Waar bleef het lichaam?

“Indien zij alle één lid vormden, waar bleef het lichaam”? (1 Kor.12:19).

Eén groot lid in de kerk

In het christendom is het over het algemeen één man, die de spil is waar alles om draait. De traditionele, protestantse kerken hebben een predikant – de dominee – aangesteld en hij fungeert in de zondagse dienst als één lid voor allen. De psalmen zijn door hem gekozen, de gebeden worden door hem verricht en de prediking, die hij heeft voorbereid, wordt door hem gehouden.

De andere leden zingen mee wat opgegeven is, bidden in hun gedachten met de voorganger mee, luisteren naar de preek en geven geld in de collecte. Doorgaans heeft het kerkvolk het graag zo. Het ene, grote lid met de do-mi-ne-ren-de rol is er immers voor. Hij is er voor opgeleid, heeft er een theologische studie voor gedaan en zij hebben hem ingehuurd tegen een behoorlijk loon.

Waar het evenwel om gaat is, of al deze gebruiken wel naar Gods gedachten zijn. Zijn al deze dingen wel gestoeld op Gods Woord? Spreken de apostelen ergens over één man op een kansel? Hebben zij het over één persoon, die zo’n grote plaats inneemt op een preekstoel? En over alle alle anderen die zwijgend in de banken zitten? De opmerkingen van Paulus is nog hoogst actueel, namelijk: “waar bleef het lichaam”? (1 Kor.12:19).

“Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild” (1 Kor.12:18). Een kernwoord is: “Gij nu zijt (het) lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden” (1 Kor.12:27). Dit lichaam behoort te kunnen functioneren als een levend organisme, vol beweging en afwisseling, soepel ebn fris! Vrijmoedig en actief in de gebeden, spontaan in de getuigenissen, ijverig in het uitoefenen van de gaven van de Geest en meedienend en ondersteunend met Gods levende Woord! Alles betamelijk en in goede orde! (1 Kor.14:33,40).

Vanwaar is dit alles beknot, beteugeld, ingetoomd, of zelfs sterker: het is vrijwel VERBODEN, of op zijn minst hoogst ongepast, om toe te passen: ”Telkens als gij samenkomt heeft IEDER IETS”(1 Kor.14:26). Menselijke methoden en liturgisering hebben dit Woord van God op grootschalige wijze overwoekerd. De boze heeft er natuurlijk alle belang bij dat het geen werkelijkheid wordt wat staat in 1 Petr.4:11: “spreekt IEMAND laten het woorden zijn als van God”. De Here verlangt ernaar dat alles aan Hem, het hoofd van de gemeente, ontleend wordt: het lichaam als een welsluitend geheel en bijeen gehouden door DE DIENST VAN AL ZIJN GELEDINGEN, naar de kracht die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde” (Efeze 4:16).

Hoe vrij zijn de “vrije kringen”?

Er waren er die zijn gaan “bijtanken”in evangelische- of pinksterkringen. Daar kon je meer horen over een persoonlijke relatie met Jezus, over het houden van “stille tijd”. Het ontvangen van de doop in de heilige Geest, het zingen van opgewekte, geestelijke liederen en meer onderlinge gemeenschap werd als positief en waardevol door hen ervaren. Het betekende een stimulans voor het persoonlijke geloofsleven.

In deze kringen zijn er in ieder geval meerderen die iets bijdragen. Toch zijn zij zeker in de wat grotere gemeenschappen vaak op de vingers van een (of twee)  hand(en) te tellen: de zangleid(st)er, een broeder die de algehele leiding heeft en de mededelingen doet, soms een getuigenis en af en toe en geestesuiting en de mogelijkheid van open gebed.

We hebben de indruk dat het – in zijn algemeenheid gesproken – nog veel meer naar 1 Kor.14:26 kan in het deelnemen aan dienstbetoon in de samenkomsten. Opnieuw kunnen we met Paulus vragen: “WAAR BLEEF HET LICHAAM”? (1 Kor.12:19). Het gestalte krijgen van 1 Korinthe 14 is ten dele en vaak blijft het nogal aan de magere kant. De gemeenteleden zaten op hun stoelen, zongen vreugdevol de liederen, stonden in aanbidding voor God, genoten wellicht van de boodschap en de belevenissen van de spreker, maar gaven zij ook WEZENLIJK MEDE INHOUD aan de samenkomst? Zagen zij ook in alle ernst hun medeverantwoordelijkheid voor de geestelijke opbouw? Dat wil zeggen: “Dientelkander, EEN IEDER naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de VELERLEI genade Gods. Spreekt IEMAND, laten het woorden zijn ALS VAN GOD; dient IEMAND, laat het zijn als uit kracht door God verleend, opdat IN ALLES GOD VERHEERLIJKT WORDE door Jezus Christus… (1 Petr.4:10-11).

Of lieten zij dit alles graag volledig over aan de plaatselijke leider of gastspreker? Genoten zij dan alleen maar van zijn boodschap, de lofprijs en de fijne samenzang? Of strekten zij zich ook uit naar meer, namelijk om iets van God te delen tot opbouw van de anderen? Wilden en konden zij ook iets bijdragen tot nut van hun medegelovigen? Was daar vrijheid, ruimte en gelegenheid voor? Of was “de dienst” zo geprogrammeerd dat praktisch niemand – zelfs niet als hij iets van God op zijn hart had gekregen – er tussen kon komen?

Werkzame samenkomsten door middel van geestelijke inbreng

Let wel, we voeren geen pleidooi voor een democratisch bestel in de gemeente, want er zijn diensten, waarin God sommigen heeft aangesteld (Efeze 4:11; 1 Kor.12:28). “Twee of drie profeten mogen het woord voeren en de anderen moeten het beoordelen (1 Kor.14:29), dat wil zeggen: bevestigen en onderstrepen voor hun eigen leven.

Het gaat er niet om dat ieder nu maar “zijn eigen zegje” mag gaan doen en zichzelf wil laten horen, want we willen geen vrijheid voor het vlees. Daar zijn we wars van.Vrijmoedigheid én vreze des Heren is echter een heerlijke combinatie!

De goddelijke bedoeling is : “dat alles moet tot stichting (=opbouw) geschieden” (1 Kor.14:26). Op die wijze werkt het gezegend uit. Zo kunnen geestelijke mensen, die dichtbij het Woord en vanuit de heilige Geest leven elkander in ALLE wijsheid leren en terechtwijzen. Waarom? Omdat het Woord van Christus rijkelijk in hen woont (Kol3:16). Daarom: “als gij een goed (woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen genade ontvangen : laat dit dan uit uw mond komen! (Efeze 4:29).

Het juiste oogmerk daarbij is: trachten uit te munten tot stichting van de gemeente (1 Kor.14:12). Immers: “aan EEN IEDER wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen” (1 Kor.12:7). Op die manier ontstaan er samenkomsten, waarbij de leden van Christus’ lichaam werkelijk tot functioneren komen en neemt de opbouw en de gemeenschap alleen maar toe! Het belangrijkste is dat de leden groeien, zodat het leven van Christus zich in hen ontwikkelt. Dan komen er meer en meer geestelijke bijdragen naar voren, die zich kenmerken door ECHT EN PUUR LEVEN. Daardoor worden de anderen bemoedigd en aangevuurd tot de goede strijd van het geloof met als doel het volle, volwassen zoonschap!

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.