Samenwerken in de gemeente

Van duizendpoot tot “vele handen maken licht werk”

Dominees in de kerkelijke wereld hebben vaak de functie van een soort duizendpoot gehad. Dat is niet altijd alleen voortgekomen uit de ambtelijke houding van de persoon in kwestie. Het kerkvolk heeft menigmaal hun dominee op een voetstuk geplaatst en zonder de aanwezigheid van de dominee kon er weinig geschieden in het kerkelijk werk. Mogelijk chargeren we nu enigszins: feit is dat in het verleden de dominee als een soort manusje van alles fungeerde. De man was ervoor beroepen, werd ervoor betaald en men verwachtte daarom ook dat hij het leeuwenaandeel van het kerkelijk werk verrichtte.

Met dit “opstapje” uit de traditionele kerken kunnen we ons afvragen: hoe werkt een geestelijke leider? Doet hij zelf het werk van tien personen, of leidt hij tien personen op om het werk voor hem te doen?

In het oude verbond werkte God frequent via één persoon. Denk bijvoorbeeld maar aan Noach, Abraham, Mozes, David, Elia. Nu gaat het om Christus, dat wil zeggen het hoofd en de leden van Zijn lichaam. Lid te zijn van het lichaam van Christus houdt aanmerkelijk meer in dan een zitplaats innemen. Het heeft te maken met het zingen en het belijden van: “mijn positie wil ‘k bekleden en Uw Geest stelt mij in staat”. Die positie heeft in eerste instantie betrekking op de geestelijke wereld. Daarna ook met praktisch gemeentewerk in de zichtbare wereld. De Geest stuwt tot dienstbaarheid, nooit tot passiviteit of gezapigheid!

Het is jammer als er in een gemeente door enkele mensen heel hard aan de kar getrokken wordt (of moet worden?), terwijl het overgrote deel van de gemeenteleden te weinig betrokkenheid heeft of toont in het oppakken van taken. Dat doet denken aan een voetbalwedstrijd: 22 actief in het veld en 20.000 passief (of: alleen meejuichend) op de tribune.

Hoe kun je mensen inschakelen voor een taak? Het antwoord luidt: door te delegeren! Dat heeft te maken met twee dingen: opleiden en taken overdragen.

Een functionerend lichaam

Jezus Christus is het hoofd van de gemeente, Zijn lichaam (Efeze 1:10; 1:22; 4:15; 5:23; Kol.1:18 en 2:19). Dat lichaam heeft vele leden. Ieder is bekwaam tot iets, tot inzet om de anderen te dienen. In 1 Kor.12:13 vinden wij de uitdrukking “door één Geest tot één lichaam gedoopt”. Dat betekent onder meer dat het uit moet zijn met individualisme, solisme en onafhankelijkheid. Nu gaat het om samenwerking tussen de leden. Om het met een beeld te zeggen: de neus wil de bril dragen, opdat het oog kan zien!

Er is verscheidenheid in gaven en verschil in opdrachten. “Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild” (1 Kor.12:18). Ieder in het lichaam heeft iets bijzonders van God dat de ander niet heeft en omgekeerd. Dat betekent dat de ander iets voor mij heeft dat ik niet heb en dat ik iets voor de ander heb dat hij niet heeft! Zo heeft God het lichaam samengesteld: de leden zullen geen concurrentieslag met elkaar voeren, maar zij zullen elkaar prachtig kunnen aanvullen.

Taakverdeling houdt in: delegeren vanuit de leidinggevenden, om samen te werken. Sowieso spreekt de Bijbel altijd over voorgangers, in het meervoud (Hebr.13:7,17,24; Hand.15:22). Goed, gezond en van God gegeven gezag is nodig in de gemeente. Het is echter niet de bedoeling van God dat de leiders alles zelf in de hand houden (ook niet via een achterdeurtje). Het gaat erom de Geest van de levende God, die nooit een tegenwind van het Woord van God is, de leiding te geven. Voor gemeenteleden is het net zoals voor het leidinggevend team van groot belang zich voortdurend uit te strekken naar de vervulling met Gods Geest. De gemeenteleden zullen beschikbaar zijn om te dienen en zich loyaal opstellen naar degenen die God als leiding heeft aangesteld. De leiders kunnen de creativiteit en het initiatief van gemeenteleden smoren of verstikken, als ze zelf alles doen.

De samenkomst is een werkplaats, geen rustplaats. Daar is het mogelijk om geestelijk te consumeren en geestelijk te produceren, om gezegend te worden door de ander en zelf tot zegen te zijn. Uit de Bijbel valt geen schema af te lezen van zangdienst, aanbiddingsdienst en preek, maar ieder had een bijdrage in welke vorm dan ook, mits het tot opbouw was en het ordelijk toeging (1 Kor.14:26-33).

Dienen is een sleutelwoord

Het gevaar bestaat dat leiders kunnen uitgaan van een positie, in plaats van een dienstknecht van Christus te zijn. Dan moet bijvoorbeeld elk getuigenis van te voren worden aangevraagd en goedgekeurd. Anders kan men zich in zijn positie bedreigd voelen en bang zijn voor ijverige, enthousiaste mensen met een visie. Er ontstaat dan gemakkelijk wantrouwen of achterdocht tegen frisse impulsen van de Geest.

Waakzaamheid en voorzichtigheid zijn uiteraard goede en noodzakelijke deugden in het bijzonder voor degenen die God als opzieners heeft gesteld (Hand.20:29-31).

Het gevaar aan de zijde van de gemeenteleden ligt in vrijpostigheid, in een zich omhoog werken en in initiatieven buiten de leiding om. Een gemeentelid mag er nooit op uit zijn, al staat hij of zij ook primair voor Gods aangezicht, de leiding van de gemeente te passeren. Hij of zij mag voluit dienen, echter met respect voor de leidinggevenden!

De kracht van veelkleurigheid

In de gemeente is sprake van de veelkleurige wijsheid Gods (Efeze 3:10). Er zijn grote variaties en schakeringen tussen de gemeenteleden. Ieder heeft zijn eigen kleur of kleurnuance in het geheel in talenten, bekwaamheden en vermogens. Niet om schril af te steken of op te vallen, maar om iets wezenlijks, dat van God geschonken is, toe te voegen aan het geheel. Niet concurrerend, maar aanvullend, of om het mooi te zeggen: complementair. Denk bijvoorbeeld aan mensen, die je kunnen verlokken tot de lieflijke kleur van de heerlijke beloften van God, maar eveneens aan anderen die het kleurcontrast kunnen laten zien door scherp te waarschuwen voor concrete zonden.

Beide facetten zijn nodig in de verkondiging en opvoeding in de gemeente! Ieder lid mag op zijn wijze uit de verf komen, in zijn of haar specifieke geaardheid en kleurnuance. Het zou jammer zijn als vele leden in de grondverf blijven staan! Daarmee bedoel ik aan te geven, dat zij allemaal hetzelfde fundament, Christus, hebben, maar dat hun dienstbetoon er niet uit komt, niet tot zijn recht komt voor het geheel. Hoe beter en rijker de veelkleurigheid en veelzijdigheid er in een gemeente tevoorschijn komt, des te meer kracht openbaart zij ten opzichte van de overheden en machten in de hemelse gewesten. De veelkleurige wijsheid Gods is geen “koekoek éénzang”, maar zegt iets over de velerlei genade Gods, waarmee men elkaar dient, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft (1 Petr.4:10).

Aftrekken of optellen?

Jaloezie op elkaars talenten behoort uitgebannen te worden. Saul werd door een geest van jaloersheid bevangen toen het volk juichte: “Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden”. Hij had deze overwinningen mooi bij elkaar op kunnen tellen en bijvoorbeeld verheugd kunnen uitroepen: “samen hebben we er elfduizend verslagen”! Helaas maakte Saul er een aftreksommetje van: “ik heb er negenduizend minder…”

Rivaliteit en wedijver horen niet thuis in de gemeente van de levende God. Stimulans tot deelname aan dienstbetoon is echter een heerlijke zaak. “Niemand is minder, niemand is meer, ieder is nodig bij de Heer”, zegt een liedje van Elly en Rikkert zo kernachtig. Het geheim is: samen ben je meer, samen sta je sterker!

Isolement en onafhankelijk solisme zijn aftrekposten van de boze, waarmee hij probeert de kracht van gemeente-zijn neer beneden te halen. De Heer gelooft echter in optellen en vermenigvuldigen van genade en vrede!

De geest van controle en de geest van rebellie als gevaren

Leiders kunnen een verkeerde vorm van controle uitoefenen in de gemeente, een geest die macht of heerschappij over de zielen claimt. Vaak is er dan sprake van manipulatie en intimidatie. Een zwakke vorm ervan is diplomatie.

Goede leiders dienen en zoeken de ontwikkeling tot volwassenheid in persoonlijke levens en (opkomende) bedieningen in de gemeente.

Gemeenteleden kunnen in een verkeerde ontwikkeling komen door een geest van rebellie, die zich niet aan gezag of leiderschap stoort. Rebellie veracht het van God gegeven leiderschap. Een sleuteltekst is: “Evenzo gij jongeren, onderwerpt u aan de oudsten. Omgordt u ALLEN jegens elkander met nederigheid…” (1 Petr.5:5).

In een gezonde, geestelijke ontwikkeling verlangen gemeenteleden ernaar om in groeiende mate mee te dienen. Gezegende leiders die dit proces onderkennen en delen van werk en dienst leren overdragen, opdat meerderen nuttig en vruchtbaar worden en mee gaan dragen in de opbouw van het lichaam. Leiders, die dienaren zijn, geven die ruimte!

Waarmee wordt de gemeente vergeleken?

De gemeente is een kudde met herders of opzieners (Hand.20:28). Zij weiden de kudde, voorzien haar van voedsel. Opzieners leren de zielen die God aan hen heeft toevertrouwd te onderhouden AL wat Jezus bevolen heeft (Matth.28:19).

De gemeente wordt ook vergeleken met een Bruid (Efeze 5:25), een huisgezin (1 Tim.3:15), een tempel (Efeze 2:21,22), de wijnstok met de ranken (Joh.15:1-8) en met een lichaam (Rom.12:4,5; 1 Kor.12:12-27). Het lichaam is een levend organisme, waarin elk lid nodig is! De gehoorzaamheid aan het hoofd, Christus, staat centraal en Zijn werking komt tot alle leden! Het gevolg is, dat er beweging komt, een soepel en harmonisch functionerend geheel.

Voor-gangers

Zij die voorgaan op de weg van Christus worden voorgangers genoemd en zij zijn dit in geest en waarheid met hun leven. Voorgangers zijn geestelijk de oudsten. Het zijn mensen die een bepaalde leef-tijd  met Christus hebben. Jongsten, dat wil zeggen zij die pas bekeerd zijn, zijn uiteraard niet geschikt om de gemeente te leiden.

Oudsten zijn de vaders in Christus en zij kennen Hem die van den beginne is (1 Joh.2:13). Zij hebben een duidelijk begrip gekregen van de lijnen in het plan van God.

Van ware voorgangers kun je zeggen: “let op het einde (de uitkomst!) van hun wandel en volg hun geloof na” (Hebr.13:7). Er staat: “Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u (aan hen), want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen. Laten zij het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende, want dat zou u geen nut doen” (Hebr.13:17). Het merkwaardige is, dat het argument niet is: dat is zo vervelend voor de voorgangers, maar dat het ten nadele voor hen is, die door bijvoorbeeld kritiek de voorgangers laten zuchten en zich niet willen onderwerpen.

De bedieningen in de gemeente hebben tot taak de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, zodat de dienst van alle geledingen  tot functioneren komt (Efeze 4:11,12,16). Er komen er steeds meer die hun schouders onder het gemeentewerk gaan zetten. Op die wijze kunnen draagkracht en draaglast verdeeld worden. Voor veel gemeenten geldt nog: “De kracht der dragers schiet te kort en puin is er te veel” (Neh.2:10). De bedoeling is: “Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan…” (Openb.3:12a). Een zuil is een drager, een steunpilaar (vergelijk Gal.2:9) in het huis Gods.

Ook een leider van taken in de gemeente als zang en muziek, geluid, opnamedienst, kosterschap, keukendienst, financiën, boekentafel, kinderdienst, zendingswerkgroep, evangelisatieactiviteiten, enzovoort, zal voorop lopen, maar anderen inschakelen, taken verdelen, zodat hij of zij zelf de handen vrij krijgt om te coördineren, in plaats van zelf overal achteraan te hollen.

Anderen vertrouwen en medeverantwoordelijkheid geven werkt geweldig goed voor de opbouw van de gemeente!

Leiders leiden altijd weer nieuwe leiders op. We zien dat in het Woord. Mozes was voortdurend bezig Jozua te oefenen in het strijden en bidden, om hem te leren bekwaam te worden voor zijn toekomstige taak (lees Ex.17:9,14; Ex.24:13; Ex.33:11; Num.27:12-23; Deut.31:14; Deut. 34:9; Joz.1:7,8; Joz.3:7; Joz.4:14). Elisa diende Elia en er staat van hem zo mooi: “die water op Elia’s handen goot” (2 Kon.3:11) en Elia kon hem vormen en opleiden tot zijn opvolger, die een dubbel deel van de geest die op Elia rustte kreeg (2 Kon.2:9).

De kracht van delegeren en samenwerken

In Ex. 18:1-27 vinden we de belangwekkende raad aan Mozes van zijn schoonvader Jethro. Jethro zag scherp dat de dienst die Mozes in zijn eentje verrichtte veel te zwaar voor hem was. Mozes had het veel te druk en raakte geheel uitgeput (Ex.18:13-14,17-18). De vermoeidheid begon zijn tol te eisen.

Hoe vaak hoor je in onze tijd niet uit de mond van leiders: “ik heb het zo druk” en “ik ben zo moe”. Velen zijn op een gegeven moment opgebrand en nemen dan een sabbatsjaar om weer bij te komen… Ontbrak het wellicht aan de sleutel, die Jethro Mozes aanreikte, om taken af te stoten door ze naar anderen te delegeren?

Door vermoeidheid wordt men onnauwkeurig: afspraken worden niet nagekomen en beloften raken in de vergetelheid. Gebeurt dit vaker, dan ontstaat er wantrouwen bij gemeenteleden, waarop de leiding dan gemakkelijk als “politieagent” reageert, terwijl leidinggevenden goede herders behoren te zijn. Het gevolg kan zijn dat leidinggevenden geen voorbeeld meer zijn, bijvoorbeeld dat hun kinderen tekort komen, omdat ze almaar met de boodschap of met een probleemgeval bezig zijn.

Als er maar één of twee als herder en leraar beschouwd worden, kan de gemeente gaan lijden aan ondervoeding. God heeft niet alle taken en vaardigheden in slechts enkele personen verenigd! Hand.13:2 vermeldt al vijf profeten en leraars in de gemeente te Antiochië.

In Ex.18:19, 20 noemt Jethro drie centrale taken voor Mozes:

-gebed, voorbidder: met God over de mensen spreken en met de mensen over God

spreken.

-woord: de wet Gods inscherpen en de weg Gods bekend maken.

-bekend maken van het werk dat zij te volbrengen hadden: taken geven, stimuleren, motiveren.

Daarnaast moest Mozes oversten onder het volk aanstellen, om recht te spreken. De grote en moeilijke zaken zouden zij bij Mozes kunnen brengen, maar de kleine zaken berechtten zij zelf.

Het resultaat voor Mozes was dan: verlichting, anderen zouden met hem mee dragen en hij zou staande kunnen blijven. Het gevolg voor het volk was: aanstelling van hoofden over minimaal tien mensen en tevredenheid onder al dit volk.

De mannen naar wie Mozes moest omzien, dienden aan bepaalde vereisten te voldoen: flink, godvrezend, betrouwbaar en winstbejag haten.

Mozes nu luisterde naar de woorden van zijn schoonvader en DEED AL HETGEEN HIJ GEZEGD HAD (Ex.18:21-26). Jethro had gezegd: “Indien gij dit doet en God het u gebied…”

In Num.11:16,17,24-29 zien we hetzelfde principe. Een deel van de Geest die op Mozes rustte wordt daar op zeventig oudsten en opzieners gelegd, opdat zij met u de last van het volk dragen, en gij die niet alleen hoeft te dragen.

De van God gegeven leiding via Mozes werd erkend, zelfs door de Rubenieten in het Overjordaanse (Num.32:6-15, 17-22).

Het verdelen van taken wordt nog eens bevestigd in Deut.1:9-18, waar gesproken wordt over wijze, verstandige en ervaren mannen, die met Mozes mee de zorg, moeite, last en rechtsgedingen kunnen dragen.

De wijze raad van Jethro is nog altijd van groot nut voor geestelijke leiders, die onder het nieuwe verbond leven!

Delegeren en samenwerken in het nieuwe testament

In het nieuwe testament geeft Handelingen 6 een voorbeeld van delegeren in de gemeente. De aanleiding was daar de verwaarlozing van de dagelijkse zorg van de weduwen bij de Grieks sprekenden, waardoor er bij hen gemor ontstond. Er worden dan zeven goed bekend staande mannen aangesteld voor deze taak. Let wel: mannen vol van Geest en wijsheid! De apostelen zelf wilden zich kunnen wijden aan hun primaire opdracht: het gebed en de bediening van het woord en zij konden het bedienen van de tafels er niet langer bij hebben (Hand.6:2,4). Van de zeven aangestelde broeders is het vanuit het bijbelboek Handelingen duidelijk dat de dienst van Stefanus en van Filippus niet beperkt bleef tot de verzorging van de weduwen, hoe belangrijk ook (Jak.1:27).

In Hand.15:36-40 lees je over de verbittering tussen Barnabas en Paulus vanwege hun meningsverschil over het wel of niet meenemen van Johannes Marcus. Er ontstond een uiteengaan: Barnabas voer met Marcus naar Cyprus en Paulus koos zich Silas. Zo ontstonden er twee teams, maar Gods bedoeling is natuurlijk dat zo’n verbreding zonder verbittering plaatsvindt. Barnabas, de zoon der vertroosting, heeft door zijn bemoedigende arbeid aan Marcus hem op den duur tot een nuttige dienstknecht kunnen vormen. Later erkende zelfs Paulus: “Haal Marcus af, want hij is mij van veel nut voor de dienst” (2 Tim.4:11).

Een sleutelvers over delegeren en samenwerken in de gemeente vinden we voorts in 2 Tim.2:2, waar we lezen: “En wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten”. Dit is een schoolvoorbeeld om te zien hoe Paulus opleidde tot medewerkers. Zo werkte hij zeer intensief aan Timotheüs (Hand.16:2,3; Fil.2:22) en Titus (2 Kor.8:23), die op hun beurt bijvoorbeeld weer oudsten aanstelden. Dit ene vers omspant al vier opeenvolgende schakels richting kadervorming (als je het zo wilt noemen) in de gemeente.

Deze werkwijze heeft een sneeuwbaleffect, of anders gezegd een vermenigvuldiging van bedieningen op termijn! Merk op dat het gaat om vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn. Trouw en betrouwbaarheid begint altijd in het kleine (Luk.16:10-12). Paulus ging zorgvuldig te werk en hij investeerde met dieptewerking in enkele medewerkers, die dat later zelf opnieuw konden toepassen naar anderen.

Een taak toevertrouwen heeft te maken met verantwoordelijkheid, vrijheid en vertrouwen geven. Wie een taak toevertrouwd is, zal deze uitvoeren in een goede geest tegenover God en met respect jegens de aansteller. Respect is tegelijkertijd het goede klimaat voor eventuele correcties (1 Tim.1:5). Er zal openheid blijven, om verantwoording af te leggen en eventuele bijsturing of adviezen en tips van harte op te pakken. De leiding, die delegeerde, zal dankbaar zijn voor medewerkers en belangstelling koesteren voor hun dienst door mee te volgen, waar nodig en mogelijk.

De oudsten zijn zelf een delegatie van Jezus (gezagsverhouding) en van daaruit delegeren zij daarna verder. Zij behoren in de ootmoed te staan, niet in eigendunk, menselijke ambitie of status. Het gezag van oudsten berust op kwaliteit (leven, wijsheid), niet op menselijke aanstelling. Een soort scheiding tussen geestelijken en leken is fnuikend in een gemeente!

Ook mensen die opkomen vanuit de gemeente en mogelijk rijpen naar een bepaalde dienst, zullen zichzelf niet aanbevelen (2 Kor.10:18). Het gaat in de gemeente van de levende God immers niet om hen die “haantje de voorsten” willen spelen, niet om “baantjesjagerij” en evenmin om geestelijke compensatie te zoeken voor wat maatschappelijk misschien niet gelukt is.

Inzonderheid voor een leider is nederigheid fundamenteel. Alle ivoren toren-mentaliteit moet wars van hem zijn. Hij zal juist aller dienaar zijn! (Matth.20:26,27). In de wereld gaat het om heerschappij en machthebbers, “doch gij niet alzo, maar de eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar” (Luc.22:25,26).

Algemene principes zijn het elkaar onderdanig zijn (Efeze 5:21) en “omgordt u allen jegens elkander met nederigheid” (1 Petr.5:5). Schitterend schrijft Paulus achter elkaar: “Stelt u dan ook onder zulke mensen, en onder ieder, die medewerkt en arbeidt” (1 Kor.16:16).

Gemeenteleden zullen geen macht op zich uit laten oefenen en geen slaaf van mensen zijn (1 Kor.7:23). Een waarachtige dienaar, die voor-leeft, krijgt respect en vertrouwen en hier past erkenning en hoogschatting in liefde (1 Thess.5:12) Wie leiding geeft, doet dat in ijver (Rom.12:8).

De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht (1 Tim.5:17). Deze kijken om zich heen naar vertrouwde mensen in de gemeente, die (op hun beurt) bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten (2 Tim.2:2).

Om een voorbeeld te geven: als enkele oudsten een fundamentstudie geven, dan is het een goede zaak als er in een volgend jaar omgezien wordt naar medewerkers, die zo’n basiscursus meedraaien, zelf af en toe ook een studie geven en daarin gecoached worden door de oudsten. Op die wijze groeien er weer enkelen op, die een dienst om bijbelstudie te geven en een kring pastoraal te kunnen begeleiden van lieverlee door oefening, vorming en training leren.

Voor de oorspronkelijke leiders snijdt het mes nu naar twee kanten: zij geven het eerste onderwijs aan nieuwelingen op de weg en zij leiden hun eventuele, toekomstige plaatsvervangers op. Op termijn krijgen ze op deze manier zelf weer hun handen vrij, om wellicht een “vast voedsel”-kring te kunnen starten. Oudsten hebben het al druk genoeg met de zorg voor de gemeente en daarom is delegeren en samenwerken een uitstekend middel om aan overbelasting te ontkomen. Door te delegeren maak je jezelf op een deelgebied als leider min of meer overbodig.

Dat zeg ik bewust iets te gechargeerd, want het is belangrijk dat oudsten “feeling” houden met elk facet van gemeentewerk. In essentie bedoel ik aan te geven, dat er nog veel te veel werk is, dat de oudsten in eigen portefeuille hebben en dit geeft henzelf (te) veel druk op de ketel. Door te delegeren schakel je anderen in tot samenwerking en leer je harmonisch te coördineren (geen afschuifsysteem!), in plaats van veel te veel hooi op je eigen vork te houden.

Dat kan zijn met praktische dingen als bijvoorbeeld het gemeenteblad of het maken van nieuwe stichtingsstatuten, maar ook met geestelijke zaken als het geven van bijbelstudie en het doen van een Woordverkondiging. Daarmee beoog je als leidinggevende dat er naast jou anderen tot ontwikkeling kunnen komen, die de Heer kan gaan gebruiken als mededienaar.

Eigenschappen van leiders

Een ware leider onder het gezag van zijn hoofd, Jezus Christus, houdt zich niet bezig met zelfzucht, winstbejag of jagen naar eer.

Leiders kenmerken zich door vreze des Heren ( dat is: wijken van het kwaad). Zij zijn ijverig, getrouw, vergevingsgezind, bestand tegen kritiek en wars van vleierij. Voor-gangers zijn een zichtbaar voorbeeld in reinheid, liefde, ootmoed, vriendelijkheid en andere christelijke karaktertrekken. Paulus zei: “Wij doen onszelf in ALLES kennen als dienaren Gods” (2 Kor.6:4; vergelijk Hand.20:22-24) en daar was veel goddelijke verdraagzaamheid voor nodig.

Een leider moet kunnen en durven zeggen: “volg mijn voorbeeld” (1 Kor.4:16), of “wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg” (1 Kor.11:1; vergelijk Fil.3:17; 1 Thess.1:6; 1 Tim.4:12-16; 1 Petr.5:3; 2 Kor.1:24; Tit.2:6-8). Hij mag zich dus niet verschuilen door te roepen: “kijk maar naar Jezus en naar mij moet je niet kijken”. Dat klinkt gewild nederig en vroom, maar het is de kop in het zand steken en de duivel in de kaart spelen.

Het beeld van God is het verst gevorderd in de oudsten, als het goed is. Zij zijn het oudste als het op gods-vrucht aankomt, op volwassen, onvernietigbaar leven (Hebr.7:16). Oudsten hebben daarom gezag in leer en leven. Belangrijk is het acht te geven op wat 1 Kor.4:6 aanreikt: niet gaan boven hetgeen geschreven is en niet werken met aanzien des persoons (voor de één en tegen de ander).

Uit de reeksen eigenschappen, die 1 Timotheus 3 en Titus 1 opsommen valt veel te leren. We halen er nog enkele dingen uit:

  1. nuchter (1 Tim.3:2), dat wil zeggen niet handelen vanuit impulsen of emotioneel. Het

hoofd koel houden en niet oververhit raken door bepaalde gebeurtenissen. Ook: niet zo vlug overal induiken.

  1. niet aanmatigend (Tit.1:7).
  2. niet zich laten leiden door het verlangen veel volgelingen te hebben (Joh.6:67-71;

Gal.1:10).

  1. eigen gezin heeft prioriteit (1 Tim.3:4-5).

Omgaan met sterke en zwakke kanten

Het doet goed als een oudste eerlijk durft te zijn over zwakke kanten. Iemand kan een goede leraar zijn, maar als herder wat minder sterk zijn. Of omgekeerd: iemand is pastoraal heel wijs, maar minder bekwaam als leraar. Je kunt niet in alles (even) goed zijn. Je zwakte kan je sterkte worden, als je anderen de ruimte geeft, die op sommige deelgebieden gewoon beter zijn. Dat is helemaal geen schande. Laat die hun dienst dan ten volle mogen verrichten! (2 Tim.4:5; Kol.4:17).

Van Onesimus staat zo mooi: “die vroeger onbruikbaar voor u was, maar nu zeer bruikbaar is, zowel voor u als voor mij” (Filemon 11). Als Paulus over een man als Epafroditus schrijft, die hij zal zenden en die zo ziek geweest was, dan merkt hij op: “Ontvang hem dan in de Here met alle blijdschap en houdt mannen zoals hij in ere”. Paulus haalt een opklimmende aanduiding aan, als hij Epafroditus aanbeveelt: “mijn broeder en mijn medearbeider en medestrijder”… (Fil.2:25-30).

Ieder heeft iets te dienen en te dragen

“Naar het bevel des Heren door de dienst van Mozes droeg men IEDER op, wat hij te dienen en te dragen had, te weten de getelden, zoals de Here Mozes geboden had” (Num.4:49).

Voor de koers en het beleid van een gemeente zijn de oudsten verantwoordelijk. Binnen deze richting en mogelijkheden is er volop ruimte voor initiatieven en creatieve inbreng van dragers en dienaars naar ieders bekwaamheden en gaven. Niemand hoeft niet in tel te zijn, of zich overgeslagen te voelen, maar mag tot de getelden horen, tot de medestrijders, waar de gemeente wat aan heeft. De leiding hoeft geen boot af te houden door politieke manoeuvres, maar zij zal als Mozes zachtmoedig zijn. Dat is zacht in zichzelf en moedig in God! Voorzichtigheid en dapperheid kunnen hand in hand gaan of elkaar afwisselen.

De geest van achterdocht of de geest van communicatie

Een gevaar dat in een gemeente kan binnendringen is insinuatie, kwade vermoedens, of wel een geest van achterdocht, die geharrewar tot gevolg heeft. Het gaat hier om mensen die zich niet willen voegen naar de gezonde leer der godsvrucht, maar een zwak hebben voor geschillen en haarkloverijen (1 Tim.6:3-5).

Er kunnen altijd dingen gebeuren, die we niet begrijpen of niet kunnen beoordelen, of die ons onrechtvaardig toeschijnen en dergelijke. Een geheim is dan het toepassen van 1 Petr.2:23: “het overgeven aan Hem, die rechtvaardig oordeelt” (vergelijk Ps. 38:14-16, dat ook heel sterk de oplossing van de Here verwacht).

Wezenlijk is het niet te kwetsen (aanstoot geven) en niet gekwetst te worden (aanstoot nemen). De “lange tenen” van beledigd raken en aanstoot nemen, kunnen “eraf” figuurlijk gesproken. Leiders hoeven niet in de verdediging te gaan. God heeft zijn manieren om uit te redden en tot ere te brengen (Spr.18:10; Ps.91:15; Joh.12:26b). Je schild of verdediging is de Here (Ps.3:4; Gen.15:1).

In plaats van achterdocht post te laten vatten is open communicatie gepaard gaande met wijsheid een positieve geest om in te werken. “Een woord in de juiste vorm gesproken, is als gouden appelen op zilveren schalen” (Spr.25:11). Hebr.13:16 zegt: “En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen”. In een Engelse vertaling staat treffend: “do not forget to communicate”!

Geestelijk of vleselijk

Delegeren is een sleutelwoord voor gemeentebouw. In het oude verbond hadden de Levieten hun actieve diensttijd van 25 tot 50 jaar. Daarna behoefden ze niet langer het dienstwerk te verrichten, maar namen jongere mensen hun plaats in. Toch mochten de ouderen de jongeren bij het vervullen van hun taak behulpzaam zijn (Num.8:23-26).

In het nieuwe verbond geldt de priesterdienst voor allen (1 Petr.2:9). Het kunnen profeteren is eveneens voor allen (1 Kor.14:31) en het koningschap is ook voor allen bedoeld, om maar te beginnen met het heersen over de zonde in je eigen leven en later in groter verband (Rom.5:17,21).

De olie van de Geest mag in alle raderen van de gemeente gaan doorwerken, zodat het gemeenteleven soepel en harmonisch functioneert.

Leidinggevenden zullen ondanks kritiek, die er komt, hun vriendelijkheid en blijdschap kunnen bewaren, in plaats van hun werk al zuchtende te gaan doen. Als zij tenminste diep beseffen: “al mijn bronnen zijn in U” (Ps. 87:7) en: mijn spijs is het doen van Gods wil (Joh.4:34). Zij voeren geen strijd tegen vlees en bloed, al loopt de strijd wel vaak via vlees en bloed. Zij willen geen mensenbehagers zijn, maar Gods welbehagen en goedkeuring over hun dienst zoeken.

Gemeenteleden zouden wel eens meer waardering mogen uiten naar elkaar en naar de leiding. “Weest in eerbetoon elkander ten voorbeeld” (Rom.12:10) en ook: :”En hij, die onderricht wordt in het woord, dele van alle goed mede aan hem die dat onderricht geeft” (Gal.6:6).

De leidinggevenden hoeven niet af te remmen of te blokkeren, maar mogen uit zijn op medearbeiders (1 Kor.3:9). Zij zullen niet alleen praktische zaken delegeren, maar ook geestelijke. Zij zoeken de verbondenheid met, niet de controle over. Gemeenteleden zullen zich vanuit vrijwilligheid, van harte, inzetten! Weg met alle vrijblijvendheid! Ieder mag zijn plaats innemen in de gemeente, al naar gelang genadegaven en bekwaamheden (1 Kor.12:18, 28-31; Rom.12:3-8; Efeze 4:7). Soms betekent dit simpel: “doen wat je hand vindt om te doen” en “invallen of inspringen waar je een gebrek ziet”.

Vooreerst gaat het om trouw in kleine dingen (Matth.25:21) en in de voortgang gaat het om het beheer van de geheimenissen Gods. Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar te blijken (1 Cor.4:1).

Tenslotte: bewaar jezelf voor de twee valkuilen in je persoonlijk leven en in je dienen in de gemeente. Wees nooit mismoedig en word nooit hoogmoedig!

“Geef dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten”! (Hebr.10:35).

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *