Tien sleutels voor de omgang met elkaar in de gemeente

TIEN SLEUTELS VOOR EEN GEZONDE OMGANG IN DE GEMEENTE 

Het christelijke leven is een strijd, die voert tot heerlijkheid. Persoonlijk heb ik hulp van God kregen door een aantal sleutels in die strijd te gebruiken, die ik graag wil doorgeven. Het is belangrijk en nuttig om te zien dat we deze bijbelse principes in eigen leven toepassen en dat we op een goede manier met elkaar omgaan. Daar wil ik een aantal handreikingen voor geven waar je hopelijk wat aan hebt. Ik wil tien gouden sleutels geven voor je eigen leven en die openen ook de deuren voor het omgaan met elkaar. Jezus en de apostelen reiken ons deze sleutels aan die onszelf door en door gelukkig kunnen maken en die de tussenmuren die er met anderen kunnen zijn wegbreken.

  1. Nooit tegen vlees en bloed (mensen) strijden, maar tegen de boze geesten Ef. 6:12 

“Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maat tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten” (Ef. 6:12). Als we tegen mensen strijden, dan strijden we de verkeerde strijd.

Veel gemeenteproblemen komen in het algemeen in de christenheid daaruit voort, dat men elkaar te lijf gaat. Meestal wel niet letterlijk, maar in woordenstrijd en twist met mensen ligt geen enkele
wijsheid om een probleem in de gemeente op een gezonde manier aan te pakken. “Blijf dit in herinnering brengen en betuig in de tegenwoordigheid van God, dat men geen woordenstrijd moet voeren, die tot NIETS NUT is, (ja) verderf brengt aan wie ernaar horen” (2 Tim. 2:14). Zulk eindeloos gediscussieer voert niet tot opbouw in een goede geest, maar leidt tot een verkeerde strijd. Verder staat er: “Maar wees afkerig van de dwaze en onverstandige strijdvragen; gij weet immers dat zij twisten teweegbrengen; en een dienstknecht des Heren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te onderwijzen, geduldig, met zachtmoedigheid de dwarsdrijvers bestraffende…” (2 Tim. 2:23-24). Dit soort zaken moeten wij dus mijden als de pest! Dit zeg ik om je herinnering wakker te houden.

Helaas komt het hier en daar voor dat men elkaar “bijt en verslindt”, in plaats van elkaar in de liefde te dienen en door de Geest te wandelen en niet te voldoen aan de begeerte van het vlees (Gal. 5:13-16).

Door de strijd tegen mensen te voeren, verliest men het zicht op de achterliggende ware vijanden: de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef. 6:12). Natuurlijk niet om tegen elkaar te roepen: ”jij hebt een boze geest en moet je eerst maar eens laten bevrijden”. In hoeverre ben ik zelf volledig vrij van alle beïnvloeding van de boze? Ja, dan zouden we al volmaakt zijn. Als je denkt dat je hier in de volmaakte gemeente bent gekomen, dan heb je wel positief over ons gedacht, maar we nemen allemaal onszelf mee. We moeten toch allen nog steeds bidden: “verlos ons van de boze”, zoals Jezus het ons leerde in het zogenaamde “Onze Vader”? Daarachter staat: “Uw Koninkrijk kome” en dat Koninkrijk is er in zekere zin geestelijk al, maar het Koninkrijk is nog niet gemanifesteerd op aarde, maar dat zal pas komen als Jezus terugkomt. De vraag is wel: mag Hij nu al Koning en Heer van je leven zijn? Geef je Hem die plaats op de troon van je leven of draait het bij ons nog om ons ikje, om onze eigen sterkte persoonlijkheid? Jezus Christus is nu al het hoofd van de gemeente, gezeten boven alle overheid en macht in de hemelse gewesten.

Essentieel in het omgaan met elkaar in de gemeente is glashelder te zien dat we maar EEN gemeenschappelijke, geestelijke vijand hebben en dat is de duivel, die de “uit-elkaar-werper” (diabolos) tracht te zijn door middel van onder meer het aanklagen van broeders en zusters. Neem ik aanklachten van de boze over tegen mijn broeder, of spring ik ter verdediging van mijn broeder op de bres in de gezindheid van Jezus? Houd ik net als Jezus een pleidooi voor mijn broeder, om het voor hem op te nemen en hem vrij te zetten? Of ben ik advocaat van de duivel?

De geestelijke, goede strijd van het geloof zien en hanteren is een belangrijk wapen, om je broeders en zusters vrij te pleiten en hen geen dingen toe te rekenen door scheiding aan te brengen tussen mens en macht der duisternis, die hem/haar kan misleiden.

Wij zullen in de gemeente nooit tegen elkaar zijn, maar voor en met elkaar en alleen TEGEN de satan, die gebruik wil maken van menselijke situaties, zoals vaak kan gebeuren door misverstanden en bij verkeerde interpretaties, die de boze wil kleuren naar zijn kwade opzet. Zo kan het voorkomen dat men iets “zendt” in woorden en de ander “ontvangt” in zijn beléving of naar zijn opvatting een andere boodschap dan is bedoeld. Daaruit kan een nare discussie voortkomen, want de boze is er als de kippen bij om een smeulend vuurtje aan te blazen. Zowel bij de “zender” als bij de “ontvanger” kan er “ruis” op de lijn zijn, al is dat naar beider gezindheid en instelling vaak onbedoeld. De “zender” kan een volgende keer meer wijsheid en fijngevoeligheid leren, zodat een boodschap of bericht bij de ander niet zo gauw verkeerd kan aankomen bij de “ontvanger”, al is dat niet helemaal te vermijden. De “ontvanger” kan leren de uitspraken van de “zender” zo gunstig mogelijk op te vatten door uit te gaan van de goede bedoelingen van een medebroeder of medezuster, in plaats van er iets negatiefs achter te zoeken, waarbij door achterdocht de boze zich erin kan gaan roeren.

Het gaat in de strijd niet tegen je echtgeno(o)t(e),  je kinderen, je familie, je collega’s, je werkgever, je buren, enzovoort. Scheid daarom altijd de mens van de machten der duisternis, die mogelijk door iemand heen kunnen werken. Dan bewaar je altijd Gods liefde in je hart voor je medemens! Op deze wijze hebben Jezus en Stefanus het ook gedaan en konden zij bidden: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” (Luk. 23:34 en “Here, reken hun deze zonde niet toe” (Hand. 7:60).

Laten wij de duivel geen voet, geen plaats geven (Ef. 4:27), maar de eenheid bewaren onder elkander! Als wij nog strijden als broeder en zuster met elkaar, dan is de duivel de lachende derde. De duivel zal immers altijd proberen een wig tussen broeders en zusters te drijven om ze uit elkaar te krijgen. Daarbij vist hij graag in troebel water door bijvoorbeeld kwade vermoedens te insinueren. Val niet meer over mensen in de zichtbare, natuurlijke wereld, maar bestrijd de machten der duisternis in de onzichtbare, geestelijke wereld! Dat zijn onze werkelijke vijanden! 

  1. De ander niet naar het vlees kennen 2 Kor. 5:16; 1 Kon. 6:18 

“Zo kennen wij vanaf nu NIEMAND meer naar het vlees” (2 Kor. 5:16) is een subliem woord, dat ons kan behoeden die ander nog te beoordelen volgens de maatstaven naar de oude mens. “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, ZIE, het nieuwe is gekomen. Dit ALLES is uit God…” (2 Kor. 5:17-18a). Het is een nieuw leven met een nieuwe Meester, Jezus.

Waarom kunnen wij dat niet ZIEN met geestelijke ogen, verlichte ogen van je hart? Die ander heeft de volkomenheid nog niet bereikt, maar wat heerlijk als ik ZIE wat voor nieuwe ontwikkeling er in Christus is gekomen bij iemand, dan word ik blij, dan verheug ik mij. Dit in plaats van te kijken, of mij zelfs blind te staren op ‘vlees’, of nog te oordelen naar hoe iemand voorheen in zijn oude leven is geweest.

Als God mij plaatst naast iemand die mij van nature minder ligt, dan heb ik enorme mogelijkheden, om de positieve kanten bij die ander op te merken, naar wie Hij in Christus is en wie en wat Hij in Christus mag worden. Wil ik mijzelf reinigen van het hebben van een hekel aan iemand, of subtieler: een klein beetje antipathie tegen iemand in de gemeente? Mensen die ons van nature minder liggen, zijn het schuurpapier waarmee de Heer jou en mij kan vormen. Bijbels gezegd: “Zoals men ijzer met ijzer scherpt, zo scherpt de ene mens de ander” (Spreuk. 27:17).

Wil ik het oude van medechristenen ‘voorbij’ laten gaan? Ga ik het verklaren tot ‘vroeger’, toen hij in het vlees wandelde? Dan kijk ik mee vanuit het perspectief dat God voor ogen heeft en wordt het klimaat in de gemeente, de sfeer in de gemeente, door en door positief, omdat ik ‘van bovenuit’ het een en ander meevolg vanuit hemels standpunt bezien.

Dat is een heel andere instelling dan iemand nog steeds te bezien naar hoe hij in het verleden was. Wat geweest is, is geweest! Die ander is niet meer zoals hij geweest is, maar – net zo min als ikzelf – nog niet wat hij moet zijn, beter gezegd wie hij mag worden in Christus door te groeien naar Zijn beeld.

Kijk nooit minachtend rond, maar waardeer het goede dat in die ander naar Christus uitgaat (Filemon 4-6). Op die manier beoordelen we positief, vanuit een ‘plus-denken’. Dat plus is: die ander in Christus en Christus in die ander!), in plaats van steeds allerlei minpunten bij anderen te zien. Dan heb je altijd veel noten op je zang en zie je voortdurend de vijven en zessen van de ander. Strek jij jezelf ernaar uit bij het streven naar Geestesgaven om uit te munten tot opbouw van de gemeente? (1 Kor. 14:12). Uitmuntend, dat betekent dat je op de basisschool een tien op je rapport had.

“Daarom beoordelen we vanaf nu NIEMAND meer volgens de maatstaven van deze wereld” (2 Kor. 5:16, NBV). Op die manier ga je niet meer rond om medebroeders en -zusters iets toe te rekenen en een ‘zwartboek’ over hen bij te houden (o ja, een maand geleden deed hij dit en een week geleden deed zij dat, enz), want Christus rekent ook mij al die dingen niet meer aan (2 Kor. 5:19).

Alleen de duivel heeft belang bij ‘negatieve notitieboekjes’ en hij legt ‘schulddossiers’ en ‘strafbladen’ aan, om ons aan te kunnen klagen, maar wij mogen deze dingen wegdoen, als ze opkomen, of ons in de herinnering schieten. God gedenkt immers onze eigen zonden ook niet meer. Hij heeft onze zonden weggedaan zo ver als het oosten verwijderd is van het westen, ja in de diepten van de zee geworpen.

De gezindheid en heerlijkheid van Christus kan zo gaan (over)heersen in de gemeente, zodat alle onderlinge verhoudingen gezond en optimaal kunnen worden! Vol van olie in de onderlinge raderen, oftewel vol van de heilige Geest.

In het schaduwbeeld van de tempel van Salomo was deze overdekking van de stenen (een beeld van ons als levende stenen in de gemeente) zodanig dat gezegd kon worden: “het was alles cederhout, ER WAS GEEN STEEN TE ZIEN” (1 Kon. 6:18). Niemand in de gemeente hoeft nog een blikvanger te zijn. Niemand heeft nog de behoefte om op te vallen, als het zuiver om de openbaring van Jezus’ heerlijkheid in ons leven gaat! De steen die eruit mag springen is de hoeksteen, Jezus Christus, want naar Hem willen wij ons leven richten. En de gevelsteen, de topsteen of de sluitsteen (Zach. 4:7) waarmee het geestelijk huis voltooid wordt en de gemeente haar doel bereikt: de gelijkvormigheid aan Jezus Christus oftewel de openbaring van de volgroeide, volwassen zonen van God.

  1. De gevoeligheden van elkaar verdragen Rom. 15:1-3; 1 Kor. 8:7-13 

Wij lezen: “Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden van de zwakken verdragen en niet onszelf behagen  (= ons eigen belang dienen, NBV)” (Rom. 15:1, NBG-vert.). Door zichzelf te behagen in het vasthouden en uitdragen van eigen, sterke meningen, is er veel onenigheid ontstaan over ondergeschikte punten, die bijzaken zijn. Het is Gods bedoelingen dat we over minder belangrijke kwesties een grote verdraagzaamheid aan de dag leggen. Daar is ruimte en vrijheid.

In Romeinen 14 en 15 (vergelijk 1 Kor. 8:7-13; 1 Kor. 10:23-33) lezen we over ‘sterken’ en ‘zwakken’ en vinden we een heel gebied, waar vaak een strijd over gevoerd is, bijvoorbeeld over wat men wel of niet eten of drinken mag en welke dagen men al dan niet zal vieren. Daarbij kan ook gauw hoogmoed ontstaan, omdat men zich op sommige punten beter voelt dan de andere categorie christenen die nog zwak zijn. Sterken kunnen gemakkelijk gaan heersen of betweters worden.

Op dit terrein – het gaat immers niet over zonden – is vrijheid en verdraagzaamheid nodig en daarom elkaar te aanvaarden, ZOALS Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid van God (Rom. 14:1-2; Rom. 15:7).

“De God der volharding en vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar het voorbeeld van Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit EEN mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken” (Rom. 15:5-6).

Het is jammer als men ter wille van eten (en dergelijke punten) het werk van God afbreekt (Rom. 14:20). Men heeft dan niet hetzelfde licht over detailonderwerpen. Deze verscheidenheid en deze schakeringen mogen er in de gemeente zijn over niet-wezenlijke kwesties, zoals eten, drinken en dagen die men onderhoudt, welke feesten je wilt vieren.

De leden die het zwakst schijnen, zijn noodzakelijk en krijgen meer eer, opdat er GEEN VERDEELDHEID in het lichaam zou zijn en de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen (1 Kor. 12.22-25). God gebruikt ook de zwakste schakels. Laten wij dus niemand minachten!

Ergens anders schrijft Paulus: “Indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren” (Fil. 3:15). Het gaat op die plaats wel over christenen met een 100% gezindheid, die naar het volkomene jagen (Fil. 3:12) en die in vertrouwen zeggen: “maar hetgeen wij bereikt hebben, in DAT spoor dan ook verder (Fil. 3:16). Samen! In plaats van ieder op zijn eigen spoor maar uit elkaar verder te gaan als gevolg van een niet-wezenlijk punt van verschil in inzicht. Geloven wij dat God het ook zal openbaren als wij het op enig punt iets anders zien? Of wille wij graag onze eigen stokpaardjes berijden?

De apostel geeft aan te letten op het geweten van de ander en ter wille van degene die zich daaraan kan stoten bepaalde zaken te laten, bijvoorbeeld het drinken van wijn (Rom. 14:15,21). Het is belangrijk er attent in te zijn niet door aardse zaken tot een aanstoot of ergernis voor je broeder of zuster te worden! Dan drink je desnoods geen wijn meer ter wille van je broeder.

De hoofdrichtlijn luidt: “Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert” (Rom. 14:19). Dan gaat men niet muggenziften over futiliteiten, of zaken die elke oprechte christen in het geloof dat hij bij zichzelf heeft voor Gods aangezicht mag houden zonder zich verwijten te maken bij hetgeen hij goed acht (Rom. 14:22).

Daarom is een goede richtlijn: eenheid in hoofdzaken, vrijheid in bijzaken en liefde in alle zaken.

  1. Alles overgeven aan Hem die rechtvaardig oordeelt 1 Petr. 2:23; 1 Petr. 4:19

 “Daarom, laten ook zij die lijden naar de wil van God, hun zielen aan Hem, als getrouwe Schepper, toevertrouwen  in het doen van het goede” (1 Petr. 4:19).

Als je naar de wil van God lijdt, is alles overgeven aan Hem, die rechtvaardig oordeelt een geweldige hulp. In de ziel roeren zich gedachten en gevoelens, omdat je de situatie niet begrijpt. Maar je weet twee dingen: God is getrouw en ik zal in elk geval steeds het goede blijven doen!

Als wij onterecht lijden of onrechtvaardig behandeld worden dan is het zo belangrijk, om de voetsporen van Jezus na te volgen; bijv. die “toen Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt.” Immers de Vader heeft toch het totaaloverzicht en weet precies wat er plaatsvond en gebeurde dat niet zo prettig bij mij binnen kwam. Die opmerking, die reactie, dat gezicht, die houding, dat genegeerd worden, die koude douche die ik over mij heen kreeg, dat onbegrip, dat gepasseerd worden in de gemeente, enzovoort. Al die zaken die ik niet begrijp en waarbij ik mij afvroeg waarom ze plaatsvinden, ik mag ze overgeven aan Hem die rechtvaardig oordeelt en er ondertussen op letten dat ik zelf steeds het goede blijf doen. Hij zal ons erdoor heen helpen in ons leven, ook door die gebeurtenissen die zo’n pijn in mijn leven hebben gedaan. Hij wil ons innerlijk genezen van pijn en wonden. “Hij heelt gebrokenen van harte en troost hen in hun smarten.” (Ps. 147:2, berijmd). Jezus heeft niet alleen onze zonden gedragen, maar ook onze smarten, ons leed (HSV), op Zich genomen (Jes. 53:4).

  1. Niet de ander de schuld geven Gen. 3:12-14 

“Toen zei Adam: De vrouw die U gaf om bij mij te zijn, die heeft mij van die boom gegeven en ik heb ervan gegeten. En de Heere God zei tegen de vrouw: Wat heeft u daar gedaan! En de vrouw zei: De slang heeft mij bedrogen en ik heb ervan gegeten. Toen zei de Heere God tegen de slang: Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt…”

Hier zien we dat er een doorschuifsysteem was van wie de schuld had. Adam gaf zijn vrouw de schuld en indirect eigenlijk zelfs God en Eva gaf op haar beurt de slang de schuld. Adam had de opdracht de hof te bewerken, maar ook te bewaken. Hij had de hoofdverantwoordelijkheid en Hij had de slang met zijn listige praatjes uit de hof moeten verwijderen.

Door anderen of de omstandigheden de schuld te geven kun je je eigen zonden gemakkelijk goed praten en je eigen straatje schoonvegen. God kent echter de waarheid en houdt ons verantwoordelijk voor onze daden. Geeft je ook wel eens je vrouw de schuld als er thuis iets mis gaat, of neem je als broeder zelf de medeverantwoordelijkheid? Schuif je ook wel eens de schuld door naar de duivel als er iets fout gaat? Als er iets in de gemeente niet goed gaat, is het gemakkelijk de oudsten de schuld te geven, omdat zij de eindverantwoordelijkheid hebben. Maar de gemeente, dat zijn wij. Zorg ervoor dat de leiding van de gemeente het werk niet al zuchtende hoeven te doen. De gemeente dat ben jij en we zijn allemaal medeverantwoordelijk voor het lichaam van Christus, waarvan Hij, Jezus Christus, per slot van rekening het hoofd is die alles in handen heeft en alles overziet. Hij is de Opperherder, om niet te zeggen het Opperhoofd. Zoek bij jezelf, ga bij jezelf na of je jouw deel gedaan hebt of dat daar ook gebrek aan kleefde, omdat wij nog niet 100% geestelijk zijn. Je kunt een goede gezindheid hebben om de Heere en de ander in de gemeente te dienen, maar onbewust komt er altijd nog vlees mee naar buiten. Vaak kunnen we achteraf terugdenkende iets vinden bij onszelf en ons daarvan reinigen gelijk Hij rein is (1 Joh. 3:3). Wat ik onbewust deed, wordt mij dan bewust. De Bijbel noemt dat “de werkingen van het lichaam doden” (Rom. 8:13). Dat moeten we erkennen bij onszelf in plaats van de ander, de omstandigheden of de duivel de schuld te geven. 

  1. Niet lijden als een bemoeial/ door bemoeizucht/ door inmenging in de zaken van de ander 1 Petr. 4:15; Joh. 21:21-23 

“Maar, laat niemand van u lijden als een moordenaar of dief, of kwaaddoener, of iemand die zich met de zaken van iemand anders bemoeit” (“die zich mengt in de zaken van anderen”). Als je jezelf totaal niet verloochent en maar aan kwaad doet wat in je opkomt, kun je zelfs tot moord en diefstal komen en zul je lijden door eigen schuld, omdat dit strafbaar is en je gevangenisstraf daarvoor krijgt. Als je jezelf een klein beetje verloochent, krijg je het voor elkaar om buiten de gevangenis te blijven. Maar dat is natuurlijk ons doel niet. Als je je buiten je eigen gebied begeeft en je op het terrein van de ander komt, dan ga je lijden als een bemoeial. Want een ander heeft zijn/haar grenzen en zal het niet waarderen dat je je ongevraagd in zijn zaken mengt. Je dringt je binnen in diens leven. Dat veroorzaakt lijden, ook als je het misschien goed bedoelde, maar verkeerd deed en dit niet door de ander werd gewaardeerd. Het is een heel ander verhaal; als de ander jouw hulp vraagt en jou om raad of advies heeft gevraagd. Dan kijk je met toestemming even mee in het leven van de ander.

In Joh. 21:21-13 lezen we: “Toen Petrus deze (Johannes) zag, zei hij tegen Jezus: Heere, maar wat zal er met hem gebeuren? Jezus zei tegen hem: als Ik wil dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volgt u mij! Dit gerucht nu, dat deze discipel niet zou sterven, verspreidde zich onder de broeders. Maar Jezus had niet tegen hem gezegd dat Hij niet zou sterven, maar: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan?” Petrus was nieuwsgierig wat er met Johannes zou gaan gebeuren: zus of zo. Hij bemoeide Zich met een zaak die hem niet aanging. “Ieder zal zijn eigen last dragen” (Gal. 6:5). We kunnen gemakkelijk de neiging hebben onszelf met anderen te vergelijken, maar het gaat erom wie wijzelf zijn voor Gods aangezicht in het volgen van Jezus. Jezus maakt hem duidelijk dat het belangrijk is dat hij zelf bezig bleef om Jezus te volgen en dat hij zich niet ermee zou bemoeien hoe het met een ander zou kunnen gaan. Dat ging hem niets aan, want dat was zijn zaak niet, maar de zaak van de Heer. Petrus moest slechts letten op zijn eigen zaak en niet op de zaak van de ander.

  1. Overwin het kwade door het goede Rom. 12:21 

“Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede” (Rom. 12:21). In de wereld zal het kwaad ons proberen te overwinnen. Als iemand kwaad op mij wordt, dan kan ik vanuit het vlees kwaad terug doen, maar dat lost niks op, want dan is er niet een, maar dan zijn er twee kwaad, Maar wij mogen omgekeerd leven, want wij zijn bekeerd, dat is 180 graden om! Als iemand je uitscheldt, dan kunnen wij door Gods genade vriendelijk blijven. God zegt: “wreekt jezelf niet”. Paulus zegt in 1 Thess. 4:6 “laat niemand over zijn broeder heenlopen en hem bedriegen door zijn handelwijze, want de Heere is een Wreker van dit alles…”. Er zijn een paar dingen die alleen aan God toekomen: de eer, de macht en de wraak. Wij mogen ons nooit op iemand wreken.

Wij betalen niet met gelijke munt terug, dat is menselijk, maar wij mogen leren geestelijk of goddelijk te reageren met goede woorden. Of bijv. met behulp van de onrechtvaardige Mammon ons vrienden maken (Luk. 16:9) door te geven, dat het hart zacht en beschaamd kan maken en misschien tot inkeer kan brengen. Wij moeten dus leren in te spelen op de behoeften van de ander. Door iemand een vlaai te laten bezorgen of iets anders voor hem/haar mee te nemen, kan iemand zien dat wij het goede met hem/haar voorhebben. En dus nooit te denken: “ik krijg jou nog wel broeder” als hij iets vervelends tegen je gezegd heeft. Dan kan ik het gebrom uit het vlees afleggen.

Zaken die ook onder het kwade vallen zijn bijvoorbeeld irritatie, heftigheid, lichtgeraaktheid, chagrijnigheid. Hoe kun je iemand die last ervan heeft opvliegend te zijn helpen? Niet door zelf ook opvliegend te worden. Jezus zei: “hebt uw vijanden lief, doe goed, hen die u haten”(Luk. 6:27-28).

Hij sprak ook: “Wees barmhartig gelijk uw hemelse Vader barmhartig is” (Luk. 6:36-37). Dat is de goddelijke natuur uitleven! 

  1. Zegent integendeel/ daarentegen/juist 1 Petr. 3:8-9 

“Tenslotte, wees allen eensgezind, vol medeleven, heb de broeders lief, wees barmhartig en vriendelijk. Vergeld geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegen DAARENTEGEN, omdat u weet dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegen zult beërven” (1 Petr. 3:8-9). Kunnen wij integendeel zegenen als ons kwaad berokkend wordt of als men over ons lastert en roddelt? Dat kan alleen als de agape-liefde, de gevende en schenkende liefde van God in ons hart is uitgestort door de heilige Geest (Rom. 5:5). Dan leren wij te zegenen met het goede, ook al ondervonden wij het kwade. “Zegent integendeel” of “Zegen daarentegen” mag onze lijfspreuk worden. “Zegen hen die u vervloeken en bidt voor hen die u belasteren” (Luk. 6:28). Ook in Rom. 12:14 staat: “Zegen wie u vervolgen. Zegen en vervloek niet”. Zegenen en bidden is het wapen als men ons smadelijk behandelt. “Want wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, die moet zijn tong weerhouden van het kwaad en zijn lippen van het spreken van bedrog; die moet zich afkeren van het kwaad en het goede doen; die moet vrede zoeken en die najagen” (1 Petr. 3:10-11).

  1. Geen gelijk te willen hebben 1 Kor. 11:16 

“Indien het er iemand om te doen is gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet en evenmin de gemeenten Gods” (1 Kor. 11:16, NBG-vert.). Wat wil je er als christen mee bereiken om gelijk te willen hebben of je gelijk te willen halen in een discussie? Of zelfs je gelijk door te duwen? Wat denk je ermee te winnen om een discussie te winnen door het laatste woord te willen hebben? Je bereikt eerder het tegendeel ermee, omdat je verhouding er met die ander door vertroebeld wordt. Je kunt soms ook gelijk hebben in je huwelijk, maar wat baat dat als je er de vrede met elkaar door verliest? Er is een verhaal dat dit goed illustreert. Jansen en zijn knechts reden in hun vrachtauto en zagen van links een grotere vrachtauto komen, maar Jansen dacht: “ik heb voorrang, want ik kom van rechts.” Dat gelijk moesten ze met de dood bekopen. Op hun graf werd geschreven: “Hier rusten Jansen en zijn knechts, ze hadden gelijk, ze kwamen van rechts.” Het zal wel een anecdote zijn, maar treffend is het wel. 

  1. De minste willen zijn Luk. 9:48 

“Wie onder u de minste wil zijn, die zal groot zijn” (Luk. 9:48). Door de minste te zijn op aarde verspreiden we een lieflijke geur in het huis. In Rom. 14:10 staat: “Wat minacht u uw broeder?” Ik weet niet hoe beweeglijk u bent. Als je wat ouder wordt, is het van belang om je lichaam enigszins te blijven trainen en bijv. buigoefeningen te doen. Hoe lenig ben je in je geest? Lukt het je ook om buigoefeningen naar de ander te maken en bijv. heel snel te zijn om je te buigen en de minste te zijn en te vergeven? Zo ga je als het ware onder elkaar door en vermijd je onderlinge problemen.

Of gaat het nog zo moeizaam om te ander te vergeven, of nog lastiger: vergeving aan de ander te vragen? Versta me goed: het gaat er niet om elkaar schuld aan te wrijven, maar ben ik zo soepel en lichtbewegelijk in mijn geest om een ander vergeving voor iets te vragen? Want al bedoelde ik wellicht het goede, het pakte bij die ander verkeerd uit. Dan moet het geen punt zijn om de minste te zijn en zo een onderdeel te zijn voor de oplossing en het hart van de ander te herwinnen. Op aarde zullen we de onderste weg gaan.

Samengevat

Broeders en zusters, ik wens u sterkte met al deze opgaven! U zult merken dat deze 10 sleutels vele deuren openen! Wie deze inzichten toepast in eigen leven, voorkomt partijschappen en scheuringen en draagt bij aan warme onderlinge broederschap.

Ik vat ze samen:

  • Strijd nooit tegen mensen, maar tegen de boze machten (1)
  • Ken de ander niet meer naar het vlees (2)
  • Verdraag elkaars gevoeligheden (3)
  • Geef als je lijdt alles over aan God die rechtvaardig oordeelt (4)
  • Geef de ander niet de schuld (5)
  • Lijd niet als een bemoeial/ door bemoeizucht of door inmenging in de zaken van de ander (6)
  • Overwin het kwade door het goede (7)
  • Zegen daarentegen/ integendeel/juist (8)
  • Zoek niet je eigen gelijk (9)
  • Wees de minste (10)

 

Jildert de Boer

© Verdieping en Aansporing, 2019.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *