Kinderen, jongeren en ouderen in Christus

Kinderen, jongeren en ouderen in Christus 

Op weg naar vaderschap en mannelijke rijpheid
Inleiding 

In de Islam kent men 99 namen voor Allah. Over het algemeen is hij een god van verre. Wat zou de honderdste naam kunnen zijn die nou juist ontbreekt? Dat is de naam Vader die ons in de Bijbel als de God van nabij openbaart en wiens kinderen wij door Jezus Christus kunnen worden.

In het christelijk leven zijn er groeistadia. Dat zijn de fasen in het christelijk leven waar wij doorheen mogen gaan. De gemeente is het huisgezin van God. Wij spreken vaak over God als Vader, het hemelse Jeruzalem als moeder en Jezus als de oudste broeder en onszelf als de andere kinderen in het huisgezin van God. Maar we kunnen dat ook op een andere manier bekijken. Binnen een gemeente zijn:

  • geestelijke vaders en moeders,
  • jonge mannen en vrouwen in Christus en
  • kinderen in het geloof.

De Heere is uit op onze ontwikkeling en we willen daarom nadenken over het thema “kinderen, jongelingen, vaders” met als uitgangspunt dat wat de eerste Johannesbrief daarover zegt (1 Joh. 2:12-14, NBG). Daar lezen we als volgt:

“Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven, om Zijns Naams wil. Ik schrijf u, vaders, want gij kent Hem, die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt de boze overwonnen. Ik heb u geschreven, kinderen, want gij kent de Vader. Ik heb u geschreven, vaders, want gij kent Hem, die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk en het woord Gods blijft in u en gij hebt de boze overwonnen”.

Wij gaan er daarbij vanuit dat deze aanduidingen allereerst betrokken dienen te worden op geestelijke ontwikkelingsstadia. De NBV heeft vertaald met “kinderen, jongeren en ouderen” en dat lijkt voornamelijk te slaan op de natuurlijke leeftijd, die volgens mij hier niet in de eerste plaats in het geding is.

Dat de apostel zijn uitspraken herhaalt zegt wel iets over de nadruk die hij legt op deze groeifasen. De tweede keer schrijft hij in de voltooid tegenwoordige tijd. Daarbij kun je je afvragen: tot welke van de drie categorieën of niveaus hoor ik? Of tot welk geestelijk ontwikkelingsstadium ben ik onderweg? Welke hulp heb ik tot nu toe gekregen van geestelijke vaders in Christus in mijn leven die mij verder hebben geholpen? Er zijn in mijn leven mensen geweest zoals het echtpaar Priscilla en Aquilla die mij net als aan Apollos de weg van God nauwkeuriger hebben uitgelegd (Hand. 18:24-26). In het oude verbond was Debora een moeder in Israël. Wij hebben in het geestelijke Israël ook geestelijke moeders in Israël. Dus naast geestelijke vaders zijn er ook geestelijke moeders ons tot hulp in de gemeente.

Als wij 1 Thess. 2:6-12 lezen dan lezen we opmerkelijke dingen over een geestelijke vader als Paulus. En hij vergelijkt zich daar eerst met een moeder: “Wij gedroegen ons in uw midden vriendelijk, zoals een moeder (voedster, St. Vert.) die haar eigen kinderen koestert. Zo waren wij in grote genegenheid voor u “ (1 Thess. 2:7-8). Vervolgens ook met een vader: “Gij weet trouwens, hoe wij als een vader zijn eigen kinderen, u hoofd voor hoofd vermaanden (vertroosten, aanmoedigden), en betuigden te blijven wandelen Gode waardig, die u roept tot Zijn eigen Koninkrijk en heerlijkheid” (1 Thess. 2:11-12).

Ook in 1 Kor. 4:14-16 schrijft Hij dat zij daar wel vele opvoeders hadden die zich de koning te rijk voelden, maar niet vele vaders in het geloof wiens voorbeeld ze veilig konden volgen.

In 1 Kor. 13:11 schrijft Paulus: “Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was.”

In Gal. 4:19  heeft Paulus het over “mijn kinderen, ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat Christus in u gestalte verkregen heeft.” Dat is het groeiproces van het vorm krijgen van het leven en de eigenschappen van Jezus in ons.

We moeten wel opmerken dat de hele gemeente soms in de brieven van de apostelen wel aangesproken wordt als kinderen van God. Maar in de teksten die we gelezen hebben, wordt er toch ook onderscheid aangebracht in drie stadia of perioden in je geestelijke leven. 

De kindertijd 

Natuurlijk is het geweldig fijn dat de kinderen in het geloof zeker weten dat ze vergeving van zonden hebben gekregen om Jezus’ wil. Dat is de basis, het fundament! Dat zal en moet gepaard gegaan zijn met een duidelijke bekering, een bekering tot vergeving van zonden.

Zij kennen de Vader staat er. Dat mag als bemoediging regelmatig aan hen bevestigd worden dat ze zondevergeving hebben en de Vader kennen. Ze hebben de Heer aangenomen en Hij heeft hen macht gegeven een kind van God te worden (Joh. 1:12) en ze zijn begonnen aan hun relatie met de Vader. De Vader neemt hen als het ware bij de hand, net zoals je aardse vader ooit deed. Zij kennen Zijn liefde en vergeving al. Dat is heerlijk. Ze weten wie Christus is voor hen en wat Zijn werk aan het kruis voor de verzoening tussen God en mensen betekent voor hun leven. Wat een jubel is het om zeker te weten dat als je in Jezus gelooft dat je eeuwig leven hebt (1 Joh. 5:13). Dat geeft een enorme blijdschap. We kennen die geweldige tekst uit Rom. 8:16 dat Gods Geest samen met onze geest getuigt dat wij kinderen van God zijn.

Ze worden veel opgebeurd, want dat is iets dat je doet met kleine kinderen om bijv. iets beter te kunnen zien. Een klein kind mag nog wel eens knoeien, maar het is een andere zaak als iemand 6 jaar christen is en van zijn leven nog een knoeiboel maakt. Dat is niet Gods bedoeling. Er is geduld nodig met hun probleempjes en kinderziekten en wellicht nog hun gebrek aan inzicht en begrip of restanten van oud gedrag door een gebondenheid. In het begin wordt hun alles aangereikt en op de weg van heil zullen zij ook van hun gebondenheden bevrijd gaan worden. Als je ontvankelijk en open opstelt voor groei-impulsen kom je verder tot ontwikkeling. Je houding zal in deze fase kunnen zijn: “leer mij Heer.”

Kinderen hebben veel positieve eigenschappen. Ze zijn onbevangen, echt, ze zijn zichzelf en uiten zich spontaan. Maar kinderen in het geloof rekenen vaak het kwade nog toe en praten er voortdurend over met anderen. Dat gaat dan helaas soms door de gemeente. Ze praten over iemand in plaats van met iemand. Zij houden vaak alleen rekening met de zichtbare dingen. Zo zijn kleine kinderen in Christus. Ze willen iets lekkers (bijv. de lollie van allerlei entertainment en het nodig hebben van kicks) in plaats van iets echt waardevols (als de gestage en geleidelijke wandel en groei met de Heer). 

Blijven steken in de kinderfase 

Je mocht dus komen zoals je bent en zo werd je gered en een kind van God. Daarbij is wellicht gezegd: je moet worden als een kind om het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan (Matth. 18:1-4). Ja, dat klopt, maar je moet niet blijven als een kind. Een kind heeft opvoeding nodig en mag gehoorzaamheid leren. Dat is geestelijk ook zo: je leert het Woord wat kennen en je merkt: het Woord vraagt ook dingen van mij te doen. Ik mag negatieve zaken afleggen en positieve dingen aandoen en als het niet lukt mij laten bevrijden in Jezus’ naam.

Jammer genoeg blijven vele christenen hangen in de kinderfase. Zij blijven vleselijk en nog onmondigen in Christus zegt 1 Kor. 3:1. Paulus kon toen aan hen niet spreken als tot geestelijke mensen.  Als het erop gaat lijken dat geestelijke kinderen het kinderstadium niet willen ontgroeien en niet veel verdere interesse tonen om goed en grondig meer te leren uit de Bijbel, dan is er van ontwikkeling weinig sprake. Er is eerst melk nodig, maar vervolgens ook vast voedsel. Daar is een geestelijk verlangen, een honger en dorst naar meer voor nodig, sowieso naar een doop in de Geest met als een van de gevolgen daarvan dat het Woord meer levend en levendiger voor je wordt en je het omzet in de praktijk van je leven.

Kinderlijke en kinderachtige dingen 

We kunnen soms merken dat we nog heel wat hebben af te leggen wat kinderlijk is, of – als we eerlijk zijn – dat we ons zelfs soms nog druk kunnen maken over ‘kinderachtige dingen’, die de moeite niet waard zijn voor een al wat meer gegroeide christen. Die heeft geleerd om over ‘stekeligheden’ (cactussen) heen te stappen, zoals een liedje zegt. Het is de hoofdzaak bij God dat ik verander in de situaties en begrip krijg voor die ander. Kleine kinderen besteden uiteraard veel aandacht aan prikkelende dingen en roepen bij het minste of geringste “au”. Ze roepen: “hij begon en zij deed.” Het is altijd de ander die het heeft gedaan.

Soms ervaren we dat we ons nog gefixeerd bezig hebben gehouden met iets waarvan de heilige Geest naderhand in je binnenste getuigt: dat behoort tot de kinderlijke reactie. Daar liet ik me nog door de machten der duisternis in de luren leggen. Bijvoorbeeld: mopperen over iets onbenulligs, iets waarvan je wat later zelf constateert: “wat kinderachtig eigenlijk, dat ik me daarover NOG zo opwond”. Als je je opwindt, ben je net als de veer van een wekker die door blijft ratelen. Je had niet in de gaten wat er geestelijk meevibreerde. Achteraf denk je: jammer dat er nog wat ‘streepjes’ van machten der duisternis doorheen liepen, maar de volgende keer mag ik in heilige Geest alert zijn, om er niet nog eens in te tuinen. Op die manier komen we vooruit in het geestelijke groeiproces, want er vindt een doorlopende reiniging en heiliging plaats.

Het woordje “nog” biedt hoop, namelijk dat het zo niet zal blijven! Je motto wordt: “wat geweest is, is geweest en vanaf vandaag groei ik in de Geest!” Steeds vaker leer je in je verdere ontwikkeling van te voren al in te zien dat je niet meer op een kinderlijke manier hoeft te reageren. Dat soort impulsen geven de machten immers ruimte om je onderuit te halen. Dat vraagt waakzaamheid om in de geestelijke strijd te leren op je quivive te zijn. Gelukkig ken ik een paar geestelijke vaders die mij bleven liefhebben, ook als ik nog wel eens goedbedoelde, maar ‘kinderlijke streken’ uithaalde en die mij ook durfden te corrigeren, om mij voor uitglijders te behoeden in mijn wel eens goedbedoelde, maar ondoordachte acties. 

Jongelingen met een overwinningsleven 

Jongelingen leren rekening houden met de onzichtbare wereld. Zij zijn sterk, het woord van God blijft in hen en zij hebben de boze overwonnen, staat er. Dat is nogal wat.

Jongelingen (dat wil zeggen: zonen en dochters) zijn sterk (dat is Geestgedoopt en daarom krachtig) en zelf bezig met het gebruiken van het Woord. Ze worden doorkneed in de Schriften – het Woord van God blijft in hen – en zij hebben geleerd om te strijden en de boze te overwinnen. Zij weten wie ze zijn in Christus en wie Christus is in hen door heilige Geest. Zij hebben niet alleen vergeving van zonden, maar zij komen tot een overwinningsleven. Dat gaat altijd langs de weg van geestelijke strijd. Je houdt Gods waarheid vast en je verwerpt de leugens en halve waarheden van satan. Er is geen gemakkelijker route of kortere weg naar geestelijk vaderschap. 

Jongelingen leveren geestelijke strijd 

Hoe je tot overwinning komt kan niet anders dan via strijd tegen de machten der duisternis, hoe weinig populair dat ook klinkt. Dan kan het verwijt klinken: “jullie zien ook overal machten.” Een volle evangeliepionier zei daarop: “We zien en onderscheiden ze soms nog niet genoeg.” In 1 Johannes 3:8 staat het woord ‘duivel’ trouwens 3x in één vers. Daar houden de mensen niet zo van. Met de boze wordt hier niet alleen de duivel bedoeld, maar ook wat onder diens invloed staat: in de eerste Johannesbrief gaat het over zonde, dwaalleraars, de wereld en al wat in de wereld is, want Hij is immers de overste van deze wereld.

De jongelingen zijn sterk door de heilige Geest. Er staan twee keer dat ze de boze hebben overwonnen. Dat gebeurt met “er staat geschreven”, dus met het zwaard van het Woord. Dat gaat dus niet als je ‘van toeten noch blazen weet’ van het Woord. Zo kun je bewapend met Woord en Geest elke aanval van de boze aan en elke aanklacht van satan wordt gesmoord door het bloed van Jezus en het woord van ons getuigenis (Openb. 12:10).

In 1 Johannes 5:18 lezen we: “Wij weten, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt; want hij die uit God geboren werd bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem.” Hij kon geen aanknopingspunt vinden, dus geen grip krijgen, want er was geen trekhaak voor de boze om aan te kunnen koppelen.

Het getuigenis van jongelingen is krachtig! Der jongelingen sieraad is hun kracht! Der ouden glorie is de grijsheid (Spreuk. 20:29) en mogelijk ook hun wijsheid.

Jongelingen kunnen wel eens te gauw denken dat ze bijna alles al weten en dan met kritiek komen op vaders die in hun ogen zo rustig en gematigd zijn en aan de buitenkant niet altijd vurigheid van geest uitstralen. Jongelingen kunnen die vaders wel eens verkeerd beoordelen als zwak en bezadigd of in hun ijver hen als ‘slome duikelaars’ zien.  Zij moeten zelf nog leren alles in het juiste perspectief te leren zien. Kracht van God is goed, maar zij moet van lieverlee in de ontwikkeling ook gepaard gaan met wijsheid van God. Jongelingen zijn wel krachtig, maar missen vaak nog een stuk wijsheid en ervaring. 

Sterke jongelingen 

Naar de tijd gerekend hadden wij als jongelingen al beter moeten weten, maar hoe mooi is het dan als vaders je kunnen blijven (ver)dragen en intussen het geloof blijven behouden, dat er ook uit jou iets prachtigs van Hem mag en zal ontwikkelen. Zij werken met geduld, ook aan die sterke jongelingen, dat zij God beter, dieper en vollediger zullen leren kennen.

De valkuil voor jongelingen is dat zij in hun sterkte verzadigd en rijk worden, menen aan niets gebrek te hebben, zich de koning te rijk voelen (1 Kor. 4:8). Maar die vaders zien in de onzichtbare, geestelijke wereld wat er werkelijk aan de hand is.

Jesaja schrijft dat jongelingen nog moe en mat kunnen worden en struikelen, maar dat wie de Here verwachten nieuwe kracht putten (dat gaat diep) en opvaren met vleugels als arenden (Jes. 40:30-31). Dat gaat hoog, dat is de hoge weg (Jes. 35:8). De weg die steeds verder omhoog voert (1 Kor. 12:31). Zulke mensen leren alles vanuit de hemelse gewesten, dus van boven bekeken te verstaan en te beoordelen. Dat is volle evangelie ten voeten uit.

Paulus wil als vader – in alle nederigheid – genoegen nemen met de laatste en laagste plaats in aardse situaties. Hij zegt: als aller voetveeg. Het is alsof hij zegt: veeg je modder nu maar aan mij af. Intussen bleef Paulus zegenen, dienen en verdragen (1 Kor. 4:9-13).

Tussen jongelingschap en vaderschap ligt een louterings- en heiligingsproces, waarin gaandeweg meer wijsheid van God wordt geleerd. Je wordt wijs door schade en schande heen, zegt men (al is dat een wat ongelukkige uitdrukking). Ook als het vuur van de boze je na aan de schenen wordt gelegd en je dan geroepen bent in zo’n situatie te overwinnen. God is bezig met mij te vormen en mij in dat proces rein, zuiver en puur te maken.

Geestelijke strijd om verder te komen in een volgende fase 

Het is Gods bedoeling dat elk christen tot zijn recht, tot zijn ontwikkeling komt. Zijn wij daar ook op uit? Al te vaak worden christenen gekortwiekt door de boze, of zelfs bijna vleugellam gemaakt. “Heer, waarom laat U dat toch toe”, alsof Hij hoog en droog in de hemel der hemelen is en ik hier met de gebakken peren zit. Het is de bedoeling dat we leren zien: Hij is in ons en wij zijn in Hem en wij zullen blijven in Hem, altijd leren verblijven in Hem. Zo’n geestelijk leven moet natuurlijk voor ons worden, de grond draagt immers vanzelf vrucht: een halm, een aar en tenslotte het volle koren is de aar (Marc. 4:26-29). Of met deze boodschap: een kind, een zoon/dochter en tenslotte een vader of moeder in Christus. Het wordt je als het ware tot een tweede natuur (hoewel die uitdrukking minder gelukkig is qua geestelijk begrip). Ik bedoel en dat is beter: het wordt goddelijk-normaal.

Dat de boze daar tegenop komt, is duidelijk. Hij wil niet dat je verder, dieper en hoger komt met de Heer. Dat confronteert je met regelmaat met geestelijke strijd en de boze wil maar al te graag je ontwikkeling naar een volgende fase of groeistadium afremmen en als het even kan verhinderen. Daar moet je samen met je Heer je dwars doorheen strijden. Ps. 18:30 zegt: “Met U immers loop ik op een legerbende in en met mijn God spring ik over een muur.” Je wordt dus niet door God zomaar over die muur heen getild of door Hem keurig om die muur heengeleid. Nee, je moet springen samen met God. Wij moeten in de geestelijke renbaan die hordes en obstakels nemen, zoals ze ook in de sportwereld in het natuurlijke doen.

De machten zijn nu eenmaal wetteloos en blijven altijd dwarsliggen op de weg en blokkeren waar ze kunnen. Dat ze ons op onze weg met de Heer aanvallen hoort er nu eenmaal bij, dat valt niet te vermijden. Daar hebben we de gouden gelegenheden op overwinningen op de vijand te boeken.

Wat typeert vaders? 

Vaders kennen Hem, die van den beginne is! In het oude verbond staat dat God aan Mozes Zijn wegen bekend maakte en aan de kinderen Israëls Zijn daden (Ps. 103:7). Het volk Israël kende God door Zijn uiterlijke daden voor hen. Maar aan Mozes kon God werken op een dieper niveau: hij leerde iets te begrijpen van Gods innerlijke wegen en bedoelingen. Hij vroeg aan God: “Toom Mij uw heerlijkheid” (Ex. 33:18) en daar kreeg hij iets van te zien.

De vaders in Christus kennen Gods wezen wie Hij werkelijk is en leren Zijn innerlijke, geestelijke wegen te verstaan. Zij rekenen met geestelijke zegeningen in de onzichtbare hemelse gewesten.

Natuurlijke kinderen kunnen Gods uiterlijke daden zien in de zichtbare wereld. Dat leren ze door de kinderbijbel heen al, hoe God Zijn volk heeft uitgered en geleid. Zij missen, net als Gods volk onder het Oude Verbond, nog begrip en inzicht (Deut. 32:28).

Vaders echter zien de ‘lange lijnen’ van Gods plan – Zijn eeuwig voornemen – vanaf den beginne lopen. Zij laten zich niet meer uit hun evenwicht brengen vanwege hun rotsvaste kennen van en vertrouwen op Hem. Zij zijn in Gods balans en zo kunnen ze een schok, klap hebben van de boze. Zij blijven in Hem onbewegelijk staan, zo vast als wat. Ze zijn in Gods kracht opgewassen tegen een stootje. Vaders hebben geleerd hoe ze dat op moeten vangen met hun geest, versterkt door Gods heilige Geest. Ons probleem is soms nog dat we wat er gebeurt in situaties opvangen met ons zielenleven – onze gedachten en emoties – waardoor je gemakkelijk van slag raakt of gekwetst wordt.

Vaders zijn verwekkers 

Vaders zijn in de natuurlijke wereld ook verwekkers die hun kinderen goed de kost geven, voor hen zorgen, thuis met hen zitten en met hen uit wandelen gaan en onderweg zijn: in het natuurlijke om daarvan het nodige te leren. En in het geestelijke om God te leren kennen, om oog te krijgen en een  geestelijke antenne voor het hemelse en eeuwige.

Op die ontspannen wijze krijgen kinderen natuurlijke dingen aangereikt en ingeprent. De ouders trekken zo met hun kinderen op, opdat zij zich aan de vaders en moeders kunnen optrekken. Er staat van Henoch dat hij wandelde met God (Gen. 5:22-24). Iemand zei eens: “hij wandelde elke dag een stukje verder met God. Op een gegeven moment zei God tegen Henoch: nu zijn we dichter bij Mijn huis dan bij jouw huis en Hij nam hem op in Zijn huis.” (Dat is een parafrase die niet direct aan de Bijbel ontleend is, maar het is wel een aardige gedachte). 

Vaders zijn gevers 

Vaders zijn erop uit om te geven, in plaats van te ontvangen. Zij zijn medearbeiders van God en geven goede leiding in het geloof. Zij zegen en verdragen en blijven vriendelijk als ze uitgescholden worden en laster ondergaan (1 Kor. 4:12-13).

Kinderen zijn ingesteld op ontvangen (papa, mag ik een koekje? Mamma, mag ik een snoepje? En als ze wat ouder zijn: hebt u zakgeld voor mij?). Tenzij je als vader in het natuurlijke ook vooral op ontvangen bent ingesteld. Je komt thuis uit je werken je wilt de krant, je mobiel, koffie en je pantoffels, in plaats van je vrouw en/of je kinderen (c.q. kleinkinderen) allereerst aandacht te geven.

Vaders zijn uit op vermenigvuldiging. Een vader is een verwekker van nieuw leven. Geestelijk gezien komt het geloof door het horen van het Woord van Christus. De duivel is ook een vader voor allen die de leugen liefhebben, want hij is de vader of verwekker der leugen (Joh. 8:44).

Vaders zijn dragers 

Vaders zijn dragers en steunpilaren in het geestelijke huis. Zij zijn stabiele factoren in de gemeente en als er een storm komt, bijvoorbeeld door allerlei wind en golven van leer, dan zijn zij manlijk en sterk. Hun wortels zijn diep uitgeslagen in Gods Woord en zij putten levend water van de Geest. Zij blijven staan als zuilen in de tempel (Openb. 3:12). Op den duur worden ze overwinnaars en zijn ze niet meer uit de liefde te krijgen, want Gods natuur wordt gaandeweg hun deel (2 Petr. 1:4). Zij zijn bakens in het stormgetij om door volharding en geduld Gods beloften in bezit te nemen (Hebr. 6:12), al gaan de demonen nog zo te keer.

Vaders vangen op 

Vaders vangen een kind op dat een val maakt en kunnen troosten, zoals ze zelf door de hemelse Vader getroost zijn. Denk ook aan dat spelletje waarbij je een kind op de trap plaatst en jij staat als vader of als opa beneden. Dat kind mag springen en vertrouwt erop dat vader of opa hem/haar opvangt. Inderdaad jij vangt het kind veilig op. Hoeveel te meer is God als Vader degene die je in moeiten opvangt.

Vaders en moeders kunnen niet altijd in de buurt van hun kinderen zijn, maar vertrouwen hen ’s morgens als ze bijvoorbeeld naar school toe gaan toe aan een engelenwacht. Bewust heiligen ze hun kinderen opdat ze bewaard blijven voor de invloeden van de boze. Vaders en moeders nemen een klein kind vaak op schoot en omarmen het. Dat geeft veiligheid, geborgenheid, koestering, affectie, bescherming, warmte. Zo is het geestelijk niet anders, maar in veel opzichten vergelijkbaar. 

Vaders voeden op en rusten toe tot volwassenheid 

We mogen – als ik het geestelijk overzet – een tijd van genieten van de koestering door Gods liefde. Velen willen altijd maar opgetild blijven worden en dat God hen in Zijn armen op schoot neemt. Daar zijn liederen uit Opwekking over zoals “U tilt mij op, neemt mij in Uw armen…”, waarin ook de zin staat “als een kind bij de Vader op schoot”. Je vraagt je af waar dit zo in de Bijbel staat. Hoogstens kun je zeggen dat het in het begin van je geloofsleven ergens nodig en goed is, maar later is dat niet meer passend. Zulke liederen voeden de passiviteit en hebben het niet over de geestelijke strijd die de jongelingsfase kenmerkt.

Er komt immers een tijd dat een natuurlijke vader, maar ook God als Vader zegt: “ga nu eens zelf recht op eigen benen staan” in plaats van altijd maar weer leunen op of steunen tegen anderen en steeds maar weer die voorbede van anderen nodig hebben. Dan leer je terwijl je opgroeit zelf meer en meer samen met de Heer de regie over je leven te hebben en je taak op te pakken voor de gemeente en voor anderen.

In het natuurlijke nemen vaders en moeder ook hun kinderen van 14 jaar niet meer op schoot in de regel. Dat hoort bij de kindertijd. Wel kunnen tieners op die leeftijd veel bemoedigende complimenten goed gebruiken (wellicht zo ongeveer 9 complimenten tegenover 1 correctie).

Vaders kunnen ook toerusten op de weg naar geestelijke volwassenheid. Je voedt je kinderen op tot zelfstandigheid en dat ze steeds meer zelf verantwoordelijkheid gaan dragen. Je blijft je kleine kinderen aan tafel niet steeds voeren en alles maar voor ze oplepelen. Kleine kinderen in de gemeente willen vaak ook alleen maar hapklare brokjes en aanvankelijk nog niet iets waar ze stevig hun tanden in moeten zetten om de inhoud van Gods plan op te pakken en te herkauwen.

Vaders hebben inhoud 

Vaders hebben in het geestelijke huis – dat is de gemeente van Christus – het meeste inhoudelijk te vertellen. Zij putten uit de bron van Gods Woord, waarin Gods plan is vervat, en uit de rijke voorraad van wijsheid en openbaring door de Geest (Ef. 1:17-18). Maar vaders in de gemeente zien niet graag dat hun geestelijke kinderen alleen maar jarenlang stil zitten te luisteren in een soort ‘kleuterklas’. In het natuurlijke zijn vaders of opa’s alleen al blij als hun kleine kind bij de maaltijd “amen” horen zeggen.

De tijd kom dat de opgroeiende kinderen in het gezin hun woordje meepraten aan tafel. Zo is het ook in de gemeente. Vaders in Christus verheugen zich erop en genieten ervan als de geestelijke kinderen hardop gaan bidden en soms een getuigenis geven. 

Je kunt je optrekken aan vaders 

In de gemeente zijn vaders bij het opgroeien van kinderen naar jongelingen (zonen en dochters) daarom meer en meer blij met hun inbreng in reactie en interactie. Dat mag voortdurend toeneemt tot zij uiteindelijk mogen komen op hetzelfde volwassen niveau van geestelijk leven met God als hen die hen als vader of moeder in de gemeente voorgingen.

Onderweg is er veel hulp nodig om tot die ontwikkeling te komen: door de Bijbel, door de prediking, bidstonden en bijbelkringen, in het pastoraat, door het lezen van geloofsopbouwende boeken en het beluisteren van inzichtgevende mp3-opnamen. En niet in het minst doordat je je op kan trekken aan geestelijke vaders die voorbeelden in de kudde zijn door hun leven en wijze van doen. 

Vaders hebben overzicht 

Vaders in Christus behouden overzicht in de wisselende omstandigheden en golfbewegingen van het gemeenteleven. Zij zijn niet direct om als een golf of hype uit Amerika komt overwaaien, maar zij toetsen en beproeven alles nauwgezet.

Kinderen hebben dat overzicht nog niet en hebben ook nog niet het vermogen de dingen in hun juiste verhoudingen te zien. Als je kleine kinderen een lollie en een briefje van tien euro voorhoudt en ze mogen kiezen, dan is het 10 tegen 1 dat ze voor de lollie kiezen. Kleine kinderen kunnen gaan brullen om een klein ding. Zij zien nog niet wat echt belangrijk is. Maar wat ze hebben willen ze houden en kunnen dat niet delen met anderen. Dat is een leerproces.

Vaders in het geloof durven verantwoordelijkheid te nemen en kunnen dat gezag ook aan om de goede koers in de gemeente te geven en te onderscheiden waarop het aan komt.

De wijsheid van vaders

Vaders in Christus zijn veel meer uitgebalanceerd dan jongelingen door hun wijsheid. Ze zijn niet gemakkelijk uit de rust en vrede van God te halen. Zij raken niet bezorgd, beangst of in paniek te midden van stormen om hen heen. Gods verlangen is ons te leiden naar de mannelijke of vaderlijke rijpheid, de maat van de wasdom van de volheid in Christus (Ef. 4:13). Zo groeien we in grootte of gestalte, dat wil zeggen geestelijke diepte en inhoud, dat is: in Christus tot een volwassen geestelijke statuur gaan komen.

Nu ben ik een man geworden, schrijft Paulus. En hij zegt erbij: laten we daarom afleggen wat kinderlijk is! (1 Kor. 13:11). Dat hoort bij vroeger toen je nog sprak als een kind en overlegde als een kind.

Het verschil tussen opvoeders en vaders 

“Want al had gij duizenden opvoeders in Christus, gij hebt NIET VELE VADERS. Immers, ik heb u in Christus Jezus door het evangelie verwekt”(1 Kor. 4:15). Vaders waren er dus weinig. Paulus had hen als vader door het zaad van het evangeliewoord verwekt en koesterde belangstellende gevoelens voor het welzijn van zijn geestelijke kinderen. Hij had die harteband met hen en die betrokkenheid op hen en dat is iets wat allerlei opvoeders of leermeesters nu net niet bezitten.

Opvoeders kunnen over veel kennis beschikken en met goede bedoelingen veel recht proberen te zetten, maar de gerijpte, liefderijke gezindheid van een vader ontbreekt hen. Dan kan er een dwangmatigheid, een wetticisme ontstaan, dat een juk en dus druk oplegt, in plaats van een stimulans tot een ontspannen met de Heer leven.

Vaders in Christus verstaan hun verantwoordelijkheid in de oprechte zorg voor hun geestelijke kinderen en kunnen zeggen: volg mijn voorbeeld! (1 Kor. 4:16).

Als die duizenden opvoeders of leermeesters zoiets zouden durven zeggen, dan zou dit overkomen als hoogmoed of aanmatiging. Opvoeders kennen veel opvoedingstechnieken, maar dat zegt niet alles. Tegenwoordig kun je die opvoedingsmethoden uit boekjes halen, maar dat is nog geen leven, hoe nuttig bepaalde praktische tips ook kunnen zijn.

Opvoeders in Christus willen anderen iets leren en hen overtuigen van de waarheid. Dat hoeft op zichzelf genomen zeker niet verkeerd te zijn.

Echter, vaders zoeken het hart te winnen en leven allereerst het leven in Christus voor! Het is te zien en te merken, het is te tasten en te proeven. Zij roepen weerklank op. Zij verlokken anderen tot Gods heerlijkheid. Ook anderen krijgen de geur en smaak van Christus te pakken.

Vaders koersen het gemeenteschip en dat geeft geen schokkende, plotselinge veranderingen. Dat zijn hoogstens kleine, voorzichtige wijzingen: 1 graad bakboord of 1 graad stuurboord. Vaders duwen en drammen niet in de gemeente. Als ze bijsturen, dan gebeurt dat heel behoedzaam en zorgvuldig.

Opvoeders zijn soms voor de een en tegen de ander. Denk maar aan een gezin, waar de een voorgetrokken kan worden en de ander als het ‘zwarte schaap’ wordt beschouwd. In een gemeente moet er geen sprake meer zijn van voorkeur of afkeur van mensen.. Daarvan mogen we gereinigd worden, als dat nog aan de orde is, want dat moet geen rol blijven spelen.

Opvoeders kunnen in hun sterkte opgeblazen worden en denken dat ze alles al weten. Ze voelden zich verzadigd, rijk en als koningen in de zichtbare wereld. Zo ongeveer net als in Laodicea in Openbaring: rijk, verrijkt en aan niets gebrek. Intussen waren ze ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt van binnen en hadden ze daar nodig: goud door vuur beproefd, witte klederen en ogenzalf.

Het probleem was dat die opvoeders opgeblazen waren. Het waren net opgeblazen ballonnen.

Vaders prikken er zo doorheen en dat doet Paulus dan ook, want de opvoeders hebben last van hoogmoed en verheffen zich met hun woorden vol kennis boven hem en Apollos. Paulus zei: “maar spoedig zal ik tot u komen, zo de Here wil. Dan zal ik mij vergewissen, niet van het woord van die opgeblazenen, maar van hun kracht. Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht” (1 Kor. 4:19-20).

Die opvoeders kunnen bijv. roepen: dit klopt niet in de gemeente en dat deugt niet in de gemeente en dat zeggen die opvoeders dan soms met een nors gezicht, als een zuurpruim. Zij kunnen wel ware dingen signaleren, maar hun toon is niet goed. Er spreekt geen bewogenheid en oprechte zorgzaamheid uit, zoals bij vaders wel het geval is. Dat is echte herders.

Vaders staan op bres voor hun kinderen, hebben hartebanden gesmeed en houden hoop voor allen en ze hebben een heleboel geduld. Wat? Een hele voorraadschuur geduld, die ze in en vanuit God verzameld hebben! Vaders in Christus blijven altijd in de liefde en kennen geen aanzien des persoons. Niemand wordt voorgetrokken of achteruit gesteld. De vaders in de gemeente zijn betrokken en bewogen met mensen en zien elk gemeentelid staan. Ze tonen belangstelling voor hun leven en begrip voor hun noden. Ze zijn betrouwbaar in alles.

Vaders in Christus hebben geleerd over de moeilijke dingen te zwijgen en dat waarmee ze worstelen in het verborgene van hun binnenste over te geven aan Hem die rechtvaardig oordeelt, precies zoals hun Meester deed (1 Petr. 2:21-23). Zij hebben hun zielen (met alles wat zich daarin roert aan redeneringen en gevoelens) overgegeven aan de getrouwe Schepper, STEEDS HET GOEDE DOENDE (1 Petr. 4:19). 

Verlangen naar vaderschap 

Het is van groot belang te verlangen naar de mannelijke of vaderlijke rijpheid (Ef. 4:13). Volgens Efeze 4:11-16 komt deze volheid tot stand via de toerusting van de bedieningen, door het dienstbetoon van alle heiligen en wanneer elk lid in elk opzicht toegroeit naar hem, die het hoofd is, Christus. Zo verlangen en wensen we dit in de gemeente van de levende God en dit zal kunnen leiden tot een steeds grotere volheid! Dat heeft te maken met bijbelse mondigheid.

Zo mag jij stenen aandragen voor de opbouw en niet vanuit de geest van verwerping stil ‘in jouw kleine hoekje’ zitten. Integendeel, jouw inbreng is nodig en wordt gewaardeerd. Krachtige gebeden, belijdende liederen en strijdliederen, lofprijzingen, getuigenissen en geestesuitingen: wat hebben we ze hard nodig in de gemeente in welk groeistadium je je ook bevindt.

Als wij bezig zijn met gemeentebouw, dan mogen wij wandelen op de plaats en in de ruimte die God ons heeft gegeven met hoogachting voor ieder die meedient (1 Kor. 16:16) en zonder minachting van hen die misschien nog kinderen zijn of de zwakken in het geloof genoemd worden (Rom. 14:10). Mettertijd zullen zij door volhardende trouw in het verborgene uitgroeien via het stadium van jongeling tot het vaderschap in hun geestelijke ontwikkeling. Ga maar in die ruimte staan, die God je vergunt, om simpelweg te dienen, je tijd goed te benutten en leven van God meer en meer tevoorschijn te laten komen vanuit jouw hart.

In de wereld “likt men naar boven” (door vleitaal en een wit voetje halen) en “trapt men naar beneden.”
In de levende gemeente van God zal het zo niet zijn. Daar kun je niet afgaan, maar enkel opgaan! In de gemeente mogen we heersen over de machten en dienen we de mensen, in plaats van het omgekeerde zoals in de wereld: over de mensen te heersen en de machten te dienen.

In de gemeente van de levende God heerst respect voor de Heer, voor het Woord en voor elk-ander! Daar is respect en ontzag voor de voorgangers, dat zijn de vaders die voor-gaan. Op hun beurt houden de vaders van elk kind, verheugen zich in geestelijke groei die zij waarnemen naar jongelingschap en stimuleren graag tot volwassenheid.

Kleine, maar zwakke kinderen, die weten van zondevergeving en de Vader hebben leren kennen kunnen van die sterke jongelingen worden, die het Woord in zich hebben en de boze overwinnen. Jongelingen ervaren reeds een overwinningsleven door de kracht van de Geest. Dat is hun sterkte. Daar begint de geestelijke wapenrusting mee: “voort wees krachtig (niet: SLAP) in de Heere en in de sterkte van Zijn macht” (Ef. 6:10).

Een belangrijk verschil met de vaders in Christus, dat deze tevens de nodige wijsheid van God hebben opgedaan, die de jongelingen nog missen vandaar dat ze nog wel eens goedbedoeld iets doms kunnen doen. Deze vaders kunnen uiterlijk gering lijken, maar ze zijn zeker soepel en lenig in de geest om allen vooruit te helpen.

Ook vaders blijven afhankelijk van God. Vaders kennen Hem door hoogten en diepten heen en hebben een diepe, intense relatie met de Heere opgebouwd en dat is voor hen een vreugde geworden. Vanuit die ervaringskennis kunnen zij ook anderen raad geven om verder te komen.

Tenslotte, samengevat 

Het ging mij niet om een mooie technische, maar theoretische boodschap over dit thema, veel meer om het geven van handvatten voor de praktijk. Als het goed is bestaat heel de gemeente uit wedergeboren kinderen van God.

Voor de vraag “hoe kun je een vader in Christus worden?” heb ik geen pasklaar recept aangereikt. Veel ontwikkelt zich door rijping vanuit een voortdurend trouw leven met God de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus in het verborgene. Er zijn wel bouwstenen aangereikt die aanzetten kunnen geven hoe hierin verder te komen.

Vraag jezelf af in welk stadium je zit of nog beter naar welk stadium je onderweg bent. Bij elk stadium kun je te lang onnodig blijven steken en elk stadium heeft zijn valkuilen.

De volgende verzen in 1 Johannes gaan over wereldsgezindheid, dat kan ik nu niet uitwerken. Als je dat vast houdt, blijf je ook vast zitten in je ontwikkeling.

Kinderen kunnen zo genieten van Gods zegen voor hen zelf dat ze dat prima vinden en blijven hangen in de kleuterklas. Je zijn ingesteld op: zegen mij, genees mij, enzovoort. De anderen moeten heel wat verdragen van kleine kinderen in Christus. Ze kunnen die enthousiaste jonge mensen in Christus in het tweede stadium veel te radicaal en ijverig vinden.

Die jongelingen (geen oudsten dus) kunnen die vaders, van wie sommigen oudsten zijn veel te tam en bezadigd vinden en hun wijsheid als zwak beschouwen. Dat lijkt een beetje op jonge mensen rond de 18 jaar die hun vader aanspreken als “die ouwe.” Ze mogen ontdekken dat hun overwinningsleven wel heerlijk is door de kracht van de Geest, maar dat ze niet zonder de wijsheid van de vaders in Christus kunnen en de diepe geestelijke inhoud van hun leven.

De vaders in het geloof moeten er op letten dat zij niet neerzien op de anderen, maar blij blijven met iedere ontwikkeling in de kinder- en jongelingsfasen. Daar zijn ze immers zelf ook doorheen gegaan? Zij moeten geen remmende factor worden voor de jongelingen, maar hen in wijsheid stimuleren om verder te groeien. Hoe? Door te delen wat zij met God hebben geleerd.

Kortom: laten we zo allen in harmonie met elkaar opgroeien tot dat heerlijke doel van de mannelijke of vaderlijke rijpheid of de volkomen man (Ef. 4:13). Dan zal Christus alles in allen zijn tot lof en eer van God de Vader!

Jildert de Boer

© Verdieping en Aansporing, 2019.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *