Is ‘verbrokenheid’ een goddelijk principe?

IS ‘VERBROKENHEID’ EEN GODDELIJK PRINCIPE?

Moet elke christen‘verbroken’ worden?

Inleidend

Soms wordt geleerd dat ons zieleleven eerst verbroken moet worden, voordat de heilige Geest Zich in een mens kan openbaren. Er wordt gedacht dat de mens dat eerst verbrijzeld moet worden, voordat God iets met hem kan beginnen. De mens moet tot niets gemaakt worden, met zijn neus naar beneden op de grond, voordat God met een mens kan werken.  Deze trant van redeneren is populair in sommige kringen. Zijn dit soort gedachten en leringen bijbels of leert de Schrift ons heel iets anders? Kan hier sprake zijn van een soort gewilde nederigheid die dient tot bevrediging van het vlees? (Kol. 2:18-23).

Liederen in deze strekking

Er wordt wel gezongen ‘Heer, verbreek mij nu’, ‘Neem mij, breek mij, vul mij, zend mij’ en ‘O niets te zijn, gans niets te zijn.’ Ook de Joh. de Heer-bundel met al zijn zegeningen moet wel aan de hand van de Bijbel getoetst worden. Niet voor niets hebben christenen die goed nadachten over de inhoud van de tekst de zinsnede met ‘breek mij’ vervangen door ‘vorm mij.’ Dat klinkt heel wat beter! God roept mensen niet op om nullen te zijn, maar de mens mag iemand zijn, een persoon met een eigen, zelfs nieuwe identiteit in Christus. Kortom: een vernieuwde persoonlijkheid in Hem en niet een stukgeslagen mens in de ellende.

Moeten wij de wil van een kind breken?

In de opvoeding zijn er ouders die menen dat de wil van een jong kind al heel vroeg gebroken moet worden. Dat gebeurt kennelijk, omdat men ervan uitgaat dat het jonge, onbewust levende kind al door en door verdorven is en dat daarom diens prille, ontluikende en explorerende gedrag al jong gebroken moet worden. Maar een vrolijk, levenslustig kind is toch geen klein duiveltje? Hier zien wij dat een negatief, donker mensbeeld van invloed is op de opvoeding. Als dat willetje zich lijkt te openbaren, moet het in de kiem gesmoord worden en het zeer jonge kind (bijv. anderhalf tot twee jaar) wordt gedrild en door tikken op zijn vingers bijgestuurd als hij/zij iets fout doet. Strookt deze crue aanpak wel met de identiteit van het kind? Het is absoluut niet Gods bedoeling dat wij de unieke door God geschapen persoonlijkheid van het kind kraken. Hebben zulke mensen wel in de gaten wat een kostbaar GOED God hen heeft toevertrouwd dat zij mogen koesteren als een hemels geschenk? “Ja, HEBT GIJ NOOIT GELEZEN: uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen HEBT GIJ LOF BEREIDT?” (Ps. 8:3: Matth. 21:16). Werken en opvoeden vanuit een gezond, evenwichtig mensbeeld biedt een heilzaam perspectief voor kinderen. Kinderen zijn niet der verdoemenis deelachtig, maar Jezus toont als voorbeeld ons dat we erop toezien de kleinen niet te verachten (Matth. 18:10a) en hen niet te verhinderen, maar ze te omarmen en ze te handen opleggende te zegenen. Daarbij sprak Hij: “want voor zodanigen is het Koninkrijk Gods” (Marc. 10:13-16).

Een kind vormen en buigen

Het kind komt op de wereld in bezet gebied – de duivel en zijn demonen huizen er – en het zal de gevolgen van de zondeval gaan ondervinden in zijn omgeving, maar ook in eigen leven. Al opgroeiende mag het kind spelen en de wereld verkennen. Liefdevolle ouders zullen het kind bemoedigen en complimenteren bij elke succesvolle poging bij het spreken, lopen en verkennen, onderzoeken, eten en drinken en zindelijk leren worden. Natuurlijk zullen ouders het kind bijsturen en het opvoeden in gehoorzaamheid (Ef. 6:1) door consequent te handelen, dat wil zeggen: hun ja JA laten zijn en hun nee NEE (Matth. 5:37). Tijdens het opvoeden wordt het kind gevormd door zijn ouders en wat de wil betreft, die moet beslist niet gebroken worden, maar wel gebogen, zodat het kind leert dat het niet altijd zijn/haar zin kan krijgen. Tijdens het vormen en buigen leert het kind kostbare levenslessen die hem/haar later van pas zullen kunnen komen in het omgaan en het samenwerken met anderen.

De verbrijzelde mens

Wij moeten nooit zaken aan God toeschrijven die de boze heeft aangericht in levens van mensen. Jezus zei: “Wat baat het de mens, als hij de hele wereld wint, maar ZICHZELF VERLIEST?” (Luk. 9:25). Als dat gebeurt, is dit beslist niet fijn als je dat overkomt. Maar religieuze geesten dringen vaak aan op zulke zaken. Moet die door God zeer goed geschapen mens verbroken worden van binnen? Nog altijd is hij naar de gelijkenis (of: het beeld) van God geschapen (Jak. 3:9). Het is al erg genoeg dat elk mens als hij op aarde begint te wandelen aangetast wordt door de zonde, waar het slangengif de oorzaak van is. De duivel is degene die zondigt van de beginne (1 Joh. 3:8a). Niemand kan vrij blijven van zonde, al zien de engelen van kinderen in de hemelen voortdurend het aangezicht van de Vader (Matth. 18:10).

De verbrijzeling van onze hiel (Gen. 3:15), waardoor ons voortgaan op de weg met God bemoeilijkt en geremd wordt, vindt zijn oorzaak in de hielbijter, de slang, de duivel. Hij tracht ook onze geestelijke ontwikkeling te vertragen door zich te richten op onze zwakke plek, onze achilleshiel. De boze heeft veel verbrijzeling aangericht aan en in mensen. Daarom staat er dat God de mens niet in de verbrijzelde toestand wil houden. “De offeranden Gods zijn een verbroken geest, een verbroken en verbrijzeld hart VERACHT GIJ NIET, o God” (Ps. 51:19). Dat sprak David uit na zijn ernstige zonde met Bathseba. God is er met mededogen op uit de verbroken en berouw hebbende mens niet te verachten, maar hem te herstellen. “Want Hij heeft niet veracht noch versmaad de ellende van de ellendige, en Zijn aangezicht niet voor hem verborgen, maar Hij heeft gehoord toen hij tot hem riep” (Ps. 22:25). “Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: in den Hoge en het Heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, OM DE GEEST DER NEDERIGEN EN HET HART VAN DE VERBRIJZELDEN TE DOEN OPLEVEN” (Jes. 57:15). We zien dat het goddelijke doel positief is: “om het hart van de verbrijzelden LEVEND TE MAKEN” (HSV). Verbrijzeling is geen doel in zichzelf wat sommige christenen ervan lijken te maken.

Satan zal uiteindelijk zijn claim en grip op de mens verliezen. Jezus Christus heeft reeds zijn kop vermorzeld. De aanklager wordt terneer geworpen. Het resultaat zal zijn: er komt EEN EINDE AAN HET VERBRIJZELEN (door de boze) VAN DE MACHT VAN HET HEILIGE VOLK” (Dan. 12:7c).

God beoogt het herstel van de mens

In Jesaja 61:1-3 wordt het herstel duidelijk omschreven. Jezus Christus is gezalfd met de heilige Geest:

  • Om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen
  • Om te verbinden gebrokenen van hart
  • Om voor gevangenen vrijlating uit te roepen
  • En voor gebondenen opening der gevangenis
  • Om uit te roepen een jaar van het welbehagen des Heeren
  • En een dag der wrake van onze God
  • Om alle treurenden te troosten
  • Om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve:
  • Hoofdsieraad in plaats van as
  • Vreugdeolie in plaats van rouw
  • Een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest (een benauwde geest, HSV)

Hier zien we hun God de mensen uit hun verdriet, nood, gebondenheid en gebrokenheid wil verlossen. Zijn doel is niet om christenen aan te sporen tot verbrokenheid van hart, maar juist om hen die gebroken van hart zijn te verbinden! Een van de aspecten het werk van Jezus Christus is dat Hij onze smarten heeft gedragen (Jes. 53:4). Hij is erop uit niet alleen onze zonden, maar ook onze wonden innerlijk te genezen. Het staat ook zo mooi in Ps. 147:3: “Hij geneest de verbrokenen van hart en verbindt hun wonden.” En in Ps. 34:19: “De Heere is nabij de gebrokenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest.” Verbroken van hart worden is niet Gods doel voor de christen, maar als wij tot Hem komen tot redding voor onze zonden wil Hij ons verbroken hart helen en balsem gieten in onze wonden. In Jes. 58:8 vinden we de prachtige belofte: “…uw wond zal zich spoedig sluiten…”

In Ps. 69:21 staat: “De smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben verzwakt. Ik wachtte op een teken van medelijden, maar tevergeefs, op troosters, maar ik vond hen niet.” Dat gaat bijv. verder in Ps. 69:30: “Maar ik ben ellendig en in smart, uw heil, o God bescherme mij.” Vervolgens in Ps. 69:33-34: “De ootmoedigen (= nederigen) zullen het zien, zij zullen zich verheugen; gij die God zoekt, UW HART LEVE OP. Want de Heere hoort naar de armen, en Zijn gevangenen veracht Hij niet.”

Verbrokenheid: wat lezen we in het Nieuwe Testament?

Er worden allerlei metaforen aangehaald om het begrip ‘verbrokenheid’ eniger mate te illustreren en te onderbouwen. Ik denk aan Maria met haar kostbare kruik met nardusmirre die zij brak, waardoor de inhoud over Jezus voeten vloeide (Joh. 12, Luk. 7, Marc. 14, Matth. 26). Alleen de versie van Marcus noemt het breken van de kruik overigens. Ook de graankorrel die in de aarde sterft (Joh. 12:24-26), brengt men graag in verband met verbrokenheid. Letterlijk lezen we echter nergens in het NT over dit begrip.

Sommigen menen dat voordat de mens vervuld kan worden met de heilige Geest hij eerst verbroken moet worden. Echter, als wij het beeld vasthouden van een kruik of een vat, dan gaat het symbool mank. Immers in het natuurlijke leven kan een kruik of vat dat gebroken is nou juist niet gevuld worden. Gebrokenheid of verbrokenheid is dus geen voorwaarde om vervuld te worden met de heilige Geest. Dorst (verlangen), geloof, gehoorzaamheid en gebed om de heilige Geest zijn voldoende (Joh. 7:37-39; Gal. 3:14; Hand.  5:32; Luk. 11:13).

De mens herstellen en de werken van de duivel verbreken

Komt het woord ‘verbreken’ dan wel in andere zin voor in het Nieuwe Testament? Jazeker! We lezen “Het geknakte riet zal hij NIET VERBREKEN en de walmende vlaspit niet uitdoven voordat Hij het oordeel tot overwinning heeft gebracht” (Matth. 12:20, vergelijk Jes. 42:3). Hier zien we precies de gedachte dat God wat beschadigd is op den duur herstelt. Hij dooft de walmende vlaspit niet, of wij zouden misschien zeggen: Hij wakkert het kleine waakvlammetje weer aan. Hij wil het geknakte riet herstellen. Wat stuk is gegaan door zonde, wat kapot is gegaan door het werk van de duivel wil de Heere weer heel maken. Dat dit vaak een proces vergt, is duidelijk.

In 1 Jok. 3:8 lezen we dat God niet de werken van de mensen wil verbreken, maar “hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij DE WERKEN DES DUIVELS ZOU VERBREKEN.” De duivel is de dief die gekomen is om te stelen, te slachten en te verdelgen. Jezus is gekomen opdat wij leven en overvloed hebben (Joh. 10:10).  Onze verantwoordelijkheid als mens blijkt uit de krachtige oproep: “ieder die de naam des Heeren noemt, BREKE MET DE ONGERECHTIGHEID” (2 Tim.2:19).

Er wordt in sommige kringen veel gesproken over verootmoediging, nederigheid en boetedoening. In het nieuwe verbond vinden we geen aanwijzingen voor een collectieve schuld, waarvoor een collectieve verootmoediging nodig is. Ook in Ezech. 18 ligt de nadruk op onze individuele, persoonlijke verantwoordelijkheid: “de ziel die zondigt, zal sterven” (Ezech. 18:4,20). Hij schrijft daarbij in vers 20: “Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen.”

De gebroken schepping wacht op het herstel

Er is evenmin sprake van dat de overtreding van Adam aan alle mensen zou worden toegerekend, waardoor zij schuldig zouden staan door de zogenaamde erfschuld, zoals sommigen menen. Wel draagt het hele menselijke geslacht de gevolgen van de ongehoorzaamheid van Adam die de aarde prijsgaf aan de overste dezer wereld, de duivel (Luk. 4:6; Rom. 8:20). De consequentie van de zondeval is wel dat de gehele wereld in het boze ligt (1 Joh. 5:19). Daarom leven wij in bezet gebied. Je zou kunnen spreken van de ‘gebrokenheid’ van de schepping. Rom. 8:20-23 spreekt erover in andere uitdrukkingen: dat de schepping is onderworpen aan de vruchteloosheid en dienstbaar is aan de vergankelijkheid en dat de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. Maar er is hoop: zij wacht met reikhalzend verlangen op het openbaar worden van de zonen van God (in de NBG-vert. is het woord huion juist vertaald met ‘zonen’ i.p.v. het foutieve ‘kinderen’). Dan zal de zuchtende schepping bevrijd en hersteld worden en de zonen van God die aan het beeld van de Zoon gelijkvormig zijn geworden (Rom. 8:29) hebben daarin straks samen met Christus een enorme taak.

“Verneder u dan onder de machtige hand van God…” (1 Petr. 5:6)

Onze Meester Jezus was nederig van hart (Matth. 11:29) en als wij Hem willen volgen, zullen wij diezelfde instelling en gezindheid hebben. Jezus sprak immers: “Leert van Mij…”

Dat betekent dat wij niet uit moeten zijn op gewilde maniertjes van nederigheid in uiterlijk vertoon door bijv. ons hoofd te laten hangen of sentimenteel op het gevoelsvlak nederigheid te demonstreren door een verootmoediging aan de buitenkant, in de vorm. De Bijbel waarschuwt voor “gewilde nederigheid” (Kol. 2:18), die wel vroom oogt, maar zonder oprechte godsvrucht is. De apostel gebruikt de uitdrukking “eigendunkelijke godsdienst met zijn nederigheid en kastijding van het lichaam en beschouwt dat als zonder waarde en het dient slechts tot bevrediging van het (religieuze) vlees (Kol. 2:23). Vrome geesten beschuldigen vaak van zonde, zoals de geest die optrad via Elifaz tegen Job met fluisterende stem zei: “Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God, of een man rein tegenover Zijn maker” (Job 4:12-16). Boze geesten tasten altijd de belijdenis “ik ben een rechtvaardige” aan en komen met vage beschuldigingen, bijvoorbeeld over zaken die je hebt nagelaten en verzuimd. Job getuigde echter: “Aan mijn gerechtigheid houd ik vast en ik geef haar niet op; mijn hart veroordeelt niet een mijner dagen” (Job 27:6). Laten wij ons door religieuze uitingen en zinsneden niet onze rechtvaardigheid in Christus laten ontnemen en ons met een minderwaardigheidscomplex laten opzadelen. Dat komt allemaal van de duivel, de aanklager van de broeders. Onze Voorspraak is Jezus die voor ons bidt en pleit! Dus weigeren we te luisteren naar de tegenspraak van satan.

Waar gaat het wel om bij ware nederigheid? De grondhouding van ons hart – dat wil zeggen: onze inwendige mens – zal nederig zijn. Dat betekent dat we ons afhankelijk zullen opstellen naar onze Heere, want “zonder Hem kunnen wij niets doen” (Joh. 15:5b). Het besef: ik kan het niet als mens en ik kan het zeker niet alléén doordringt ons daarbij, omdat we ons realiseren dat we het helemaal van Gods genade en Gods kracht moeten hebben. Onze intentie zal zijn dat wij onszelf niet stellen boven onze medebroeders, maar “in ootmoedigheid achtte de een de ander uitnemender dan zichzelf en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen. Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was” (Fil. 2:3-5). Alleen in de bodem van nederigheid kan de vrucht van de Geest opgroeien.

Zelfverloochening past uitstekend bij de christen, al staat die christelijke deugd ook haaks op de geest van deze tijd die het omgekeerde beweert. Een kind van God die zichzelf verloochent en in de dagelijkse situaties zijn eigen wil opgeeft (buigt, verloochent), weet wat het is om Zich door de Heere te laten vormen en buigen in de omstandigheden van het leven, om Zijn wil te doen en zijn medemens te dienen en te helpen.

We willen ons stellen onder Gods machtige hand. Wat houdt dat in? De hand van God is in de Bijbel het beeld van de heilige Geest. Wij stellen ons als christenen graag onder de leiding van de Geest van God en onder Zijn werkzame kracht. Door de kracht van de heilige Geest kunnen wij de zonde uit ons leven weren en zijn wij gewapend tegenover de duivel. De geestelijke wapenrusting vangt niet voor iets aan met: “voorts wees krachtig in de Heere en in de sterkte Zijner macht” (Ef. 6:10). Zoals een kind zich onder het gezag van zijn ouders stelt, zo zullen wij als christenen ons voegen onder de leiding van de heilige Geest. “Wie zichzelf gering zal achten (zich vernedert) als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen” (Matth. 18:4).

Voor hoogmoed is er in het waarachtige christenleven geen plaats of ruimte. Hoogmoedige en trotse mensen willen zich niet onderwerpen aan de wil van God, maar trekken hun eigen pad. In 1 Petr. 5:5 lezen we: “Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedige, maar de nederige geeft Hij genade.” Nederige mensen leven in het besef van de afhankelijkheid van Gods genade, want alles wat God ons in Zijn liefde heeft gegeven is genade. In Jacobus vinden we hetzelfde principe: “Daarom heet het: God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel en hij zal van u vlieden” (Jak. 4:6-7).

Als wij ons vernederen, dan willen wij dat uitsluitend doen onder Gods machtige hand, dat is de Geest die ons leidt tot de volle waarheid. In 1 Petr. 5:6 staat daarachter: “opdat Hij ons verhoge te Zijner tijd”. Hij wijst ons de weg die nog veel verder omhoog voert (1 Kor. 12:31). De onderste weg op aarde gaan en in de verzoekingen de minste willen zijn, betekent anderzijds de hoge weg door de hemelse gewesten te gaan en daar te heersen over de machten de duisternis die van plan zijn je te knechten tot zonde doen.

Verbrokenheid dient geen blijvende toestand te zijn of na te jagen geestesgesteldheid

Wanneer iemand door omstandigheden gebroken of door zonde verslagen van geest is, dan staat de Heere klaar om hem of haar die naar Hem verlangt te reinigen en op te beuren, te vertroosten en innerlijke heling te bieden.

Laten wij ons niet door een verkeerd begrip van ‘verbrokenheid’ laten plagen. Het is geen gesteldheid die wij in ons geestelijk leven na dienen te jagen. God wil ons niet in een toestand van gebrokenheid of verbrokenheid laten, maar Hij gaat ons uitredden, ons op laten leven en tot eer en heerlijkheid brengen! Geprezen zij Zijn grote Naam!

Jildert de Boer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *