezus Christus door geloof gaan aannemen, om daarmee het hemelse Jeruzalem tot moeder te krijgen (Gal. 4:26). In het Nieuwe Verbond gaat het er voor Jood en heiden om een hemelburger te worden, een geestelijke inwoner van het hemelse Jeruzalem te zijn. Straks zal de heilige stad, een nieuw Jeruzalem (met zijn inwoners uit alle volken, stammen, natiën en talen, JdB) uit de hemel, van God – nederdalen op aarde (Openb. 21:2, vergelijk Openb. 3:12).

In Ps. 87:3-7 staat onder meer: Heerlijke dingen zij van u te zeggen, o gij stad Gods en telt God bij het opschrijven der volken ieder van hen die in (het hemelse, JdB) Sion (vergelijk Hebr. 12:22-24) is geboren. Zelfs Filistea (mogelijk Palestina) en Tyrus (Libanon) met Ethiopië worden daar genoemd, evenals Rahab (Egypte) en Babel (Irak). Zij worden vermeld als degenen die Mij kennen! Kortom: Er is hoop voor mensen uit deze volken.

Het tegenwoordige Jeruzalem is met zijn kinderen in slavernij en staat op één lijn met Hagar, dat is de Arabische wereld (Gal. 4:24-26). Beide – ongelovige Joden en Arabieren – bevinden zich buiten Christus. Dit is in het ‘Israëlisme’ een tekst die men niet of nauwelijks aanhaalt. Israël heeft Jezus Christus nodig en de Palestijnen ook. Messias-belijdende Joden en christen-Palestijnen vinden elkaar in de verzoening door Jezus Christus en daardoor met elkaar!


Terug naar de Joodse wortels? Wie of wat is de wortel?

 

Paulus wilde helemaal niet terug naar zijn Joodse wortels, maar distantieerde zich van het bezitten van een eigen gerechtigheid uit de wet, omdat hij de gerechtigheid door het geloof in Christus had ontdekt op de grond van het geloof (Fil. 3:9). Hij was een burger van een rijk in de hemelen (Fil. 3:20) en Hij bedacht de dingen die boven zijn, waar Christus is (Kol. 3:1-2). Bij het schrijven van zijn brieven had Paulus geen ‘Joodse bril’ op, maar hij werd door de Geest geleid in het vertolken van zijn visie op de hemelse gewesten (een begrip dat in de Efezebrief  5x vermeld wordt), de dingen die in de geestelijke wereld aan de orde zijn. De heiliging door de Geest van de kinderen van God was een van zijn hoofdthema’s.

Wij vragen ons af wat Paulus met de saprijke wortel in Romeinen 11:17 bedoelde. In elke geval niet het Jodendom. “Niet gij draagt de wortel, maar de wortel draagt u”, schrijft hij. De olijfboom is het Israël van God en er zijn takken uit weggebroken (ongelovige Joden) en wilde loten (in Christus gelovige heidenen) daartussen geënt (Rom. 11:17-24). In het Oude Testament lezen we o.a. over Israël als olijfboom in Jes. 11:16-19 en Hos. 14:7-8. Het past de tussengeënte heidenen niet een hoogmoedige of aanmatigende houding tegenover Israël aan te nemen. Het uit de olijfboom weggekapt worden is ook bij hen mogelijk (Rom. 11:20-22).

Uit welke wortel stamde men? Daarbij kunnen we in eerste instantie denken aan de beloften die aan de aartsvaders, vooral aan Abraham, zijn gedaan. In Jer. 51:1-2 vinden we het volgende: “Hoor naar Mij, gij die de gerechtigheid najaagt, gij die de Here zoekt. Aanschouwt de rots waaruit gij gehouwen zijt, en de holte van de put waaruit gij gegraven zijt; aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die u baarde; want Ik riep hem als eenling en Ik zegende hem en vermenigvuldigde hem.” Het zaad (enkelvoud), waar de beloften aan gedaan zijn, is Christus (Gal. 3:16).

“Wat is het voorrecht van de Jood of wat is het nut van de besnijdenis? Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats toch dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd” (Rom. 3:1-2) en de beloften aan Abraham gegeven.

De wortel is bovenal het Woord, dat vlees geworden is: Jezus Christus is de saprijke wortel (Rom. 11:17), waar onze voeding, de levenssappen uit God. vandaan komen. We zien in meerdere Schriftplaatsen dat Christus Zelf de wortel is van de olijfboom als zaad van Abraham en als wortel en geslacht van David. Israël is niet de wortel en er is in Rom. 11 geen sprake van de zogenaamde Joodse wortels. Israël wordt gesymboliseerd door de boom met takken, die in de olijfboom blijven als ze in Christus geloven en weggebroken worden als ze ongelovig blijven aan Christus met de wilde loten daartussen geënt die aan de saprijke wortel (= Christus) deel hebben gekregen, dat zijn de christenen uit de heidenen. Hierbij geef ik de teksten aan over Christus als de wortel:

 

  • “En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen” (Jes. 11:1).
  • “En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Israël zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn” (Jes. 11:10).
  • “Komen zal de wortel van Isaï, en Hij die opstaat, om over de heidenen te regeren; op Hem zullen de heidenen hopen” (Rom. 15:12).
  • “En een uit de oudsten zeide tot mij: Ween niet; zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen” (Openb. 5:5).
  • “Ik ben de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster” (Openb. 22:16b).
  • “Opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde…” (Ef. 3:17).
  • “Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem, geworteld en dan opgebouwd in Hem, bevestigd wordend in het geloof, zoals u geleerd is, overvloeiende in dankzegging” Kol. 2:6-7).

 

Jezus is een Jood – het heil is uit de Joden

Les 1 en 5 van de Kesjer-cursus bevatten de in dit ‘tussenkopje’ genoemde titels.

Jezus was een Jood wat zijn natuurlijke afkomst naar het vlees betreft uit het geslacht van David (Rom. 1:3). Hij was geboren uit een vrouw (Maria), geboren onder de wet (van Mozes) (Gal. 4:4). Uit hen (de Joden) is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God te prijzen tot in eeuwigheid” (Rom. 9:5). Naar de geest was Jezus de Zoon van God (Luk. 1:35; Rom. 1:4). De tweede mens (Christus, de laatste Adam) is uit de hemel (1 Kor. 15:47b).

Naar zijn aardse komaf was Jezus uit de Joden en is het heil uit de Joden (Joh. 4:22). Het heil is echter niet VAN de Joden, maar evengoed voor de Samaritanen (half Joods/half heidens) en de heidenen uit alle volken bestemd.

In 2 Kor. 5:16 lezen we: “Zo kennen wij van nu aan niemand meer naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, THANS NIET MEER.” Wij – gelovigen uit Joden en heidenen – kennen Christus naar de geest, want Hij is gezeten ter rechterhand Gods, om voor ons te bidden en te pleiten bij de Vader. Hij is de verhoogde en verheerlijkte Heer voor ons en daarbij speelt in het Koninkrijk der hemelen aardse afstamming en nationaliteit geen enkele rol.

 

Israël naar het vlees en Israël naar de geest

 

In 1 Kor. 10:18 wordt er gesproken over “het Israël naar het vlees.” In 1 Kor. 10:11 staat over dit Israël naar het vlees: “Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is”. Dat laatste betreft de gemeente of ‘het Israël naar de geest.’ Dat dit inderdaad zo is, blijkt wel uit Rom. 9:6: “Want niet allen die van (natuurlijk) Israël afstammen, zijn (geestelijk) Israël.” De uitdrukking ‘geestelijk Israël’ klinkt voor velen als ‘vloeken in de kerk.’ Zij associëren deze terminologie onmiddellijk met de ‘vervangingsleer.’ Toch noemt de Bijbel Nathanaël “een echte of werkelijke Israëliet, in wie geen bedrog is” (Joh. 1:48, NBV en HSV), maar spreken Openb. 2:9 en Openb. 3:9 over “hen, die zeggen dat zij Joden zijn, maar het niet zijn.”

In Gal. 6:16 wordt gesproken over “het Israël van God.” Wat wil dit zeggen? “Want besneden zijn of niet besneden zijn, betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is. Enallen, die zich naar die regel zullen richten – vrede en barmhartigheid kome over hen en ook over het Israël Gods (NBG), maar de vertaling Brouwer geeft: zij zijn toch het Israël Gods” (Gal. 6:15-16). Het Griekse woordje kai kan ‘en’ betekenen, maar betekent eveneens: ‘dat wil zeggen’ (of: ‘dat is’) het Israël Gods. Dat is hier niet het etnische volk Israël, want het gaat hier niet om twee groepen: de gemeente en Israël, maar om één groep: allen die zich naar die regel of maatstaf richten, dat is voor wie een nieuwe schepping in Christus is, voor wie besneden (uiterlijk Jood-zijn) of onbesneden zijn (heiden-zijn) niets meer betekent. Dat is het ware Israël (van God!) of tewel dat zijn degenen die geestelijk en innerlijk een Jood zijn (Rom. 2:28-29), dat is het geestelijke zaad van Abraham: die van Christus zijn (Gal. 3:29). In Jes. 44:5 vinden we: “De een zal zeggen: Ik ben des Heren, een ander zal zich noemen met de naam Jacob, en een derde zal op zijn hand schrijven: van de Here, en de naam Israël aannemen.

 

Gans Israël: wat is dat?

 

Velen menen dat dit uitsluitend op het nationale Israël qua bloed en bodem moet slaan, dat na het binnengaan van de volheid der heidenen als geheel tot bekering zal komen. Is dat echter de betekenis van deze uitdrukking?

De eerste gemeente uit Israël beleefde de vroege regen, een geweldige volheid van de Geest. De takken uit de heidenen kwamen erbij door bekering tot God en geloof in Jezus Christus. De ongelovige takken uit Israël werden weggebroken. Dit geheimenis uit Rom. 11:25 is de gemeente, het Israël van God, de ENE olijfboom met takken van tweeërlei komaf. Let wel: er is geen sprake van twee olijfbomen in Romeinen 11.

God heeft niemand verstoten en de verharding is gedeeltelijk.

“En aldus wordt gans Israël behouden” (Rom. 11:26a). Daarachter staat een citaat uit Jes. 59:20: “Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie uit Jacob zich van overtreding bekeren.” Wat het natuurlijke Israël betreft, is er altijd bekering nodig. Het Grieks zegt voor “aldus” houtos (= zo, op deze wijze, volgens deze methode, langs deze weg, op die manier). Merk op dat dit niet een volgorde is: houtos  betekent niet “daarna” of “dan” komt geheel Israël tot bekering, zoals sommigen erin lezen.

Nergens in de Schriften belooft God bekering van hele volken of een compleet nationaal herstel en behoud van een aards en natuurlijk volk Israël. Bekering is een individuele zaak.

“Totdat de volheid der heidenen binnengaat” (Rom. 11:25) betekent niet: tot de laatste heiden tot bekering komt (kwantiteit). Het gaat bij de volheid van de heidenen om kwaliteit: die zal gezien moeten worden door middel van de kostelijke vrucht van de late regen (Jac. 5:7, vergelijk Marc. 4:29), dat wil zeggen dat Jezus wonderbaar openbaar komt in de zonen van God (Rom. 8:19, 2 Tess. 1:10), opdat, zoals het heil van de Joden, die naar het vlees gesproken de Christus voortbrachten (Rom. 9:5), naar de heidenen ging, ook het omgekeerde plaats kan vinden, dat zij tot jaloersheid verwekt kunnen worden.

 

Moeten christenen uit de heidenen de sabbat gaan houden?

Dit is een heel groot onderwerp en voor het doel van dit artikel gaat het om een aantal beknopte kanttekeningen.

In het Nieuwe Testament zijn er drie teksten, die er naar mijn begrip uitspringen, als het om de betekenis van de sabbat gaat (voor een uitvoerige uiteenzetting: lees mijn artikel‘Aardse of hemelse sabbat’).

In Kol. 2:16-17 schrijft de apostel: “Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is.” In Christus vindt de schaduwachtige sabbat haar geestelijke vervulling, want Hij brengt pas werkelijk Gods vrede en rust aan in de harten.

 

Hierover lezen we meer in Hebr. 4. “Wij gaan tot de rust in, wij die tot geloof gekomen zijn.” De basis van onze innerlijke rust is het volbrachte werk van Jezus op Golgotha, waar Hij stierf om onze zonden. “Hij stelt wederom een dag vast, heden…Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet. Want indien Jozua hen in de rust gebracht gebracht had, zou Hij niet meer over een andere, latere dag gesproken hebben. Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God. Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de Zijne. Laten wij er ernst mede maken, om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen” (Hebr. 4:7-11).

Het aardse land Kanaän was een schaduwbeeld, maar het volk van Israël kon door ongehoorzaamheid nooit die ware rust ingaan. De Hebreeënschrijver spreekt hier over de geestelijke, innerlijke rust, die de gelovigen HEDEN, dat is nu, kunnen ervaren: een vrede VOORTDUREND IN ELK OPZICHT (2 Tess. 3:16). Deze rust in God is het deel krijgen aan de goddelijke natuur, deel krijgen aan de rust van God, die Zelf altijd in de rust is.

Het Nieuwe Verbond verplaatst de sabbat van een uiterlijke dag op zaterdag naar de beleving van de rust van God in de innerlijke mens, die je elke dag mag en kunt ervaren. Wij kunnen het ook zou uitdrukken: de sabbat wordt in het Nieuwe Verbond van de aarde getild naar de hemelse gewesten, waar onze inwendige mens (ziel en geest) al mag functioneren door in alle rust vernieuwd te worden in je denken door de Geest en van daaruit de geestelijke strijd te voeren.

De sabbat van het Oude Verbond bestond van onze vrijdagavond zonsondergang tot onze zaterdagavond zonsondergang. Daarin deed je bepaalde dingen met je lichaam niet: “Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij GEEN WERK DOEN…” (Ex. 20:8-10). Velen hebben het gebod van de sabbat dag overgeheveld naar de zondag, de eerste dag der week, zonder dat Gods Woord dat expliciet aangeeft. Ook de begrippen in Reformatorische kerken als ‘zondagsrust’ en ‘zondagsheiliging’ kun je niet in de Bijbel vinden. Wel is de eerste dag der week de dag van de opstanding van Jezus Christus: “Gedenk, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt” (2 Tim. 2:8).

 

In Rom. 14:5-6a (HSV) zien we nog een aanvullende gedachte: “De een acht de ene dag boven de andere dag, de ander acht alle dagen gelijk. Laat ieder in zijn eigen geest ten volle overtuigd zijn.” (NBG): “Wie zich aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here…”

In dit hoofdstuk gaat het over sterken en zwakken, die elkaar moeten verdragen in de gemeente. Paulus rekende zichzelf tot de sterken: voor hem zijn ALLE DAGEN GELIJK. In de lofzang van Zacharias lezen we zo schitterend: “Dat Hij ons zou geven, uit de hand der vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, AL ONZE DAGEN” (Luk. 1:74-75).

De zwakken houden zich aan een bepaalde dag. Paulus heeft daar geen problemen mee, als zij aan een bepaalde dag (sabbat of zondag, JdB) hechten om de Here en ieder moet daarvan in zijn eigen geweten ten volle overtuigd zijn (Rom. 14:5). Ieder moet daarvan voor zichzelf rekenschap geven aan God (Rom. 14:12). In de gemeente is het niet de bedoeling elkaar een bepaalde dag op te leggen en voor Paulus, die in de ruimte van de vrijheid in Christus stond, waren alle dagen gelijk. Zijn oproep is echter: “Laten wij dan elkander niet oordelen, maar komt liever tot dit oordeel: uw broeder geen aanstoot of ergernis te geven” (Rom. 14:13) en: “Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht” (Rom. 14:22). Hij vervolgt met: “Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden der zwakken verdragen en niet onszelf behagen. Ieder onzer trachte zijn naaste te behagen, ten goede, tot opbouwing, want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd…” (Rom. 15:1-2). Paulus hield uitdrukkelijk rekening met het zwakke geweten van sommigen (1 Kor. 8:7-13).

 

Moeten christenen uit de heidenen ook de Joodse feesten gaan vieren?

 

Over de Joodse feesten wil ik kort zijn. Ik neem over van http://www.beleven.org/feesten/joden :

Veel joodse feestdagen zijn seizoensgebonden. Ze waren vroeger gebonden aan het leven op het land. Op sommige feesten moesten offergaven van de oogst aan de Here gebracht worden. Het joodse paasfeest, Pesach, moest daarom altijd in het voorjaar gevierd worden, het Wekenfeest, Sjavoeot, vond plaats in de zomer en het Loofhuttenfeest, Soekkot, vierde men in de herfst.
Deze drie feesten viert men nog altijd in genoemde jaargetijden. Ze herinneren aan de uittocht van het Joodse volk uit Egypte en worden daarom ook wel de pelgrimsfeesten genoemd.
Op Sjabbat en Joodse feestdagen – Rosj Hasjana (Joods nieuwjaar), Jom Kippoer (Grote Verzoendag), Soekot (Loofhuttenfeest), Sjemini Atseret (Slotfeest), Simchat Tora (Vreugde der Wet), Pesach (Pasen) en Sjavoeot (Wekenfeest) – mag niet worden gewerkt. Het is dan bijvoorbeeld verboden om te schrijven, te reizen, vuur te maken en electriciteit te gebruiken. Joodse leerlingen en studenten kunnen dan dus geen lessen volgen of deelnemen aan tentamens.
Op Sjabbat en Joodse feestdagen geldt onder andere:
– niet werken of je bezighouden met ‘alledaagse’ dingen
– niet dragen en niet reizen
– niet schrijven
– geen vuur maken
– geen elektriciteit gebruiken
– een ander niet voor je laten werken

 

Uit het laatste lijstje zien we hoe verweven alles is met de ceremoniële wetten van het Oude Testament, die niet voor ons, christenen van het Nieuwe Verbond gelden.

Is de bovenstaande rij van Joodse feesten volledig? Nee, er zijn nog meer feesten, bijvoorbeeld  Chanoeka (Lichtfeest) (zie 1 en 2 Maccabeeën) en het Poerimfeest (Lotenfeest) (zie het boek Esther).

Nergens in het Nieuwe Testament wordt ons opgedragen om deze feesten als gelovigen in Christus te vieren.

Op de school waar ik werk vroeg een christen-collega verlof om de Joodse feesten met haar gezin in september/oktober te vieren: Rosh Hasjana (het Joods Nieuwjaar), Jom Kippour (Grote Verzoendag) en de opening en sluiting van Soekoth (Loofhuttenfeest).

Kortom: we merken dat het vieren van deze feesten onder christenen steeds meer in zwang komt zonder dat daar een bijbelse aanleiding toe is. Nogmaals: nergens in het Nieuwe Testament lezen we een oproep om deze feesten te vieren.

Er kan vermenging plaatsvinden tussen de Joodse godsdienst (buiten Jezus Christus om) en het christelijke geloof. Dat is – eufemistisch gesproken – beslist niet aanbevelingswaardig. Genade en wet zijn niet door elkaar te mengen. Paulus was, speciaal in de Galatenbrief,  de apostel van het ‘wetsvrije’ evangelie van de genade van God: “Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen” (Gal. 5:1-2).

Zag Paulus dan geen gevaren aan die vrijheid? Zeker wel: “Want gij zijt geroepen, om vrij te zijn; gebruikt echter die vrijheid niet tot een aanleiding van het vlees” (Gal. 5:13). Daarnaast schrijft Paulus: “Ik ben voor Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun die onder de wet zijn, als onder de wet – hoewel persoonlijk niet onder de wet – om hen, die onder de wet staan te winnen. Hun die zonder wet zijn (de heidenen, JdB), ben ik geworden als zonder wet – hoewel persoonlijk niet onder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen, die zonder wet zijn, te winnen” (1 Kor. 9:20-21).

Hij zei ook: “Veeleer bevestiging wij de wet” (Rom. 3:31) en “opdat de eis der wet in ons vervuld worde door de Geest” (Rom. 8:4). In Hebr. 8:10-12 en Hebr. 10:15-16 lezen we over de wet van de Geest des levens (Rom. 8:2), die in ons hart en ons verstand geschreven wordt. Jakobus spreekt van de koninklijke wet of de wet der vrijheid (Jak. 2:8,12).

Hebben deze feesten, in het bijzonder de zeven in Leviticus 23 genoemde, ons dan niets meer te zeggen? Absoluut wel, want ze hebben een waardevolle geestelijke betekenis voor ons christenen. Ik kan hierover aanbevelen de leerzame studie op: http://www.in-geest-en-waarheid.nl/pascha.htm (naar het boekje ‘Van Pascha tot Loofhutten’).

 

Moeten we ons verbinden met het Joodse volk en de Joodse godsdienst?

De gestelde vraag houdt in: moeten wij als christenen ons verbinden met een ongelovig volk, dat niet in Jezus Christus als de Zoon van God gelooft, laat staan Hem gehoorzaamt? Doen wij mee met hun rituele religie onder de wet, waarbij het zichtbare-uiterlijke zozeer centraal staat?

Het grote misverstand, dat breed verbreid is in christelijke kringen, wordt gevormd door de gedachte: “Israël is Gods volk.” Als je op Family 7 naar de uitzendingen met br. Jan van Barneveld kijkt over de eindtijd met daarin een prominente kijk op het natuurlijke Israël, kan dat erin gaan als ‘zoete koek’ bij vele christenen. Toch zijn we geroepen om het een en ander te toetsen aan de Bijbel.

Is Israël zonder Christus volk van God? Naar mijn overtuiging is het antwoord op deze vraag: nee. God houdt er niet naast de Gemeente van Jezus Christus, bestaande uit een Joods overblijfsel en de heidenen die er tussengevoegd zijn, een tweede volk op na: het natuurlijke volk Israël in het Midden-Oosten.

Al kunnen we in natuurlijk opzicht best veel sympathie voor het volk Israël hebben, toch kunnen en zullen we ons niet geestelijk verbinden met het Joodse volk in hun ongeloof of met de orthodoxe Joden die wiegend bij de Klaagmuur bidden, maar dit niet doen in Jezus’ naam.

 

Bijbelse terugkeer naar het land?

 

“Ja maar, zegt die terugkeer in 1948 jou niet dat dit Gods volk is? ”

Nee, in bijv. Deut. 30:1-10 lezen we over de voorwaarde tot een werkelijke terugkeer: “En wanneer gij u dan tot de Here, uw God, bekeert en naar zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebiedt, gij en uw kinderen, met geheel uw hart en met geheel uw ziel – dan zal de Here, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken, naar wier gebied de Here, uw God, u verstrooid heeft. Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, de Here, uw God, zal u bijeenbrengen en vandaar halen; de Here, uw God, zal u brengen naar het land, dat uw vaderen bezeten hebben, gij zult het bezitten en Hij zal u weldoen en u talrijker maken dan de vaderen…wanneer gij naar de stem van de Here, uw God, luistert door zijn geboden en inzettingen te onderhouden, die in dit wetboek geschreven staan; wanneergij u tot de Here, uw God, bekeert met geheel uw hart en met geheel uw ziel” (Deut. 30:2-5, 10).

Hier zien we de beloften van God, die echter conditioneel, dat is voorwaardelijk, zijn, dat wil zeggen: met het drie keer gebruiken van het woordje ‘wanneer’ wordt de voorwaarde van bekering gekoppeld aan de terugkeer naar het land. Deze bekering heeft noch in 1948, noch in 1967, noch daarna plaats gevonden. Integendeel, zo’n 70 % van de Israëli’s is atheïst.

Er zijn geen beloften voor een bekering van het totale volk Israël. “Aldus (= op deze wijze) zal gans Israël behouden worden” (Hebr. 11:26) betekent niet dat alle individuele mensen van het volk Israël behouden worden, bijv. Achab en Karl Marx incluis. Het ongehoorzame deel wordt niet behouden. Er is een gedeeltelijke (niet: tijdelijke) verharding (Rom. 11:7,25).

Het Israël naar de geest zal bestaan uit Joden en heidenen: allen die geestelijk besneden zijn van hart en de geestelijke sabbat in hun binnenste kennen. Wel lezen we: “Het overblijfsel van Israël zal een grote schare zijn” (Jer. 31:7-8). Alleen door het aannemen van Jezus Christus als Zoon van God is er hoop voor hen. We mogen bewogen zijn over Joden, maar evengoed over Palestijnen en alle anderen die Jezus niet als Verlosser en Heer (er)kennen.

 

De Vader niet zonder de Zoon en de Zoon niet zonder de Vader

 

We geven een paar teksten, die duidelijk maken dat het kennen van de Vader en de Zoon niet van elkaar losgekoppeld kunnen worden:

 

  • “Een ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet; wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon” (2 Joh. 9).
  • “Wie Mij (Jezus) niet eert, eert ook de Vader niet die Mij gezonden heeft” (Joh. 5:23).
  • “Wie Mij (Jezus) haat, haat ook Mijn Vader” (Joh. 15:23).
  • “Een ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader” (1 Joh. 2:23).

 

Zie je, dat wanneer je hierbij aan de Jood in zijn algemeenheid denkt, het ‘Israëlisme’ je een dwaalspoor spoor zet? Sinds het kruis van Christus, de uitstorting van de Geest in Hand. 2 en Hand. 10, de uitspraak in Hand. 28:28 “Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!” en de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 staat Israël gelijk aan de andere volkeren en is er geen onderscheid meer. Christus is het brandpunt in de heilsgeschiedenis. Er is geen speciale positie voor het volk Israël meer onder het Nieuwe Verbond.

 

Is Israël Gods land?

Ik weet dat Lev. 25:23 zegt: “Het land is van Mij.” Erets Jisraeel’ (het land Israël). Het woord ‘erets’ betekent zowel land als aarde. De profeten zeggen: “De aarde zal vol worden van de kennis des Heren heerlijkheid, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken” (Jes. 11:9; Hab. 2:14). In Jesaja 54:5 lezen we ”…Uw losser is de heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden.” In Jak. 5:7 wordt gesproken over “de kostelijke vrucht der aarde” (of evengoed weergegeven door: “des lands”) als gevolg van vroege en late regen.

In het Nieuwe Verbond bestaat er geen Heilig Land, geen aardse heilige stad, geen aardse, stenen tempel, dus geen enkele heilige plaats. Kerkgebouwen als heilig zien is on-Bijbels. Wij kunnen en mogen God overal aanbidden: in onze binnenkamer, in de auto, op de fiets, in de samenkomsten van de gemeente, enz. Uiteraard kan het voor een christen uit de heidenen boeiend zijn het land van de Bijbel zelf in ogenschouw te nemen, om een beter beeld te krijgen van de historische verhalen.

De Samaritaanse vrouw zei tegen Jezus: “Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. Jezus zeide tot haar: “Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij bidt wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid, want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid” (Joh. 20:20-24).

Het is dus volstrekt onbelangrijk bij het bidden waar ons lichaam zich bevindt. Bidden is in waarheid bezig zijn in de geest, dat is: je in de hemelse gewesten tot God richten. Het volk van God in het Nieuwe Verbond wandelt op ‘eigen bodem’ op ‘de grond des Heren’ (Jes. 14:1-2) in de hemelse gewesten (= de onzichtbare, geestelijke wereld), dat voor sommige christenen nog ‘onbekend land’ is. In het boek Daniël wordt er gesproken over “de heiligen der hoge plaatsen” (Dan. 7:18,22,27, SV).

 

Een zichtbare, letterlijke of een onzichtbare, geestelijke tempel

 

“De tempel in Jeruzalem zal worden herbouwd” is ook zo’n gedachte uit het ‘Israëlisme.’ Wij die vanuit het werk van Jezus Christus op Golgotha leven, weten dat het ene grote offer voor onze zonden daar gebracht is en dat op die wijze “God de wereld met Zichzelf verzoenende was door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd. Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond vermaande; in de naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen” (2 Kor. 5:19-21).

Een eventuele te bouwen tempel in Jeruzalem met levitische priesters, die schaduwachtige offers brengen, is voor ons van geen enkele geestelijke waarde. Het is een terugkeer van het Nieuwe Verbond naar het Oude Verbond. Het Nieuwe Verbond kent een tempel van God in de Geest, een geestelijk huis van levende stenen, dat is de gemeente, die samengesteld is uit Jood en Griek (Ef. 2:21-22; 2 Kor. 6:16; 1 Petr. 2:5; 1 Tim. 3:15; 1 Kor. 3:16-17; Hebr. 3:6).

Als wij Schrift met Schrift vergelijken, dan kan het woord ‘tempel’ in het Nieuwe Testament, dat overal geestelijk voor de gemeente wordt gebruikt, niet ineens weer een letterlijke tempel zijn. De twee teksten die men daarvoor hanteert, zijn 2 Tess. 2:4 en Openb. 11:1-2:

 

“De tegenstander die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan Zich te laten zien, dat hij een god is” (2 Tess. 2:4). Het gaat hier over de mens der wetteloosheid, de zoon des verderfs, de antichrist. De geest van de antichrist zet zich in de tempel van de mens (die bestemd is voor de heilige Geest, 1 Kor. 6:19) en in de afvallige, Babylonische gemeente, waar men zonde en God tegelijk mag dienen.

 

“En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op, meet de tempel Gods en het altaar en hen die daarin aanbidden. Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten en meet die niet; want hij is aan de heidenen prijsgegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang” (Openb. 11:1-2). Uit Openb. 11:19 “de tempel Gods, die in de hemel is, ging open…” weten wij dat het ook hier om de geestelijke betekenis van de tempel gaat.

De voorhof is het aardse Babylonische-christendom, dat innerlijk verdeeld is, en wordt prijsgegeven aan de heidenen (= de antichrist en de machten der duisternis nemen de voorhof in ). Het vertreden van de heilige stad wijst op het zout dat zijn kracht verloren heeft en vertreden wordt (Matt. 5:13). De tempel en het altaar wijzen op de ware Gemeente, die de volwassenheid, de mannelijke rijpheid, bereikt en gemeten wordt “naar de maat van de wasdom der volheid van Christus” (Ef. 4:13).


Slotopmerkingen

Ik besef dat ik in dit artikel tegen de heersende stromingen van het ‘Israëlisme’ op zwem. Die tegenstroom zal waarschijnlijk niet door ieder gewaardeerd worden, maar kan goed bijbels onderbouwd worden. Dit lijkt me nuttig, omdat eenzijdige Israëlvisies herhaaldelijk de aandacht en de voorrang vragen in christelijke gemeenten om bijbels tegenstuur te geven en ‘wie het vatten kan, die vatte het.’ Het is uitdrukkelijk niet mijn opzet broeders en zusters aan te vallen, want wij voeren geen strijd tegen bloed en vlees. De broeders en zusters van het ‘Israëlisme’ krijgen in elk geval stof tot nadenken en ter overweging om hun visie bij te stellen en ik weet hoe moeilijk het is om oude inzichten los te laten.

Het is goed mogelijk om met de geschetste andere benadering een geheel andere zienswijze vanuit de Bijbel, in het bijzonder het Nieuwe Testament, op te bouwen, die veel meer recht doet aan de betekenis van het Nieuwe Verbond en de Gemeente van Jezus Christus. De heersende Israëlleer doet tekort aan de Gemeente van Jezus Christus en richt onze blik naar de aarde, dat wil zeggen naar het Midden-Oosten, in plaats van naar het bedenken van de dingen die boven zijn, waar Christus is (Kol. 3:1-2). De aardse Israël-visie zet christenen helaas op het verkeerde been. Ik wil hen toeroepen: Er is een beter alternatief!

Ik weet dat het een populaire lering is – die we in dit bestek niet besproken hebben, maar in andere artikelen wel – dat de Gemeente VOOR de grote verdrukking zal worden opgenomen en dat God daarna de draad met Israël weer oppakt. Deze visie wordt door zeer velen gehuldigd, maar kan de bijbelse toetssteen evenmin doorstaan (zie de artikelen op mijn website ‘Opname voor de grote verdrukking?’ 1, 2 en 3).

We eindigen met twee teksten die ons zicht geven op de manier waarop we de oud-testamentische profetieën en beloften moeten uitleggen en begrijpen:

 

  • “Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de door u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan” (1 Petr. 1:10-12).
  • “Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons” (2 Kor. 1:20).

Het is essentieel te weten dat God zijn beloften nooit vervult buiten Jezus Christus om. De vervulling van de profetieën heeft altijd betrekking op Christus en hen die in Christus zijn, de gemeente van de levende God. Het doel van de gemeente is dat de volwassen en volgroeide zonen van God geopenbaard worden, die samen met de eerstgeboren Zoon onder vele broeders (Rom. 8:29), de zuchtende schepping gaan herstellen (Rom. 8:18-23).

Jildert de Boer
© Verdieping en Aansporing,
September 2015.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *