Omgaan met seculier gezag

OMGAAN MET SECULIER GEZAG

1 Petrus 2:13-25

Het is opvallend hoe vaak Petrus het heeft over een goede levenswandel die versierd is met goede werken. Geen goede werken om je daarmee verdienstelijk voor God te maken in eigen kracht, maar werken van het geloof die voortvloeien uit je redding door genade.

1 Petr. 1:15: “Maar zoals Hij die u geroepen heeft heilig is, word zo ook zelf heilig in heel uw levenswandel.”
1 Petr. 1:17: “Wandel dan in de vreze des Heeren, gedurende de tijd van uw vreemdelingschap.”
1 Petr. 2:12: “Houd uw levenswandel onder de heidenen goed; opdat zij die nu van u kwaadspreken als van kwaaddoeners door de goede werken die zij in u waarnemen, God verheerlijken mogen op de dag dat er naar hen omgezien wordt.”

In ons gedeelte gaat het in vers 14, 15 en 20 over goeddoen. Ook in 1 Petr. 3:1-2 gaat het over de reine levenswandel, evenals het in 1 Petr. 3:10, 11 en 13 weer over het goede doen gaat en in 1 Petr. 3:16 over de goede levenswandel in Christus. Zie ook 1 Petr. 4:19. Het gaat wel 7x over het goede doen. Van het goed doen moeten we nooit moe worden (Gal. 6:10).)

———————————————————————————————————————-

Christen zijn is een manier van leven, geen theorie, maar een leefwijze, niet een hoop interessante dingen bij elkaar, maar je denken wordt zo vernieuwd dat je levenswandel verandert. Dat heeft consequenties voor je gedrag in het natuurlijke leven. Dat heeft verstrekkelijke gevolgen voor een levenswandel waarop niets aan te merken valt, een onberispelijke levenswandel. Dat is een wandel die niet te berispen valt. Een christen leeft bewust en niet zomaar voor het vaderland weg. In het tijdperk van de Richteren gold: “ieder doet wat goed was in zijn eigen ogen”, maar zo wil de Heere het natuurlijk helemaal niet. We kunnen ook denken aan het parool dat de Franse Revolutie van 1789 had: ‘ni Dieu, ni Maitre’: geen God en geen meester. Weg met alle gezag: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Bij de Franse Revolutie was er dus niemand aan wie je je hoeft te onderwerpen.

Wij geheel anders. Wij gaan het vanmorgen hebben over omgaan met seculier gezag. In ons tekstgedeelte gaat het dan vooral om: je onderwerpen aan de overheid en je onderwerpen aan je werkgever.

Vers 13

Omwille van de Heere houden wij als christenen rekening met de menselijke orde van de samenleving. De maatschappij dat ben jij. Daar maken wij hoe wij het ook wenden of keren deel van uit. God heeft een menselijke regeringsvorm als instelling geschapen voor de samenleving. Anders zou het een chaos, een anarchie worden. Wij noemen dat de overheid waarvan Paulus in Rom. 13:4 zegt dat zij Gods dienares is. Op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau. Zij staat in Gods dienst om de gerechtigheid van een land te bevorderen. Want “gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek voor de natiën” (Spreuk 14:34). Hoewel wij volgens vers 11 gasten op aarde zijn – slechts vreemdelingen en bijwoners – hebben wij ons te houden aan de Nederlandse wet. Wij zijn immers onderdanen van ons land, daar zit het woord onderdanig al in, al is dat woord totaal niet populair. Een christen is geen revolutionair op aarde, geen opstandeling of oproerkraaier. Staking is bijvoorbeeld een middel waarbij voor een christen uiterste terughoudendheid geldt, zeker als het gaat om een paar procent meer loon af te dwingen door protestacties. Immers, om de wil van de Heere zullen wij ons onderwerpen aan deze menselijke instellingen. Titus 3:1 zegt: “Herinner hen eraan dat zij de overheden en machten onderdanig behoren te zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn en dat zij tot elk goed werk bereid zijn.” Wij zullen dus de overheid respecteren, en functionarissen van de overheid erkennen in hun functie. Het zijn gezagsdragers. Over het algemeen zijn zij er in ons land tot welzijn voor de burgers, ons ten goede zegt Rom. 13. Ook in een maatschappij waar burgerlijke ongehoorzaamheid steeds meer in is, het gezag ondermijnd wordt en geweld aan de orde van de dag is.

De gezagscrisis komt door rebellie tegen van God gegeven gezagsdragers. Rebellie is het gevolg van de zondeval. Het is Gods bedoeling dat we ons schikken en voegen naar die orde desnoods dwars tegen de tijdgeest in. Zelfs aan een overheid zoals in die tijd, waarin Petrus schreef, waar keizer Nero (van 54-68) de baas was. Of je hier nu koning of keizer vertaalt (hier gaat het primair om de keizer): de Bijbel vraagt van ons loyaliteit aan de hoogste machthebber op aarde. De Farizeeën wilden Jezus strikken met de vraag of het geoorloofd is aan de keizer belasting te betalen. Jezus antwoordde: “Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is” (Matth. 22:21; Marc. 12:17; Luk. 20:25). In elke maatschappij gelden rechten en plichten. Onze goede werken zijn volgens vers 12 ons getuigenis onder de heidenen (zie ook Matth. 5:16).

In het praktische leven betekent dat als je de Nederlandse wet overtreedt dat je te maken krijgt met overheidspersonen. Dat kan bestraft worden met een bekeuring of boete. Dan krijg je zo’n blauwe brief van het CJIB uit Leeuwarden thuisgestuurd. Minder gezellig als die door de brievenbus heen valt. Hoe nauwkeurig ben ik als christen met de verkeersregels? Als ik te snel rijdt of parkeer waar het niet mag of door het rode licht rijdt, dan is het rechtvaardig dat ik op de bon geslingerd wordt. Dan moet ik of het nu leuk is of niet gehoorzaamheid betonen aan de gezagsdrager, in dit geval een politieagent. Ik merk dat naarmate ik haast heb dat ik soms een loopje neem met de snelheid. Niet zo’n sterk punt van me dacht ik toen ik dit overdacht. Mijn vrouw is er nauwkeuriger in. Dan is het mij wel eens overkomen dat ik na het op zondag ergens spreken een vergoeding kreeg dat ik die meteen weer in kon leveren om mijn bekeuring die wat later op de mat gedeponeerd werd te betalen. Iemand zei eens: houd je aan de maximumsnelheid van 120 km. Want als je daarboven gaat, rijd je op eigen risico, want dan kunnen de engelen je niet meer volgen en dienen. Blijf je binnen de wetten van de overheid, dan staan de engelen je terzijde. Dan is hun hulp gegarandeerd, kun je zeggen. Dat is iets dat ik wil meegeven om over na te denken.

Hoe eerlijk heb jij onlangs je belastingformulier ingevuld? Dat is ook je onderwerpen aan de overheid. Het is niet zo moeilijk dat te doen als je toch geld terugkrijgt van de belasting. Heb je daarin zuiver gehandeld of heb je de mazen van de wet opgezocht? Ga jezelf maar na. Het wordt lastiger als je belasting moet betalen, zoals ik wegens omstandigheden dit jaar, en niet zo zuinig ook. Dan komt de verzoeking: kan ik misschien nog ergens een aftrekpost opvoeren om het bedrag wat minder te maken? Of accepteer je dan dat je deze keer echt moet betalen? Als je niet buigt onder het recht van de overheid om mij als burger belasting te laten betalen voel je dat in je geweten. Dat geweten is a.h.w. de spion die je onrustig maakt. Krab je jezelf altijd goed achter je oren om na te denken en het formulier eerlijk in te vullen? Dan ben je op dit punt onderworpen aan de overheid.

Hoewel wij de overheid moeten eerbiedigen, betekent dat niet dat alle maatregelen die worden getroffen door die overheid altijd even gelukkig zijn. Misschien maken we ons zorgen om de klimaatregels waar nogal wat verschil van mening over is. Of daarom, dat je in 2030 wellicht alleen met een elektrische auto Amsterdam in kunt. Of dat je thuis tussen nu en zoveel jaar van het gas af moet en dat dit een lieve cent gaat kosten. Dit zijn dingen die we ook in Gods hand mogen leggen en waar het nodig is in mee mogen leren bewegen en je te buigen onder bepaalde maatregelen die je praktische leven betreffen.

Er is 1 belangrijke uitzondering. Dat is als de overheid tegen Gods Woord ingaat. Sommige dingen kunnen de toets van het Woord niet doorstaan. Zij kan maatregelen nemen die niet stroken met de Bijbel. Hoe gingen Daniël in zijn vrienden in hun tijd om met het bevoegd gezag, in hun geval met koning Nebukadnezar.  Zij gingen niet met alle wetten van Babel mee, maar bleven God gehoorzamen en hij redde hen uit. De uitzondering is: als we God meer moeten gehoorzamen dan mensen! Hand. 4:15-21; Hand. 5:25-29. Ondanks het dreigende verbond om te spreken over de naam van Jezus konden de apostelen het niet nalaten te spreken en te getuigen van Hem.

Soms is het mogelijk het gezag te bevragen en te ageren tegen verkeerde ontwikkelingen zonder de bedoeling het gezag te ontwrichten of omver te willen werpen. Als christen zijn we ongelukkig met bepaalde wetten, zoals wetgeving over abortus, euthanasie, homohuwelijk, genderneutraliteit, legalisering van de prostitutie, enzovoort. Hier hebben we wijsheid van God nodig om niet onwijs te provoceren, maar met tact ons standpunt duidelijk te verwoorden. Ik denk aan alle gedoe rond de Nashvilleverklaring. Misschien had die achteraf nog zorgvuldiger opgesteld moeten worden. Iemand als Kees van der Staaij oogst lof om zijn tactvolle en te respecteren opstelling, ver buiten zijn eigen kring, ook als hij opkomt voor bijbelse standpunten, al is men het vaak niet met hem eens.

Vers 14

De hogere en lagere overheden straffen mensen die kwaad doen. Daarom zijn er taakstraffen. Daarom bestaat er een gevangenis of huis van bewaring om iemands vrijheid te beteugelen en in te dammen als het gaat om zaken als diefstal, geweld of moord. Dat is ter afschrikking, maar ook als vergelding voor wat men heeft misdreven. De kritiek op de misplaatste vrijheid van tbs-sers is gerechtvaardigd. Dat heeft immers extra mensenlevens gekost.

Als christen hoor je een goed onderdaan van je land te zijn en een ordelijk bewoner van de plaats waarin je leeft. Wie lof verdient, krijgt dat soms ook te horen van de overheid. Voor je verdienste in de maatschappij worden er soms lintjes en onderscheidingen uitgedeeld. Als je dat niet nodig vindt, kun en zul je geestelijk wel je loon en kroon van de Heere ontvangen, dat is het mooiste natuurlijk. De overheid straft en beloont rechtvaardig als het goed is. Als wij ons goed gedragen als burgers hebben we niets te vrezen van de overheid dan enkel waardering. Wij zullen ons houden aan de maatschappelijke normen voor zover ze niet ingaan tegen Gods wil. 

Vers 15

Wij hebben een getuigenis als we goeddoen aan de mensen om ons heen in de maatschappij. Dat geldt je buren, je collega’s en alle mensen waarmee je in aanraking komt door je bezigheden. Zo kun je eenvoudigweg de wil van God doen en het goede zoeken voor je medemens. De mensen zijn vaak dwaas of onverstandig uit onwetendheid. Dwaas staat in het boek Spreuken zo’n 75x tegenover wijs. De houding van Petrus is dat hij hoopt op een beter inzicht voor hen, dat wil zeggen: zijn medemensen. Als zij de gelovigen niet begrijpen, kan dat leiden tot afkeer. Dan gaan ze vals beschuldigen en lasteren. Het is de bedoeling dat zij respect krijgen voor onze goede levenswandel. Dat kan hun de mond snoeren, letterlijk staat er zelfs muilkorven. Ze worden dan tot zwijgen gebracht en durven ons niet te veroordelen.

Van onze fouten wordt door de wereld gretig gebruik gemaakt. Maar een stroom van goede daden en zegen om je heen strooien ook in de natuurlijke dingen stopt de mond van de ongelovigen. Als christenen lopen we in de gaten, er wordt op ons gelet. Wij zijn Gods etalage in de wereld. Aan ons moet de wereld kunnen zien wat er – om zo te zeggen – in Gods winkel te verkrijgen is. Zijn wij als zout dat smaak verleent onder de mensen? Geven wij aanleiding tot laster of zijn we aanleiding tot een bepaalde jaloersheid?

Wij mogen aan de wereld er iets van laten zien hoe de hemel eruit ziet. Dan moeten wij een leesbare brief van Christus zijn die kenbaar is voor de mensen. In 1 Petr. 3:15-16 zie je dat dit de mensen beschaamd kan maken. Dat is een krachtig getuigenis. Hetzelfde vinden we in Titus 2:7-8: “Betoon u in alles een voorbeeld van goede werken. Betoon in het onderwijs zuiverheid, waardigheid, oprechtheid en spreek een gezond woord, boven alle kritiek verheven, zodat de tegenstander beschaamd zal staan en niets kwaads van u te zeggen heeft.”

Vers 16

Het gaat hier over vrije mensen die dienstknechten van God zijn. Onze vrijheid is vrij zijn van de zonde. Vrij van alles wat hindert om God te dienen. Wij moeten ons niet verschuilen achter een valse vrijheid. Dan doe je een dekmantel om teneinde je slechtheid of kwaadwilligheid te verbergen, te verhullen. Vroom zijn aan de buitenkant, om je huichelachtigheid van binnen te camoufleren. Als je niet echt bent, maar een huichelaar kan de wereld door je zgn. christen-zijn heen prikken.

Een christen heeft geen vrijbrief om zich stiekem te misdragen en als niemand het ziet de kat in het donker te knijpen. De vrije christen is dienaar van God en gebruikt geen smoesjes om te zondigen onder een valse dekmantel. De vrije mens heeft geen verlof, geen permissie om zonde te doen, maar hij gehoorzaamt God. Hij kan onmogelijk ’s zondags fijn vooraan in de kerk zitten, maar diametraal anders leven door de weeks. Hij is innerlijk vrij, maar gebonden aan Christus. Zijn vrijheid is toegewijd zijn aan het goede. Satan zegt dat het vrijheid is om altijd je eigen wil door te voeren, maar dat is slavernij. Zij waren toen geestelijk vrij, maar op aarde, in het natuurlijke leven dus, leefden ze onder het Romeinse juk in die dagen.

Daarom kunnen wij de belasting niet ontduiken door bijvoorbeeld zwart te gaan werken. Zulk werken is valse vrijheid. Zwart werk wordt niet gezegend, want het gaat buiten Gods normen. Het gaat niet aan voor een christen je niet aan de verkeersregels te storen op grond van je zogenaamde vrijheid. Een christen wil nauwkeurig zijn, hij of zij is een slaaf van God. Een christen wil geen puinhoop in zijn tuin of een bende op zijn erf hebben, maar het ligt er op gezette tijden redelijk ordelijk bij zoals een fatsoenlijk burger betaamt.

Een christen veronachtzaamt zijn aardse werk niet, maar werkt op rechtvaardige basis: hij krijgt er immers loon voor. Een christelijke werkgever houdt zich aan het opgestelde arbeidscontract en maakt er geen potje of janboel van. Een christen verwaarloost zijn gezin niet vanwege zijn zogenaamde geestelijke bezigheden. Judas 4 zegt dat we de genade van God niet moeten veranderen in losbandigheid. Dan misbruiken we de genade als een valse dekmantel. Gal. 5:13 zegt dat we tot vrijheid zijn geroepen, alleen niet tot die vrijheid die aanleiding geeft aan het vlees, om volgens het vlees te leven.

Vers 17

Hier staat 4x een gebiedende wijs, vier dingen die we moeten blijven doen:

  • Houd iedereen in ere
  • Hebt al uw broeders lief of hebt de broederschap lief (NBG)
  • Vrees God
  • Eer de koning of eer de keizer

Iedereen of allen dat is: zonder uitzondering. Ieder kostbaar mensenkind komt eer toe. “De arme mag niet worden veracht” (Spreuk. 17:5). Jezus zei over kinderen: “pas op dat u niet een van deze kleinen veracht” (Matth. 18:10). Respecteer allen, want alle mensen zijn naar Gods beeld geschapen. Zo was het toch oorspronkelijk. Elk mens is een schepsel van God, al is hij nog zo slachtoffer van de boze geworden en is het ook 100% waar dat ieder mens zondaar geworden is. Dus hoe diep die mens ook gezonken is in zijn zondeval. Bij dat “eert allen” uit vers 17 horen ook de slaven die in vers 18 genoemd worden. God wil dat alle mensen behouden worden (1 Tim. 2:4; 2 Petr. 3:9). Dat is zijn verlangen. Hij heeft niemand er van te voren niet voor bestemd. Zijn liefde in Christus gaat uit naar de wereld, opdat de wereld behouden worden (Joh. 3:17).

Dan staat er: “hebt al uw broeders lief”. In de gemeente geldt: “ga elkaar voor in eerbetoon” (Rom. 12:10). Dat is de kunst. “Wees in eerbetoon elkaar ten voorbeeld”. Dan heb je stof om anderen in de gemeente een compliment te geven voor iets goeds. Dat is het omgekeerde van elkaar te bekritiseren. Dat is geen kunst. De broederschap betreft de gemeente wereldwijd zegt ook 1 Petr. 5:9 waar staat: in de wetenschap dat hetzelfde lijden ook aan al uw broeders in de wereld wordt opgelegd. Wij staan allemaal in dezelfde strijd tegen satan om weerstand aan hem te bieden. Die onderlinge liefde en verbondenheid hebben we o zo nodig om 1 front te maken naar de vijand. In de plaatselijke gemeente moet die broederschap hecht en sterk zijn. Laten er geen bressen in onze rijen komen waardoor de vijand binnen kan sluipen. Daarom staan we voor elkaar op de bres in bidstonden.

Geen enkele broeder is onze vijand, want we stellen ons allemaal op tegen de ene vijand, satan onze tegenstander. Laat die innige liefde er zijn tussen de leden van het huisgezin van God, man en vrouw, oud en jong, rijk en arm, blank, zwart en bruin, slaaf en vrije, enzovoort. Heb ze lief als wedergeborenen, als nieuwe scheppingen. Kijk niet naar hun gebreken, want die heb je zelf net ze goed of anders gezegd net zo verkeerd. Wij hebben allemaal reiniging nodig om te komen tot oprechte en ongeveinsde broederliefde (1 Petr. 1:22). Maar daar hoort bij dat we niet zullen liefhebben wat tot verderf van de broederschap is, zoals openbare zonde of ernstige dwaalleer. Laat de kleine vossen de wijngaard niet verderven staat er als waarschuwing (Hoogl. 2:5).

Vrees God. Dat is geen angst of bang zijn voor God, maar eerbied en ontzag voor God hebben. Dus niet: vrees mensen, maar vrees alleen God. Ook als Gods wil doen je soms zwaar valt. Het blijft het allerbeste om Gods wil te doen, ook als gehoorzamen soms moeilijk is. Als wij God vrezen, dan haten wij het kwade leren we uit het Spreukenboek. Laten we eenvoudigweg Gods geboden houden.

Eer de koning of eer de keizer. Niet omdat die goddelijk zou zijn. Daar zit meteen de begrenzing. De belijdenis was: Jezus is Heer, niet de keizer van die tijd. We zien dat Paulus in de Handelingen respectvol omgaat met mensen als Felix, Festus en Agrippa. God heeft mensen op bepaalde plaatsen gesteld. We denken aan bijvoorbeeld Willem Alexander of aan Mark Rutte. Laten we voor de overheid bidden, zegt 1 Tim. 2:1-2, voor koningen en hooggeplaatsten, opdat wij een rustig en stil leven zouden leiden in alle godsvrucht en waardigheid. (Vergelijk bijvoorbeeld ook de houding van Paulus tegenover de hogepriester in Hand. 23:1-5).

Vers 18

“Huisslaven, wees uw meesters met alle ontzag onderdanig, niet alleen hun die goed en welwillend zijn, maar ook die verkeerd handelen.”

Als ik het zou willen toepassen op onze tijd, dan kunnen we dit hier ook omzetten naar ‘werknemers’ en ‘werkgevers’. Dan komt het voor ons dichterbij in onze cultuur.

De eerste Petrusbrief heeft het 4x over onderdanig zijn en je onderschikken. Als onderdaan tegenover de overheid zoals we in vers 13 zagen, als werknemer tegenover je werkgever zoals hier, als vrouw tegenover je man volgens 1 Petr. 3:1-2,5 en in 1 Petr. 5:5 als jongeren: wees aan de ouderen onderdanig. Hoe stel je je als jongere op tegenover een oudste of een oudere in de gemeente? Kun je een wijze raad van een oudere aannemen of heb je meteen je eigen mening klaar en weet je het als jongere veel beter? Hoe ben je als vrouw in onderdanigheid naar je eigen man? Heb je ontzag voor hem? Hoe buigzaam ben ik ook als man naar mijn eigen vrouw? Houd ik echt rekening met haar? Dat is op zijn tijd evengoed nodig omdat we ook elkaar onderdanig moeten zijn.

Hebben wij in het christelijke gezin en in de christelijke gemeente soms ‘ietsje-pietsje’ – ik zeg het heel voorzichtig – van de gezagscrisis in de wereld en de maatschappij overgenomen? Handelen we daarbij naar het voorbeeld van Jezus (vers 21-23) die als twaalfjarige in zijn jeugd aan zijn eigen ouders onderdanig was? (Luk. 2:51). Onderdanig kunnen zijn is ook Zijn voetspoor. Dat was voor Jezus de weg om door zich te vernederen toe te nemen in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen (Luk. 2:52). Heb jij je thuis bekeerd van tegenspreken en brutaal zijn tegenover je ouders? Of ben je nog regelmatig in de oppositie tegen je ouders? Het is goed je daarvan te bekeren.

Hebben wij ons in de gemeente bekeerd van ongezeggelijkheid tegenover de oudsten? Spreken wij thuis negatief over een besluit van oudsten? Dan zaai je negatief zaad bij je kinderen. Laat er in jullie en in ons huis positief gesproken worden over de gemeente. Kunnen wij een goed advies of raadgeving ter harte nemen of maken wij er een gewoonte van om in de gemeente een ‘eigenheimer’ te zijn, dat is een aardappel, maar dan bedoel ik een heel erg eigenwijs iemand. Bij voetballen heb je een houding die obstructie heet. Dat doen ze vooral als een speler doorbreekt bij een aanvalactie. Daar geven scheidsrechters een vrije schop voor. Wij zijn niet geroepen tot obstructie, maar om constructief- opbouwend samen te werken in de gemeente. Ook oudsten, die voorbeelden van de kudde zijn, zegt 1 Petr. 5:3, kunnen een fout maken. Maar dat kun je in een goede geest met hen bespreken als dat voor jou iets belangrijks is.

Heb jij zuster die geestelijk iets wilt uitbeelden door je hoofd te bedekken werkelijk ontzag voor je man en vanwege de engelen? Of blijft het soms hangen in de vorm? Laat deze dingen als je ze toepast aan de buitenkant ook van binnen in geest en in waarheid zijn. Dan is je hoofdbedekking puur.

Het valt op dat de Bijbel zwijgt over de sociale positie van slaven. Wel maakt de Bijbel duidelijk dat in de gemeente iedereen gelijkwaardig is of je nu slaaf of vrije bent. In 1 Kor. 7:20-24 lezen we: “laat ieder blijven in de roeping waarin hij geroepen is. Bent u als slaaf geroepen, dan moet u zich daarover niet bekommeren. Kunt u echter ook vrij worden, maar dan liever van die gelegenheid gebruik. Wie namelijk als slaaf geroepen is in de Heere, is een vrijgelatene van de Heere. Evenzo is hij die als vrije geroepen is, een slaaf van Christus. U bent duur gekocht; wordt dus geen slaven van mensen. Laat ieder voor het aangezicht van God blijven, broeders, in de staat waarin hij geroepen is.”

De slaven of huisbedienden moesten met alle ontzag aan hun heren onderdanig zijn. Andere vertalingen hebben “in alle vreze”. Zij mochten dus niet in opstand komen, omdat ze in de gemeente gelijkwaardig waren. Petrus geeft hier geen vermaning aan de heren of de meesters. Misschien waren er onder de mensen aan wie hij schreef nauwelijks christenen onder de meesters. Daarom richt hij zich waarschijnlijk niet speciaal tot hen. Op andere plaatsen doet Paulus dat wel. Bijv. Ef. 6:5-9; Kol. 3:22 en Kol. 4:1; 1 Tim. 6:1-2; Tit. 2:9-10 (het laatste vers weer alleen tot de slaven). Overal moeten ze slaven zich schikken en voegen naar hun heren zonder tegen te spreken en zo de leer van God versieren met hun houding en werken. Heel iets anders dan wat de wereld doorgaans doet: protesteren, verzet bieden en staken. De christenslaven waren vaak beter in hun werk dan anderen. Ze liepen niet weg en ze namen ook niets weg van de baas.

Er staat voor meesters in het Grieks ‘despotes’ dat ons herinnert aan het woord despoot. Zij hadden niet alleen de vrije beschikking over slaven, maar konden deze ook naar willekeur gebruiken of misbruiken. Gelukkig waren er goede en vriendelijke meesters die welwillend met hun slaven omgingen: mild, inschikkelijk, billijk en voor rede vatbaar. Maar er waren er ook die verkeerd of krom (dat staat er letterlijk) handelden. Dan geldt altijd nog: “Heb je vijanden lief”. Er waren helaas ook heren of meesters die nors, nukkig, onbillijk en onberekenbaar waren. Sommige slaven waren overgeleverd aan de willekeur van uitbuiting of zelfs aan zweep- of stokslagen.

Vandaar komt ook het woord over Christus dichtbij in 1 Petr. 2:24: “door Zijn striemen zijt gij genezen.” De slaven wisten heel goed wat striemen waren die ze opgelopen hadden bij harde meesters. Dan nog roept Petrus op de kwalijke behandeling van slechte meesters te verdragen en als christen dit lijden te ondergaan. In wezen dienden zij Christus als Heer, maar zij konden zich niet beroepen op hun geestelijke en hemelse positie. Zij bleven door de kracht van God vriendelijk en hulpvaardig in hun slavenwerk op aarde. Zij wisten dat hun Heer Jezus nog veel meer geleden had. Zij kregen door de Geest van God een groot incasseringsvermogen in hun geest om het vol te houden. Zij deden trouw hun werk en hun loon zal ongetwijfeld groot zijn in de hemelen.

Lieve ouders, het is goed als wij onze kinderen leren te gehoorzamen en leren om te dienen en tot helpen bereid. Maar laten wij hen nooit maken tot slaven of sloven die altijd klusjes moeten doen voor hun ouders. Laat er een goede afwisseling zijn tussen taken geven en vrij zijn. Gelukkig maken in een opgroeiend gezin vele handen licht werk. Als wij onze kinderen disciplineren is dat goed als we ze aan de andere kant ook maar speelruimte geven, letterlijk en figuurlijk. Een hond kun je africhten en commando’s geven, daar ben ik met onze hond tenminste mee bezig, maar zo ga je niet om met een kind. Een kind heeft een unieke identiteit van de Schepper meegekregen. Die mogen wij als ouders niet breken, maar we willen hen wel vormen en leren hen hun wil te buigen.

(Laten we blij zijn dat sinds 1863 in Nederland de slavernij officieel is afgeschaft. Vanaf 1621 toen de West Indische Compagnie werd opgericht zijn er door slavenhandel vanuit Afrika waarschijnlijk 450.000 slaven naar Amerika verhandeld. Wellicht lag de Statenbijbel in de kajuit. Het boek ‘De negerhut van Oom Tom’ van Harriët Beecher Stowe uit 1852 heeft enorm geholpen om de publieke opinie te veranderen. Iemand als William Wilberfoce (1759-1833) is in Engeland een voorvechter geweest om de slavernij af te schaffen).

Hoe sta je tegenover jouw leidinggevende als je werkt? Kun je je onderwerpen aan je werkgever als werknemer? Kun je omgaan met seculier, dat is met wereldlijk gezag? Hoe is jouw opstelling tegenover je leidinggevende op je werk? Hoe is jouw gebed voor hem of haar?

  • Misschien klaag je tegenover God: “Heer, mijn bazin is een kreng…”
  • Of: “Heer, verander mijn baas…”
  • Dan wel: “Heer, ik bid U voor een andere baas…”

Vaak verhoort God zulke gebeden niet of zeker niet altijd. Dat betekent soms een stukje lijden als je een lastige leidinggevende hebt. Bedenk dat de Heer Jezus, ons voorbeeld, geleden heeft in de omstandigheden en hoeveel te meer heeft Hij geleden. Als wij soms moeten lijden in de situaties op ons werk, dan moeten wij die niet opvangen met onze ziel. Dan raakt het sterk ons gevoel en onze gedachten en worden we gauw gekwetst en raken we misschien gefrustreerd. Wij kunnen tegen een stootje als we het opvangen met onze geest die verbonden is met de kracht van Gods Geest. Dat geeft een gezonde weerbaarheid en incasseringsvermogen in het lijden als je bijvoorbeeld smaad krijgt door je getuigenis.

Mogelijk is je gezindheid al anders geworden:

  • “Heere, leer me mijzelf te voegen onder deze baas door steeds het goede te doen…”
  • Of: “Heere, terwijl ik deze baas heb die moeilijk is, kunt u mij in elk geval vormen en veranderen….”

Samengevat: laten we het ernstig nemen met de onderwerping aan de menselijke orde van de overheid en met het onderdanig zijn aan onze werkgevers.

Houd daarbij de opdrachten van de volgende verzen in 1 Petrus 2:19-25 vast. Ik vat ze kort in vijf punten samen:

  • Weet dat het genade is als je ten onrechte lijdt.
  • Wandel volgens je roeping in de voetsporen van Christus: doe geen zonde en pleeg nooit bedrog of fraude.
  • Geef alles over wat je niet begrijpt als je lijdt aan God de Vader die rechtvaardig oordeelt.
  • Wees voor de zonden dood en leef een leven in gerechtigheid.
  • Vertrouw je toe aan de Herder en Opziener van jullie zielen. Hoe veilig is dat voor ons om niet te hoeven dwalen.

AMEN.

Jildert de Boer
© Verdieping en Aansporing, 2019.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *