Licht over het dodenrijk (deel 3)

LICHT OVER HET DODENRIJK (3)

In dit deel gaat het vooral over de keerzijde: het dodenrijk als een voorlopige situatie richting de hel of poel van vuur.

Machten loslaten of machten vasthouden

Mensen die tegen hun wil overweldigd en overmeesterd zijn door machten der duisternis, willen hun belagers en indringers vóór hun sterven wel kwijt. Zij komen dan soms ineens vanuit hun benauwdheid tot een ruimte, die ze nooit gekend hebben. De machten zien dan kans om als ratten het zinkende schip te verlaten, om niet in de afgrond te komen, waar zij vóór de tijd gepijnigd zouden worden (Matth. 8:29; Luk. 8:31). Zo’n mens kan redding ontvangen door Jezus Christus vlak voor het sterven. Men spreekt wel van ‘stervensgenade.’

De rijke man uit Lukas 16 klampte zich echter vast aan de Mammon en werd meegesleurd door deze macht naar de duistere zijde in het dodenrijk. Als mensen bewust kiezen voor het kwade of het onbarmhartig zijn, gaan ze verloren met de machten aan wie ze gebonden en gehecht zijn.

Lazarus stond model voor de zuchtende schepping in armoede en hopeloosheid, maar die toch ervoer wat zijn naam betekent: “God is mijn hulp.” Hij werd de geestelijk rijke man in het paradijs en de op aarde rijke man werd door de onoverbrugbare kloof in de duistere zijde van het dodenrijk de arme man.

De situatie van de hel in de geestelijke wereld: onbarmhartigheid, haat, geweld en verderf

Vanuit het dodenrijk is er ook die andere mogelijkheid voor hen die leefden met de demonen, die hen gebonden hielden, in de duistere zijde van het dodenrijk. Zij zaten daar in voorarrest.

Wie niet in het boek des levens stond, werd geworpen in de poel van vuur (Op. 20:15). Van de situatie van de hel of poel van vuur (= een geestelijk beeld of symbool van demonische concentratie) is momenteel nog geen sprake. Vuur is in de Bijbel vaker een beeld van demonie. In onze tijd zien wij al dat de boze vurige pijlen op ons richt die wij alle met het schild van het geloof kunnen doven of blussen (Ef. 6:16). Vuur in de geestelijke, onzichtbare wereld kan geen letterlijk vuur zijn, zoals wij dat op aarde kennen.

Deze tweede dood, zoals Openbaring het ook noemt, of buitenste duisternis, zoals Jezus het typeert, zal er pas zijn tegen het einde. In de evangeliën spreekt Jezus 6x over de situatie daar als “het geween en het tandengeknars.” C.S. Lewis zei: “er zijn mensen die nu tegen God zeggen: ‘Uw wil geschiede’ en er komen mensen tegen wie God straks helaas moet zeggen: ‘uw wil geschiede.’ God is uit op de redding van alle mensen (2 Petr. 3:9; Jes. 45:22).

Dat mensen verloren gaan, komt door hun ongehoorzaamheid, als ze liever vastgeklampt willen blijven aan de boze geesten met hun duistere werken. Op die manier hebben zij de duisternis liever dan het licht (Joh. 3:19). Dit betreft de mensen die een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid (2 Tess. 2:12) en dat is heel iets anders dan een ongeloof uit onwetendheid.

De alverzoeningsleer is populair in onze tijd en deze leer stelt dat er een einde komt aan de hel. Alle mensen en soms zelfs alle demonen zullen behouden worden, al dan niet lang een lange louteringstijd. Jezus is echter nooit in de tweede dood geweest, dus daaruit is geen verlossing mogelijk.

Een andere variant is dat de ongelovigen simpelweg worden vernietigd en de hel heeft dan opgehouden te bestaan. De Bijbel echter beschrijft de hel als een blijvende realiteit in de geestelijke wereld, een situatie van eeuwig verderf die ver van het aangezicht des Heeren is (2 Tess.1:9).

De hel of het eeuwige vuur is voor de duivel en zijn engelen bereid of bestemd (HSV) (Mat. 25:41), is dus in principe niet voor mensen bedoeld en bestaat op dit ogenblik nog niet. God stuurt geen mensen naar de hel, maar levert hen over aan de door henzelf gekozen situatie. Als mensen zich vast blijven hechten aan de machten der duisternis die zij dienen, dan worden ze uiteindelijk meegezogen naar de afgrond, de duistere zijde van het dodenrijk. Zo komen zij samen met de machten, die ze vasthielden, in deze situatie terecht. Daar worden zij door de doodsmachten met geweld onder dwang vastgehouden. Zij belanden uiteindelijk met dood en dodenrijk in de poel van vuur. Bij het oordeel of de scheiding voor de grote witte troon lezen we: Hem die daarop gezeten was, “voor wiens aangezicht aarde en hemel vluchtten”, dat wil zeggen: mensen en machten vluchtten weg, omdat ze het licht van God (de grote witte troon) niet konden verdragen en vluchtten naar de buitenste duisternis (Op. 20:11).

We zien op aarde een schaduwbeeld hiervan, waar wrede heersers als dictators door grof geweld en het zaaien van haat dwang uitoefenen en goedwillende, gematigde mensen, die niet hun ideologie of religieus geladen overtuigingen willen overnemen, op een afschuwelijke manier kruisigen of onthoofden. Als christenen gekruisigd worden, dan kruisigt men in feite Jezus Christus nog een keer. Heel veel oorlogen zijn in wezen godsdienstoorlogen, waarbij onzichtbare satanische machten aardse leiders bezeten of zwaar gebonden maken. Op die wijze worden machthebbers verblind door de god van deze eeuw, satan (2 Kor. 4:4), en komen tot dictatuur of zelfs extremisme en terrorisme.

Mensen komen ten slotte alleen in de hel terecht als zij willens en wetens de duisternis liever hebben dan het licht (Joh. 3:19). Zij worden in Mat. 25:31-46 bij de scheiding (het oordeel) tussen de volken – het gaat hier beslist niet over de gelovigen uit Christus’ Gemeente – door Jezus getypeerd als de bokken die met de duivel en zijn engelen naar het eeuwige vuur gaan (Mat. 25:32, 41-46). Zij bewezen geen barmhartigheid aan hun medemensen, een karaktereigenschap van God. Jak. 2:13a zegt: “Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid bewezen heeft.” Zulke mensen hebben het hen door God ingeschapen geweten als met een brandijzer toegeschroeid (1 Tim. 4:2, HSV). Het beeld van vuur wijst op hun gebondenheid aan of zelfs bezetenheid door demonen.

In Mat. 13:41-42 (NBG-vert.) lezen we: “De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen 1. Al wat tot zonde verleidt (= de machten der duisternis) en 2. hen die de ongerechtigheid bedrijven (= de mensen, die meegaan met de werkingen van demonen, om ongerechtigheid te bedrijven), en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders. Wie oren heeft, die hore!”

De toestand en sfeer van de hel

In het schaduwbeeld van een oudtestamentische strijd tussen volken zien wij iets van het klimaat dat kenmerkend zal zijn voor de situatie van de hel, waar het kwaad zichzelf straft: “Zij hielpen elkander in het verderf” (2 Kron. 20:23; vergelijk Ezech. 38:21). Jezus sprak dat een koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, geen stand kan houden (Mat. 12:25). Dit is het geval met het koninkrijk van satan.

Wat is de hel? De hel is een toestand van Godverlatenheid, een concentratiekamp van machten der duisternis, eeuwige scheiding van God, destructie, wroeging, machteloosheid, wanhoop en ontreddering. De Bijbel zegt: “Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust of uitgedoofd” (Jes. 66:24; Marc. 9:38). Dit wijst op tijdloosheid, de worm op het restant dat overblijft van hun geestelijk lichaam en de wroeging die knaagt aan het geweten.

In de hel straft het kwaad zichzelf. Uit deze poel van vuur is geen verlossing meer mogelijk. Immers, Jezus is nooit in de tweede dood geweest om daar bevrijding en verlossing te proclameren. Jezus is wel in de eerste dood (het dodenrijk) geweest en sommige mensen zijn uit het dodenrijk gehaald tot redding (zowel na Jezus’ sterven als bij het laatste oordeel). Dat is de positieve kant: het schijnen van licht over het dodenrijk.

Ook de hel moeten we ons niet voorstellen letterlijk onder de aarde of een eind voorbij de planeet Pluto, dan wel op een plaats ergens in een uithoek van het heelal. Als wij dit doen, dan proberen we de geestelijke werkelijkheid in aardse maatstaven uit te drukken door deze te lokaliseren op een plaats in de ruimte. Het gaat echter om een geestelijke situatie.

De afgang van satan via de afgrond naar de poel van vuur

Satan was ooit een morgenster in de hemel (Jes. 14:12; Ezech. 28:14) . Hij kwam terecht in de hemelse gewesten (Efeze 2:2;  Ef 6:12) en wordt vervolgens na een oorlog in de hemel met Michaël en zijn engelen plus de zonen Gods op aarde gegooid (Openbaring 12:7,11).

De duivel wordt aan het begin van het duizendjarige rijk – een overgangstijdperk, in de Bijbel ook de ‘toekomende eeuw’ genoemd – door een engel in de gevangenis van de afgrond opgesloten, waar hij geketend zijnde gedoemd is tot inactiviteit (Op. 20:1-3). Na zijn loslating en de laatste verleiding en de opstand, die satan wereldwijd zal doen ontstaan: hij is in niets veranderd – wordt hij definitief overwonnen en tot in alle eeuwigheden geworpen in de poel van vuur en zwavel (Op. 20:10), waar  zijn trawanten, het beest en de valse profeet, al zijn (Op. 19:10) en waar zijn andere vazal, de Dood, nog zal komen (1 Kor. 15:26; Op. 20:14).

Laten wij ons nu niet door de aanklager van de broeders in de luren laten leggen. Als de duivel ons wijst naar ons verleden en onze zonden, laten wij hem dan herinneren aan zijn toekomst: de afgrond, daarna een korte tijd los en tenslotte de poel van vuur!

Van dood naar leven

God heeft ons behouden en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en de genade die ons in Christus Jezus is gegeven vóór eeuwige tijden, doch die nu geopenbaard is door de verschijning van onze Heiland, Christus Jezus, die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie (2 Tim. 1:9-10).

Jildert de Boer

© Verdieping en Aansporing.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *