Kritische kanttekeningen bij de bedelingenleer

KRITISCHE KANTTEKENINGEN BIJ DE BEDELINGENLEER

Inleiding

De leer om Gods heilsplan op te splitsen in zeven dispensaties noemt men wel de leer der bedelingen.  Zij is vooral ontwikkeld door John Nelson Darby (1800-1880), de grondlegger van de Vergadering van Gelovigen (vanaf ca. 1830), ook wel als Broederbeweging aangeduid. De bedelingenleer werd populair door het publiceren van een Bijbel met voetnoten van Cyrus Ingerson Scofield (1843-1921), die de Scofield Reference Bible (1917) werd genoemd.

De eindtijdvisie volgens de bedelingenleer kreeg in Nederland vooral grote invloed door de Maranatha-beweging onder leiding van Johannes de Heer (1866-1961) en het blad Het Zoeklicht (vanaf 1919). De verdienste van hem en zijn blad is vooral dat de wederkomstverwachting weer levend werd en zijn liedbundel heeft velen erg gezegend.

In grote delen van de oude Pinksterbeweging werden de eindtijdbeschouwingen wat betreft de opname van de gemeente en de plaats van Israël goeddeels overgenomen van de Vergadering van Gelovigen en de Maranatha-beweging. Merkwaardig, omdat men over het algemeen over de heilige Geest en de gaven van de Geest sterk van inzicht verschilt tussen de Pinksterbeweging en de oorspronkelijke opvattingen van de Vergadering van Gelovigen (iemand als Willem Ouweneel, die uit dit geestelijke nest stamt, is de laatste decennia natuurlijk erg opgeschoven naar een charismatische visie).

Een hoge vlucht kreeg de bedelingenleer door de boeken van Hal Lindsey in de zeventiger jaren van de vorige eeuw, waarvan ‘De planeet die aarde heette’ de eerste en grootste bestseller was (er zijn 35 miljoen exemplaren van verkocht). Nadien gingen romanseries als die van Jenkins en La Haye met ‘De Laatste Bazuin’ (13 delen tussen 1998-2008), doorspekt met de leer van de opname van de Gemeente voor de grote verdrukking, als warme broodjes over de toonbank.

De zeven bedelingen

De klassieke bedelingenleer onderscheidt in het plan van God zeven huishoudingen en tijdsperioden:

  • De bedeling van de onschuld: de hof van Eden
  • De bedeling van het geweten: vanaf de verdrijving uit Eden tot aan de zondvloed
  • De bedeling van de menselijke regering: vanaf de zondvloed tot aan het oordeel over de toren van Babel
  • De bedeling van de belofte: Abraham en zijn nageslacht
  • De bedeling van de wet: vanaf de wet van de Sinaï tot aan het kruis van Golgotha
  • De bedeling van de genade: van het kruis tot aan de opname van de Gemeente
  • De bedeling van het Koninkrijk: het duizendjarige vrederijk tot aan het laatste oordeel

Schematisering en indeling van de heilsgeschiedenis in tijdsvakken draagt altijd een gevaar in zich dat men een bepaald systeem als het ware aan de Bijbel opdringt. Terecht hebben de aanhangers van de bedelingenleer gezegd dat iedere christen feitelijk rekening houdt met bedelingen, al was het slechts de oude en de nieuwe bedeling. Dat klopt. Het punt is natuurlijk welke inhoud en rol men aan de bedelingenleer toekent. Men bedoelt “het Woord der waarheid recht te snijden” (2 Tim. 2:15), maar het is natuurlijk van groot belang welke waarde men hecht aan deze indeling en welke consequenties zo’n verdeling in heilsdispensaties heeft. Elk systeem dat als het ware als een raster over de Bijbel heenvalt – dat kan ook een verbondsleer of een uitverkiezingsleer zijn – draagt het in zich om beperkend en inperkend te werken. Een hulpmiddel dat was bedoeld om de Bijbel beter te verstaan, kan ook leiden tot een verdeling die het evangelie van Christus juist vertroebelt en verwarring ten gevolge heeft.

Gevolgen van de bedelingenleer

Wat gevolgtrekkingen heeft de bedelingenleer – het opdelen van Gods plan in zeven stukken – voor de bijbelse boodschap?

  • Het Onze Vader wordt als een uitsluitend Joods gebed gezien.
  • De Bergrede (Matth. 5-7) is niet op ons christenen van toepassing, maar is voor de Joden de nieuwe wet in het messiaanse vrederijk.
  • De grote opdracht of het zendingsbevel in Matth. 28:19 “Gaat dan heen, onderwijs al de volken…” zal pas goed en volledig worden uitgevoerd door het Joodse overblijfsel in de grote verdrukking als zij het ‘eeuwige evangelie’ zullen verkondigen tot het duizendjarige vrederijk aanbreekt (met verwijzing naar Openb. 14:6).
  • Er wordt een geheel andere uitleg gegeven van het Koninkrijk der hemelen dan van het Koninkrijk van God.
  • Er vindt een strikte scheiding plaats tussen Israël en de Gemeente.
  • De Gemeente wordt beschouwd als het hemelse volk van God en Israël als het aardse volk van God. Er zijn dus twee volken van God.
  • De Gemeente wordt voor de grote verdrukking in de hemel opgenomen (samen met de heilige Geest) en Israël neemt dan de rol van het aardse volk van God weer op zich tot en met het duizendjarige vrederijk.
  • De gaven van de Geest, zoals profetie, genezingen, spreken in talen, uitwerpen van demonen zijn in de bedeling van de genade waarin wij leven niet actueel werkzaam.
  • Men maakt een scherpe scheiding tussen het evangelie van het Koninkrijk van God (dat is voor Israël) en het evangelie van de genade van God (dat is voor de Gemeente).
  • De eindtijdleer wordt letterlijk, natuurlijk en aards ingevuld en dit is van grote invloed op de uitleg van het laatste bijbelboek, de Openbaring van Jezus Christus aan Johannes.

Wordt de soep (soms) niet zo heet gegeten als deze wordt opgediend?!

Over het algemeen hebben we hier te maken met serieuze christenen die bijbelgetrouw willen zijn en hun Heere van harte liefhebben. Zij leven in de verwachting van de komst van de Heer Jezus en zien naar Hem uit. Bovendien gaat het om lieve broeders en zusters en hebben wij absoluut niet de intentie om hen persoonlijk aan te vallen. Het moet echter altijd mogelijk blijven een bepaalde leer of visie, ook als die zeer invloedrijk is, aan de hand van de Bijbel te toetsen (Hand. 17:10-11). Daarbij kan men de broeders en zusters van harte liefhebben, ook wanneer een bepaalde leer geheel of ten dele moet worden afgewezen of op zijn minst van stevige vraagtekens moeten worden voorzien.

Daarbij moeten we de opmerking maken dat de bedelingenleer soms ook in gematigde vorm wordt gebracht. Hoewel we niet voor niets een aantal pittige kanttekeningen bij de leer der bedelingen willen plaatsen, erkennen we zeker dat niet elke (milde) aanhanger van de bedelingenleer zover gaat als wij bovenstaand schetsten over het Onze Vader, de Bergrede en het zendingsbevel of grote opdracht. Namelijk, dat die alle drie op Joden gericht zijn en niet voor ons van toepassing zouden zijn, omdat wij tot de genadebedeling van de Gemeente behoren. Voor de extreme ultra-bedelingenleer verwijs ik naar mijn boek De Schrift recht snijden? Die is hier dus niet aan de orde.

Er zijn er die een lied als ‘Zoek eerst het Koninkrijk van God’ (Opwekking 40) bewust en principieel niet zingen, omdat in hun zienswijze Jezus alleen Koning der Joden is en Hoofd (maar geen Koning) van de Gemeente als lichaam van Christus. Er zijn er echter ook die het lied rustig zonder problemen meezingen. Over het algemeen heeft men veel moeite met Koninkrijksliederen in de Opwekkingsbundel, omdat het Koninkrijk een specifiek Joodse zaak zou zijn.

Het opzetten van de bril van de bedelingenleer heeft een grote impact op het verstaan van de Bijbel. We maken daarom kritische kanttekeningen bij een aantal facetten van het zogenaamde dispensationalisme.

Bezwaar 1 De strikte scheiding tussen Israël en de Gemeente

Volgens de bedelingenleer is er een splitsing tussen het evangelie van het Koninkrijk en het evangelie van de genade. Het is ons echter duidelijk geworden dat Paulus beide aspecten van het ene evangelie in één adem noemt: “Maar ik maak mij nergens zorgen over, en ook acht ik mijn leven niet kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, evenals de bediening die ik van de Heere Jezus ontvangen heb om te getuigen van het Evangelie van Gods genade. En nu, zie, ik weet dat u allen, bij wie ik rondgereisd ben en het Koninkrijk van God gepredikt heb, mijn gezicht niet meer zullen zien” (Hand. 20:24-25). Hier zien we dat de genade en het Koninkrijk onderscheiden worden, maar niet uit elkaar worden getrokken en tot twee geheel aparte zaken worden gemaakt, zoals de bedelingenleer doet.

Terloops merken we op dat het terecht is dat de bedelingenleer stelt dat de Gemeente pas bij Handelingen 2 begonnen is en niet zoals de verbondsvisie meent te moeten spreken over de Kerk van Adam af. De verbondsleer schetst een doorgaande lijn van het oude verbond naar het nieuwe verbond, in plaats van er rekening mee te houden dat het nieuwe verbond weliswaar parallel loopt met het oude, maar dan op een hoger, dat wil zeggen: hemels of geestelijk niveau (bijv. de hogepriester, de priesters, de wet van de Sinaï, de besnijdenis, de sabbat, de tempel, de strijd, enzovoort, zaken die allemaal van de aarde verheven worden naar een geestelijke en innerlijke dimensie). De schaduw van Israël wordt overgezet in de werkelijkheid in Christus en de Gemeente. De oudtestamentische gelovigen genoten niet die voorrechten die wij in het nieuwe verbond mogen genieten in het werk van Jezus Christus en de uitstorting van de heilige Geest, waardoor er overwinningsleven mogelijk wordt wat in het oude verbond niet kon. Het nieuwe verbond is een beter verbond, een woord dat maar liefst 14x in de brief aan de Hebreeën voorkomt.

De periode die beschreven wordt in de evangeliën over het leven, het voorbeeld en de prediking van Jezus beschouwt de bedelingenleer als het aanbieden van het Koninkrijk aan Israël en dat ging in het boek Handelingen in een overgangsfase nog een tijdlang door (bijv. Hand. 8:12; Hand. 19:8). Dat evangelie van het Koninkrijk zou niet voor de heidenen zijn. Echter al vanaf  Hand. 10:44-48, vergelijk Hand. 11:1,13-18 zien wij dat er heidenen tot bekering komen en de heilige Geest als gave over hen uitgestort wordt.

Vanaf  Hand. 13:46-47 wendden de apostelen zich tot de heidenen: “Het was nodig dat het Woord van God eerst tot u (Joden) gesproken zou worden, maar aangezien u het verwerpt en uzelf het eeuwig leven niet waardig oordeelt, zie, wij wenden ons tot de heidenen, Zo immers heeft de Heere ons geboden. Ik heb u tot een licht voor de heidenen gesteld, opdat u tot zaligheid zou zijn tot aan het uiterste van de aarde.” In Hand. 15:11 staat dat Petrus op het zogenaamde apostelconvent zegt: “Maar wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus op dezelfde wijze zalig te worden als ook zij.” De bedelingenleer maakt een tegenstelling tussen Koninkrijk en genade – en daarmee ook tussen Jood en heiden – die er niet is.

Zelfs in het laatste hoofdstuk van Handelingen predikt Paulus nog steeds het evangelie van het Koninkrijk aan Joden EN aan heidenen. In Hand. 28:23 staat met betrekking tot Joden: “Hij legde het Koninkrijk van God aan hen uit…” Hand. 28:28 zegt: “Laat het u dan bekend zijn dat de zaligheid van God aan de heidenen gezonden is, en die zullen luisteren.” Verder zien we in Hand. 28:30 zien we dat hij ditzelfde evangelie ook aan heidenen die naar hem toe kwamen verkondigde: “Hij predikte het Koninkrijk van God en gaf onderwijs over de Heere Jezus Christus…” Conclusie: het evangelie van het Koninkrijk was niet exclusief voor Israël.

Hoe scheidt de bedelingenvisie dan toch ‘genade’ en ‘Koninkrijk’? Toen Israël het aangeboden evangelie van het Koninkrijk verwierp tijdens Jezus’ leven en het eerste deel van de Handelingenperiode, heeft God (volgens het bedelingenconcept) het evangelie van de genade voor de heidenen als intermezzo ingelast, ook wel de bedeling van de genade genoemd. Israël werd terzijde gezet. God zou het Koninkrijk voor Israël hebben opgeschort of uitgesteld en dit Koninkrijk komt dan opnieuw voor hen aan bod in het vrederijk van duizend jaren.

De bedelingenleer stelt in feite dat God een plan A met Israël heeft en toen dit door hen afgewezen werd, heeft God er met de Gemeente een plan B tussengevoegd, om later na de opname van de Gemeente de draad met Israël weer op te pakken. Volgens de bedelingenleer was het geheimenis van de Gemeente in de bedeling van genade zelfs niet bekend bij de oudtestamentische profeten, een opvatting die grote vragen oproept. God was er namelijk al van meet aan op bedacht om ook een volk voor Zijn naam uit de heidenen te vergaderen (Hand. 15:14). In Romeinen 9:23-24 gaat het over de voorwerpen van ontferming die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid en DAT ZIJN WIJ, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen (Rom. 9:23-24). Aldus de interpretatie en toepassing naar de Gemeente door Paulus van verzen uit de profetieën in Hosea 1:10 en Hosea 2:22 die aanvankelijk op Israël lijken te slaan. In Gen. 2:24 staat: “Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.” Hier vinden we al een zinsnede die de apostel Paulus in Ef. 5:31-32 naast het huwelijk ook van toepassing verklaart op de Gemeente: “Dit geheimenis is groot; maar ik spreek met het oog op Christus en de gemeente.” Wat aan Paulus werd geopenbaard ging uiteraard veel verder dan wat aan de profeten werd getoond. Niettemin lezen we: “Naar deze zaligheid hebben de profeten die geprofeteerd hebben over de genade die aan u bewezen is, gezocht en gespeurd. Zij onderzochten op welke en wat voor tijd de Geest van Christus, Die in hen was, doelde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat op Christus komen zou, en ook van de heerlijkheid daarna. Aan hen werd geopenbaard dat zij niet zichzelf, maar ons dienden in de dingen die u nu verkondigd zijn door hen die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die vanuit de hemel gezonden is; dingen, waarin de engelen begerig zijn zich te verdiepen” (1 Petr. 1:10-12). De profeten profeteerden dus over ons die onder de genade zijn, dus over Christus en de Gemeente.

Bezwaar 2 Sommige gaven van de Geest kunnen niet functioneren in de genadebedeling

Volgens de bedelingenleer zijn bepaalde Geestesgaven er alleen bij de aanbieding van het Koninkrijk aan Israël in het verleden of in het komende Koninkrijk voor Israël in de toekomst. Te denken valt aan de gave van profetie, de gaven van genezingen, het spreken in talen (of: tongen) en het uitdrijven van boze geesten. Wat het laatste betreft: men gelooft veelal dat een kind van God niet op een bepaalde sector van zijn leven gebonden kan zijn door een boze geest. De zojuist opgesomde gaven zouden niet meer aanwezig zijn in de huidige bedeling van de genade. Kortom: deze Geestesgaven zouden voor vroeger of voor later zijn, maar niet actueel voor nu, voor ons. Waar zij toch voorkomen, denkt men al gauw aan misleiding of bedrog door mensen en/of demonen.

De twijfelhaken bij Marc.16:17-18 (eigenlijk van vers 9 t/m 20), waar we lezen over “En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen” worden onder andere door de bedelingenleer in de praktijk gehonoreerd. Daar worden onder meer vermeld: het uitdrijven van boze geesten, het spreken in nieuwe tongen en het op zieken de handen leggen tot genezing. Daardoor wordt deze passage als niet relevant, zeker voor ons in de tegenwoordige bedeling, terzijde gelegd. Echter, er zijn ongeveer 4000 handschriften, waarbij in maar twee handschriften van de 618, waarin de evangeliën voorkomen, de gewraakte verzen ontbreken.

Wij mogen ook in onze tijd het voorbeeld van Jezus volgen opdat wij Zijn voetsporen zouden navolgen (1 Petr. 2:21-22). Dat zal de vrucht van de Geest openbaren (Gal. 5:22). Wij mogen Jezus echter ook volgen in Zijn werken van genezing en bevrijding, zoals Hij aangaf: “Zie, Ik drijf demonen uit en verricht genezingen en op de derde dag ben Ik gereed” (Luk. 13:32) en: “hoe God Jezus van Nazareth gezalfd heeft met de heilige Geest en met kracht en hoe Hij het land doorgegaan is, terwijl hij goeddeed en allen die door de duivel overweldigd waren, genas, want God was met Hem (Hand. 10:38). Marc. 16:17-18 blijft een wezenlijk onderdeel van de grote opdracht die Jezus ons gaf.

De Bijbel leert: “wat dan profetieën betreft, zij zullen tenietgedaan worden, wat talen betreft, zij zullen ophouden, wat kennis betreft, zij zal teniet gedaan worden. Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele, maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, zal wat ten dele is, teniet gedaan worden” (1 Kor. 13:8-10). Waar ‘ten dele’ staat, geven andere vertalingen ‘onvolkomen.’ Maar wanneer zullen deze zaken ten einde komen? Dat is het geval “wanneer het volmaakte zal gekomen zijn” en “dan zal ik kennen, zoals ik zelf gekend ben” (1 Kor. 13:12). Dit volmaakte is niet gekomen bij na de dood van de apostelen en ook niet bij het tot stand komen van de canon van bijbelboeken, maar dat komt pas bij de komst van Jezus Christus in heerlijkheid en de openbaring van de zonen van God.

Als we resumeren is er geen bijbels argument om de genoemde gaven van de Geest op ‘sterk water’ te zetten en ze naar vroeger te verwijzen. Er is ook geen bijbelse reden om ze in onze tijd te parkeren tot later. Alle geestelijke gaven in 1 Kor. 12 en in Rom. 12 mogen nog steeds als werkingen in het lichaam van Christus, dat is de Gemeente, op gezonde wijze functioneren in balans met de vrucht van de Geest. Dat neemt niet weg dat we zeker kritisch mogen en moeten zijn op allerlei ultra- en extreme charismatische manifestaties die de toets aan de Bijbel niet kunnen doorstaan. We denken bijvoorbeeld aan de uitingen van het vallen, lachen, soaken, beven en schudden in de geest, verschijnselen die op het zielse of zelfs demonische vlak liggen. Daarin zien we met de bedelingenbroeders grote gevaren!

Het misbruik van de gaven betekent niet dat wij ze in uit angst maar niet zullen gebruiken, maar wij mogen ernaar streven de gaven van de Geest in balans met de vrucht van de Geest aan te wenden en toe te passen. De gaven zijn niet slechts facultatief of optioneel, maar dienen allemaal de opbouw van de gemeente (1 Kor. 14:12). De Heere wil ons niet onkundig laten, want Paulus schrijft: “Wat nu de geestelijke gaven betreft, wil ik niet dat u onwetend bent” (1 Kor. 12:1). Voorzichtig met de gaven omspringen is wijs, maar de grote reserves of zelfs de afwijzing die de bedelingenleer koestert tegen een aantal van de gaven van de Geest zijn onterecht. Het in onbruik laten van het nut en de opbouw door bepaalde Geestesgaven, die God ook voor ons heeft bedoeld, is een neveneffect dat de bedelingenleer met zich meebrengt. Zolang het volmaakte nog niet is gekomen, dienen de gaven de Geest niet op een onbijbelse wijze uitgerangeerd te worden.

Bezwaar 3: De gemeente wordt als een hemels volk gezien en Israël als een aards volk

De leer van de opname voor de grote verdrukking van de Gemeente is een belangrijk onderdeel van de bedelingenleer. De Gemeente heeft een hemelse roeping (Hebr. 3:1, maar dat wil in de denktrant van de bedelingenleer ook zeggen: de gelovigen in Christus worden dan ten hemel opgenomen als de Heer hen wegvoert in de lucht [naar 1 Thess. 4:13-18]). De gedachtegang is dan dat het aardse, natuurlijke Israël door de grote verdrukking heen moet, maar dat God zijn andere (?JdB) volk het ‘stokje’ over laat nemen, terwijl de Gemeente boven in de hemel is om zeven jaar de bruiloft van het Lam te vieren (een bijbelse link om het laatste te onderbouwen is er mijns inziens niet, JdB).

Om dit te illustreren gebruikt men het bergtoppen-verhaal. Als twee bergtoppen in elkaars verlengde liggen kun je als je ervoor staat het dal dat tussen die bergtoppen ligt niet zien. Kijk, stelt men, zo zagen de profeten in het oude verbond de periode van de Gemeente niet die tussen de eerste en de tweede komst van Christus ligt. Zie je wel, het geheimenis van de Gemeente is pas aan Paulus geopenbaard, zegt men vervolgens. Natuurlijk kreeg Paulus door openbaring van God een veel scherper zicht op het geheimenis van de Gemeente, maar dat wil niet zeggen dat het oude testament geen verwijzingen naar de Gemeente geeft, want dat is nadrukkelijk wel het geval.

We lezen dat de Gemeente het middel van God is in het nieuwe verbond. “Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden voor ons, en ze zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, over wie het einde van de eeuwen gekomen is (1 Kor. 10:11). Israël is de schaduw en de Gemeente is de werkelijkheid. Daarom lezen we ook: “opdat nu door (middel van) de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden” (Ef. 3:10). In Gods plan staan Christus en de Gemeente centraal (Ef. 1:22-23).

In de bedelingenzienswijze is de scheiding tussen de Gemeente en Israël compleet en zouden er twee volken van God zijn. Terwijl Ef 2:14-16 zo klip en klaar leert dat de tussenmuur tussen Jood en heiden afgebroken is en God hen tot één lichaam, de Gemeente, heeft gemaakt. In Joh. 10:14-16 lezen we: “Ik ben de goede Herder en Ik ken de Mijnen en wordt door de Mijnen gekend, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik geef Mijn leven voor de schapen. Ik heb nog andere schapen (heidenen) die niet van deze schaapskooi (Israël) zijn; ook die moet Ik binnenbrengen, en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden één kudde en één Herder.” In de bedelingenleer wordt de tussenmuur weer opgericht die juist in Christus omver was gehaald. Zo wordt het ene volk van God in Christus (allen geestelijk zaad van Abraham volgens Gal. 3:29) weer opgesplitst in twee volken van God, Israël en de Gemeente, met een verschillende roeping. Het betreft toch één kudde met één Herder?!

De roeping van de Gemeente is allereerst hemels (Hebr. 3:1). In de toekomst van het duizendjarige rijk en de nieuwe aarde, waarop het nieuwe Jeruzalem neerdaalt, komt ook de aarde weer uitdrukkelijk in het vizier (vergelijk Ps. 37:11; Matth. 5:5). Gods herstelplan vindt op machtige wijze doorgang in hemel (wordt ‘schoongeveegd’ van boze geesten), op aarde (de schepping wordt hersteld: mensen, dieren, planten) en zelfs in het dodenrijk (wordt ontmanteld bij het eindoordeel: scheiding vindt plaats tussen hen die naar de poel van vuur gaan en zij die in het boek van het leven staan om op de nieuwe aarde genezing te vinden door middel van de bladeren van het geboomte van het leven, Openb. 22:1-2). Volgens de ‘bedelingenleer-bijbel’ – de Scofield Reference Bible – is bij het eindoordeel in Openb. 20:11-15 het boek van het leven slechts aanwezig om zulken te antwoorden die hun werken tot rechtvaardiging bepleiten (Matth. 7:22-23) en “waar hun naam had moeten staan, is het verschrikkelijk leeg”, schrijft hij. Scofield gaat er vanuit dat er niemand in het boek van het leven staat, dat het dus blanco is en dat allen die voor de grote witte troon staan na de tweede opstanding in de poel van vuur worden geworpen. Een boek zonder namen is iets ongerijmds, want de Bijbel noemt in Openb. 20:15 beide mogelijkheden: wel of niet in het boek van het leven staan (in het boek van het leven van het Lam staan de gelovigen in Christus, Openb. 13:8; Openb. 21:27).

De Gemeente en Israël spelen in de bedelingenvisie beide een geheel aparte rol in de eindtijd. Er is in de bedelingenleer een geheime komst van Christus voor de Zijnen en zeven jaar later een openbare komst van Christus met Zijn Gemeente. Dus in feite twee wederkomsten. In het duizendjarige rijk zou het aardse Israël weer de rol als hoofd der volken op zich gaan nemen. Daarbij zou Christus dan zichtbaar op de troon van David in (het aardse) Jeruzalem zitten en zou ook de stenen tempel en de zichtbare offerdienst met priesters en levieten weer hersteld worden.

Bezwaar 4: Het Koninkrijk der hemelen en het Koninkrijk van God zijn iets heel verschillends

Men verklaart in de bedelingenleer het “Koninkrijk der hemelen” en het “Koninkrijk van God” tot twee aparte zaken. Het Koninkrijk der hemelen beschouwt men als een aards, messiaans rijk, terwijl het Koninkrijk van God geestelijk van aard is.

Maar hoe kan het dan dat deze begrippen als synoniemen worden gebruikt voor een en hetzelfde?

  • Vergelijk Matth. 11:12: “En van de dagen van Johannes de Doper af tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en geweldenaars grijpen het” met Luk. 16:16: “De Wet en de Profeten zijn er tot Johannes. Vanaf die tijd wordt het Koninkrijk van God verkondigd, en ieder doet het geweld aan.”
  • Of Matth. 4:17: “Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen” vergeleken met Marc. 1:14-15: “En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea en predikte het evangelie van het Koninkrijk van God, en Hij zei: De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen; bekeer u en geloof het Evangelie.”
  • Nog zo’n tekst: “En als u op weg gaat, predik dan: Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen” (Matth. 10:7) en daarnaast: “En Hij zond hen op weg om het Koninkrijk van God te prediken en de zieken te genezen” (Luk. 9:2).
  • Daarbij is er ook een vers dat beide begrippen bij elkaar noemt: “Jezus zei tegen Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u dat een rijke moeilijk het Koninkrijk der hemelen kan binnengaan. Nogmaals zeg Ik u: Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat (Matth. 19:23-24).

We zien dus veeleer een grote overeenkomst in beide uitdrukkingen. Het term ‘Koninkrijk der hemelen’ doet ons denken aan het begrip ‘hemelse gewesten’ dat Paulus vijf keer in de Efezebrief gebruikt (Ef. 1:3; Ef.1:20; Ef. 2:6; Ef. 3:10; Ef. 6:12). In Matth. 13 spreekt Jezus zeven gelijkenissen uit met de zinsnede: “Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan…”. Hij citeerde uit Ps. 78:2: “Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen; Ik zal over dingen spreken die verborgen waren vanaf de grondlegging van de wereld” (Matth. 13:35). In het oude verbond verzuchtte de profeet: “Och, dat U de hemel zou openscheuren, dat U zou neerdalen…” (Jes. 64:1). Jezus sprak in aardse beelden, maar verhelderde daarmee  de onzichtbare wereld . Het Koninkrijk der hemelen duidt de geestelijke wereld aan met haar lichtzijde en duistere zijde, terwijl het Koninkrijk van God alleen op de goede kant van de geestelijke wereld doelt. Het Koninkrijk der hemelen kunnen we onderverdelen in: Koninkrijk van God, koninkrijk van satan en het dodenrijk. In het plan van God bestaan er geen twee afzonderlijke Koninkrijken, maar is er bij de komst van de Heere op aarde slechts van één Koninkrijk sprake. Dat breekt zich nog steeds krachtig baan! Terecht sprak de Meester over: “Het Koninkrijk van God is binnen in u” (of: onder u) (Luk. 17:21) en Hij zei: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld” (Joh. 18:36). Anderzijds leerde Hij de discipelen bidden: “Uw Koninkrijk kome” (Matth. 6:2; Luk. 11:2). Wij leven in het ‘reeds’ en het ‘nog niet’, of anders uitgedrukt: “De duisternis gaat voorbij en het ware licht schijnt reeds” (1 Joh. 2:8b).

Bezwaar 5 Jezus Christus kan vannacht al terugkomen

Niets zou de opname of wegvoering van de Gemeente nog in de weg staan. Het is vijf minuten of zelfs 1 minuut voor twaalf en men gelooft dat ‘Jezus kan vannacht komen.’ De opname kan elk moment – zonder dat er eerst noodzakelijk nog dingen moeten gebeuren – in een oogwenk, in een ondeelbaar ogenblik, of in een punt des tijds plaatsvinden. We vragen ons daarbij het volgende af:

  • Moet niet eerst aan alle volken het evangelie worden gebracht? (Matth. 24:14). Die tekst heeft het over het ‘evangelie van het Koninkrijk’ en in het bijzonder is het evangelie van Mattheüs aan Joden gericht, dus gelooft men dat Israël, dat wil zeggen de 144.000 van Openb. 7:1-8, weer het zendingsvolk zal worden dat de grote schare binnenhaalt (Openb. 7:9-14). Het zal volgens deze visie Israël lukken, wat de Gemeente in 2000 jaar niet gelukt is, om het evangelie aan alle volken te verkondigen. Hoe dat kan zonder de heilige Geest is een groot raadsel, want men gelooft dat met de opname van de Gemeente voor de grote verdrukking ook de heilige Geest van de aarde is weggenomen. Men baseert dit op 2 Thess. 2:6-7: “En u weet wat hem (de mens der wetteloosheid of de antichrist) nu weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt. Want het geheimenis der wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is.” In de interpretatie van de bedelingenleer is de weerhouder de heilige Geest.

Wij geloven echter dat het evangelie van de genade van God en van het Koninkrijk van God een en hetzelfde evangelie is en dat de grote opdracht aan de discipelen en aan de Gemeente (uit Jood en heiden) is gegeven die dit in de kracht van de Geest zal uitvoeren (Matth. 28:19; Hand. 1:8).

  • Hebben we de late of spade regen niet nodig die de oogst rijp zal maken? (Jak. 5:7-8; Joël 2:23-32, vergelijk Marc. 4:26-29). Neemt de Heere een onrijpe Gemeente van onvolgroeide ‘kasplantjes’ op? Zal de Heere een falende Gemeente wegvoeren? Of is het de bedoeling dat wij ons gereed maken (Matth. 25:10; Openb. 19:7-8) voor Zijn komst in plaats van alleen maar gered te zijn door Gods genade?

Het is immers de bedoeling van de Heere dat de Gemeente geestelijk volwassen wordt door de late Geestesregen die over hen wordt uitgestort en die hen innerlijk doorstroomt tot geestelijke groei en heiliging naar de mannelijke rijpheid. De Heere wil toch niet alleen een oogst in kwantiteit (zie het vorige punt), maar ook in kwaliteit?

Gods bedoeling is een groeiproces, opdat de zonen van God (NBG) geopenbaard zullen worden die aan het beeld van de Zoon gelijkvormig gemaakt zullen worden (Rom. 8:14,19,29). Het begrip ‘zonen’ (‘huion’) is zelfs in diverse gangbare vertalingen wegvertaald en vervangen door het zwakkere ‘kinderen’ (dan zou er ‘teknon’ moeten staan).

Er is innerlijke toebereiding nodig in de eindtijd van een volk van God dat dwars door het vuur van de grote verdrukking heen zal moeten. Er komt niet meer een zondvloed van water, maar van demonisch vuur, waarmee de Gemeente dan geconfronteerd zal worden. Door de toenemende kracht van de heilige Geest als sterkere tegendruk houdt zij het uit en blijft zij staande. Na de grote verdrukking gaat zij haar Heere tegemoet in de lucht, niet om met Hem naar de hemel te gaan, maar om Hem in te halen naar de aarde, waar Christus met de zonen van God (de ‘heilanden’ of ‘verlossers’ uit Obadja 21) het vrederijk zal oprichten, om samen met Hem de zuchtende schepping te herstellen.

Wanneer wij de betekenis van het woordje ‘tegemoet’ willen verstaan, dan moeten we vergelijken met andere Schriftplaatsen waar dit voorkomt. In Matth. 25:6 lezen we: “En te middernacht klonk er een geroep: Zie, de bruidegom komt, ga naar buiten, hem tegemoet.” Verder zien we in Hand. 28:14b-16a  het volgende: “…En zo gingen wij (van Puteoli, vers 13) naar Rome. En daarvandaan kwamen de broeders, die van onze zaken gehoord hadden, ons tegemoet tot Appiusmarkt en de Drie Tabernen. Toen Paulus hen zag, dankte hij God en vatte hij moed. En toen wij in Rome aangekomen waren…”

Hier zien wij dat dit tegemoet gaan een opwachten, een verwelkomen en een inhalen betekent. Als wij iemand die bij ons komt afhalen bij de trein gaan wij hem tegemoet naar het station. Dan gaan wij niet met onze gast terug naar de plaats waar hij vandaan komt, maar dan gaat hij met ons mee naar huis. Zo is het ook met het Hem tegemoet gaan in de lucht om Hem te ontmoeten. Dat is niet om met Hem terug naar de hemel te gaan, maar om samen met Hem naar de aarde te gaan.

  • Moet niet eerst, voordat Jezus terugkomt, de afval plaatsgrijpen in de christenheid en de antichrist zich openbaren? In 2 Thess. 2:3 lezen we immers: “Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij EERST de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is.” Daarvoor had Paulus al aangegeven: “En wij vragen u dringend, broeders, met betrekking tot de komst van de Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn” (2 Thess. 2:1-2). Want daaraan voorafgaand zijn de afval en in combinatie daarmee de openbaring van de antichrist aan de orde.
  • De Bijbel leert de opname – het Hem tegemoet gaan – na de grote verdrukking: “En meteen NA de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden. EN DAN zal aan de hemel het teken van de Zoon des mensen verschijnen; en dan zullen alle stammen der aarde rouw bedrijven en zij zullen de Zoon des mensen zien, als Hij op de wolken van de hemel komt met grote kracht en heerlijkheid. En Hij zal Zijn engelen uitzenden onder luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste ervan” (Matth. 24:29-31). In Joh. 17:15 lezen we: “Ik bid niet dat u hen in deze wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze.” We denken onwillekeurig ook aan de drie vrienden van Daniël die in de brandende over door een engel van God bewaard werden (Dan. 3). En aan de geweldige belofte in Jes. 43:2: “Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, geen vlam zal u aansteken. Want Ik ben de Heere, uw God, de Heilige van Israël, uw Heiland” (Jes. 43:2b, 3a). De Gemeente zal bewaard worden in de ‘zondvloed van vuur’ (demonie) in de grote verdrukking.

Voor een bespreking van meer argumenten en teksten: zie mijn uitvoerige artikel “Wordt de Gemeente voor de grote verdrukking opgenomen?”

Bezwaar 6 Beelden in Openbaring worden letterlijk, aards en natuurlijk ingekleurd

De Maranathavisie heeft de spoedige komst van de Heer gepredikt, maar veel mensen daarbij laten geloven dat ze vóór de grote verdrukking worden opgenomen. Deze opnameleer met de gedachte: ‘de Heer kan vannacht al komen’ was daarbij funest, evenals de rampenscenario’s daarna. Daarbij kleurde men de bijbelse beelden in het boek Openbaring op natuurlijk en aards niveau in wat resulteerde in ‘het drama van de eindtijd.’

Bedenkelijk is dat een evangelie van ‘angst en dreiging’ een grote plaats krijgt in eindtijdboeken en romanseries over de eindtijd. Het evangelie van de ontwikkeling, van het groeiproces naar het positieve doel van God: de openbaring van de zonen Gods (Rom. 8:19, NBG) wordt veel te weinig naar voren gebracht of wordt zelfs helemaal niet gezien. De Heere roept ons immers niet door angst en dreiging, maar door Zijn heerlijkheid en macht (2 Petr. 1:3). Het boekje ‘Verdwenen’ (uit de serie romans voor kinderen van Jenkins/La Haye) gewaagt van enorme kettingbotsingen, neergestorte vliegtuigen en aan de grond gelopen schepen, omdat er dan plotseling mensen ‘weg’ zijn van de aarde, terwijl hun kleren achterbleven. Arme kinderen die dergelijke eindtijdtaferelen ter lezing krijgen aangeboden, waarbij de levende hoop van het evangelie niet uit de verf komt.

We denken ook aan films als ‘Like a thief in the night’, gebaseerd op de opname voordat de grote verdrukking losbarst, en ‘Left behind’, omdat velen op aarde achtergelaten zullen worden. Voor ons geldt echter iets heel anders: “Maar u, broeders, bent niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen, want u bent allen kinderen van het licht en kinderen van de dag. Wij zijn niet van de nacht en ook niet van de duisternis. Laten wij dan niet, evenals de anderen slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn” (1 Thess. 5:4-6).

Hal Lindsey’s eerste bestseller was het boek ‘The Late Great Planet Earth’, letterlijk vertaald: wijlen de planeet aarde ofwel ‘De planeet die aarde heette’, in de verleden tijd dus. Met andere woorden: alles van de door God oorspronkelijk goed geschapen schepping zou door geweld verwoest en vernietigd worden. Echter, wij geloven dat God wat Hij goed geschapen heeft niet zal (laten) vernielen, maar wel verwisselen zal als een kleed (Ps. 102:26-27). Onze verwachting is dat God alle dingen nieuw zal maken (Openb. 21:5) en wij te maken zullen krijgen met een vernieuwde hemel en aarde, die gezuiverd is van alle machten der duisternis! Hoe heerlijk is het dat wij daarbij een werkzaam aandeel mogen leveren als zijn dienstknechten!

Van een geestelijk-symbolische uitleg moet men over het algemeen in de bedelingenleer weinig tot niets hebben. Velen willen de Bijbel naast hun krant kunnen lezen, maar vergeten dat de Bijbel een geestelijk boek is dat de vraag rechtvaardigt “verstaat gij wat gij leest?” Wij trachten de symbolen in de Openbaring geestelijk te verstaan in het herstelplan van God. Gods eeuwig voornemen beoogt het herstel van de mens, de Gemeente en de schepping en niet de rampen die plaatsgrijpen vanuit het rijk der duisternis door middel van de grote verdrukking (het geestelijke vuur van demonen).

Van de betekenis van de geestelijke beelden in Openbaring, die doorgaans ontleend zijn aan het oude testament, geef ik nu een aantal voorbeelden:

  • De sprinkhanen die volgens Openbaring 9 uit de put van de afgrond komen, zijn niet ‘helikopters’ volgens een natuurlijke uitleg, maar een beeld van boze geesten, zoals uit het tekstverband blijkt.
  • De straat (letterlijk: plein) van goud in Openbaring 21 is niet letterlijk, maar de straat is beeld van onze geestelijke wandel en het goud staat symbolisch voor Gods heerlijkheid. Wij moeten niet op ons straatje blijven lopen en ons niet blijven houden aan dingen die in ons straatje passen. God wil dat we in Zijn ‘straatje’ gaan wandelen, ook nu al.
  • Bij “Zie, Hij komt met de wolken” (Openb. 1:7; Openb. 14:14) ziet men het beeld van de natuurlijke regenwolk vaak als de werkelijkheid. De wolk is beeld van de Gemeente (vergelijk de ‘wolk van getuigen’ in Hebr. 12:1), een symbool van haar positie in de hemelse gewesten. Christus is samen met al Zijn heiligen (1 Thess. 3:13) en met hen en de engelen komt Hij weer in heerlijkheid (Kol. 3:4, Judas 14, Zach. 14:5, Openb. 19:14).
  • De genoemde opnametheorie meent dat de gemeente bij Openb. 4:1 (“Klim hierheen op”…) al verdwenen is naar de hemel, waardoor zij dit boek aan de Gemeente onthoudt. Omdat de Gemeente de aarde zal ontvluchten (volgens de bedelingenleer) spreekt Openbaring 4 t/m 19 in hun optiek nergens over de Gemeente. In Openb. 1:4 en in Openb. 22:16, dus aan het begin en het eind van het boek, gaat het uitdrukkelijk over de gemeenten.
  • In Openbaring 12 meent de R.K.-uitleg dat de vrouw Maria is en de bedelingenleer verklaart de vrouw als Israël. Maar Openbaring 12 spreekt over een groot (‘mega’ in het Grieks) teken dat in de hemel (de geestelijke, onzichtbare wereld) gezien werd: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd. De vrouw als verzamelnaam is hier het type van de Gemeente, de vrouw van het Lam (wij houden consistent dezelfde betekenis voor ‘vrouw’ aan, zie Openb. 19:7; Openb. 21:9). Het beeld van de zon verwijst naar God, de maan onder haar voeten ziet op Jezus Christus, de afdruk van Gods wezen en de afstraling van Gods heerlijkheid (Hebr. 1:3). De vrouw rust dus op het fundament, Jezus Christus, die het Woord van God wordt genoemd (1 Kor. 3:11; Openb. 19:13). De krans van twaalf sterren op haar hoofd symboliseert de leer van de twaalf apostelen, waardoor de Gemeente is vernieuwd in haar denken (Rom. 12:2). “En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenvolken zal hoeden met een ijzeren staf (Openb. 2:26-27; Ps. 2:9). De mannelijke zoon is een verzamelnaam voor de overwinnaars, de eerstelingen, de zonen van God, die de volwassen man of de mannelijke rijpheid bereiken (Ef. 4:13). Het gaat hier in Openbaring 12 niet om de geschiedenis van Jezus’ geboorte als kind, maar om zoonschap: “wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met Mijn Vader op Zijn troon” (Openb. 3:21).
  • Bij het begrip de ‘berg Sion’ in Openbaring moeten wij niet denken aan de natuurlijke berg Sion van 765 meter bij Jeruzalem. “En ik zag, en zie, het Lam stond op de berg Sion, en bij Hem stonden honderdvierenveertigduizend mensen met op hun voorhoofd de Naam van de Vader” (Openb. 14:1; vergelijk Openb. 21:10). Over deze geestelijke berg lezen wij eveneens in Hebr. 12:22: “Maar u bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem…” (vergelijk Rom. 9:33; 1 Petr. 2:6).

Als in Jesaja 2:1 en 2 gesproken wordt de berg van het huis van de Heere die vast zal staan als de hoogste van de bergen, dan moeten we dit niet aards verstaan alsof deze berg hoger zal worden dan de Mount Everest. Het gaat om een geestelijk beeld. De berg Sion wordt symbolisch getypeerd als hoogste berg voor de dragende kracht van de heilige Geest. De lagere bergen zijn in de Bijbel beeld voor de demonische machten. Dat zijn bergen die wij in Jezus’ naam in de zee (beeld van de afgrond) mogen werpen (Matth. 21:21; Luk. 17:6; vergelijk ook Ps. 68:16-17).

  • “De tempel in Jeruzalem zal worden herbouwd” is ook een gedachte uit de Maranathavisie en de bedelingenleer met een verwijzing naar Openb. 11:1-2 en 2 Thess 2:4. Een (eventueel) te bouwen tempel in Jeruzalem met priesters uit de stam Levi, die schaduwachtige offers brengen, is voor ons van geen enkele geestelijke waarde. Het is een terugkeer van het nieuwe verbond naar het oude verbond. Wij die vanuit het werk van Jezus Christus op Golgotha leven, weten dat het ene grote offer voor onze zonden daar voor eens en altijd (Rom. 6:10; Hebr. 7:27; Hebr. 9:12; Hebr. 10:10,14) gebracht is voor onze zonden en die van de gehele wereld (1 Joh. 2:2). Het opnieuw gaan brengen van dierenoffers is volstrekt nutteloos.

Het Nieuwe Verbond kent een tempel van God in de Geest, dat is de Gemeente, die samengesteld is uit Jood en Griek (Ef. 2:21-22; 2 Kor. 6:16; 1 Petr. 2:5; 1 Tim. 3:15; 1 Kor. 3:16-17; Hebr. 3:6). Als wij Schrift met Schrift vergelijken, dan kan het woord ‘tempel’ in het nieuwe testament, dat overal geestelijk voor de gemeente wordt gebruikt, niet ineens weer een letterlijke tempel betekenen. In het nieuwe verbond is de tempel toch een geestelijk huis met levende stenen (1 Petr. 2:5), dat wil zeggen: de gelovigen zelf. Als er in de toekomst een zichtbare tempel zou worden gebouwd, dan is die van geen enkele waarde voor ons die Christus door Gods genade hebben leren kennen. De Allerhoogste woont niet in tempels die door mensenhanden gemaakt zijn (Hand. 7:49; Hand. 17:24). Het gaat niet meer om een zichtbare plaats van aanbidding, want God zoekt aanbidders in geest en waarheid (Joh. 4:20-24).

De twee teksten die men ervoor gebruikt om de tempel toch weer letterlijk te nemen, zijn Openb. 11:1-2 en 2 Thess. 2:4. In het laatste vers lezen we: “De tegenstander, die zich ook verheft tegen al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als god in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als god voordoet.” Velen denken dat dit letterlijk in een herbouwde, stenen tempel in het tegenwoordige Jeruzalem plaats zal vinden. Het gaat hier over de mens der wetteloosheid, de zoon des verderfs, de antichrist. De geest van de antichrist zet zich in de tempel van de mens (die bestemd is voor de heilige Geest, 1 Kor. 6:19) en in de afvallige, Babylonische gemeente, waar men zonde en God tegelijk mag dienen.

In Openb. 11:1-2 zien we: “En mij werd een meetlat gegeven, die op een staf leek. En de engel was erbij komen staan en zei: Sta op en meet de tempel van God, het altaar en hen die daarin aanbidden. Maar laat de buitenste voorhof van de tempel erbuiten en meet die niet, want die is aan de heidenen gegeven. En zij zullen de heilige stad vertrappen, tweeënveertig maanden lang.” In hetzelfde hoofdstuk, namelijk in Openb. 11:19, zien wij: “de tempel Gods, die in de hemel is, ging open…” en weten wij dat het ook hier om de geestelijke betekenis van de tempel gaat. De voorhof is het aardse Babylonische-christendom, dat innerlijk verdeeld is, en wordt prijsgegeven aan de heidenen (= de antichrist en de machten der duisternis nemen de voorhof in). Het vertreden van de heilige stad wijst op het zout dat zijn kracht verloren heeft en vertreden wordt (Matth. 5:13). De tempel en het altaar wijzen op de ware Gemeente, die de volwassenheid, de mannelijke rijpheid, bereikt en gemeten wordt “naar de maat van de wasdom der volheid van Christus” (Ef. 4:13, NBG).

Resumé

De bedelingenleer heeft een flinke impact op de geloofsleer en de eindtijdleer. Deze benadering van Gods Woord haalt het plan van God wat betreft Israël en de Gemeente uit elkaar, omdat men ze als twee aparte volken van God ziet. Grote aandacht krijgt de opname van de Gemeente die vóór de grote verdrukking zou worden opgenomen. Het grootste deel van het boek Openbaring wordt aan de Gemeente ontfutseld door bij de persoonlijke oproep aan Johannes “Klimt hierheen op…” (Openb. 4:1) de opname van de Gemeente in te lezen. Bij de opbouw van christelijke gemeenten worden een aantal gaven van de Geest verworpen voor nu, omdat ze niet tot onze bedeling zouden horen. Het evangelie van het Koninkrijk en het evangelie van de genade van God worden gezien als twee aparte soorten van verkondiging aan respectievelijk Israël en de Gemeente.

Met bijbelse argumenten hebben we getracht de bovengenoemde zaken te ontzenuwen. Hoewel we vrienden hebben die de gematigde bedelingenleer belijden en we ons inzetten voor een zo liefdevol en wijs mogelijke omgang met allen, kom ik samengevat tot de conclusie dat de bedelingenleer niet aanbevelingswaardig is en een behoorlijke wissel trekt op een gezonde, evenwichtige, geestelijke uitleg van de Bijbel.

Jildert de Boer, april 2018.

©Verdieping en Aansporing.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.