Welk beeld hebben wij van satan?

Satan in het verborgene

Voor veel christenen is onze vijand, Satan, nog altijd een “grote onbekende”, alsof hij zich van een dergelijke struisvogelpolitiek iets zou aantrekken… Het is opvallend, dat de Satan in het Oude Testament inderdaad nauwelijks voorkomt. Dat hij de slang in de hof van Eden bezette, weten wij uit Openbaring 12:9: “de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt” (zie ook Openb.20:2). De naam duivel, de dooréénwerper, komt in het Oude Testament niet eens voor. Toch was de “door-elkaar-gooier” ook toen op de achtergrond wel degelijk werkzaam. De naam Satan, dat is tegenstander, komt in het Oude Testament slechts drie keer voor:

  1. 1 Kronieken 21: 1: “Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan Israël te

tellen”. Deze schrijver had een scherper doorzicht in de onzichtbare wereld dan in 2

Samuël 24 vers 1 staat weergegeven: “De toorn des Heren ontbrandde weer tegen

Israël; Hij zette David tegen hen op……”. Het laatste geeft een typerend beeld van een

versluierd, oudtestamentisch kijken naar God, terwijl de Kroniekenschrijver de

werkelijke bron noemt, de koker van waaruit alle ellende voortkomt.

  1. In Job 1: 6, 12 wordt de Satan genoemd als degene die de hand heeft in de

ellende die Job overkomt.

  1. In Zacharia 3:1 staat de Satan aan de rechterhand van de hogepriester Jozua,

om hem aan te klagen. Dit wapen hanteert hij nog steeds, vandaar zijn benaming de

aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God (Openb.

12:10).

Dit zijn de Schriftplaatsen, waarin het Oude Testament satan rechtstreeks noemt. Meer indirect was hij echter in vele situaties aanwezig. In het verborgene deed hij zijn verwoestende, ontwrichtende werk. Wie kon deze camouflagetactiek doorgronden? Wie was in staat de ware vijand aan te wijzen, laat staan te overwinnen? Ongerijmde dingen werden bij gebrek aan beter inzicht aan God toegeschreven en zo kon de boze verstoppertje blijven spelen, want men zag God veelal als oorzaak van goed en kwaad tegelijk.

De mens bestreed zo “goed en kwaad” hij kon de zonde, maar kon met de goede wet van God in eigen kracht het goede niet uitwerken. De machten der duisternis verschuilden zich achter de gebonden mens. Wie had er toen iets begrepen van boze geesten uitwerpen tot bevrijding van de mens? Dit was in het Oude Testament nog niet aan de orde. Zo werd de mens tot vijand van zichzelf. Wie zou hem verlossen?

 

Door Jezus ontmaskerd

Jezus Christus openbaarde ten volle het ware beeld van God, die enkel goed en enkel heilig is. Hij toonde tevens de ware aard van satan: enkel slecht en enkel onheilig, de bron van alle kwaad. Hij kwam tot verlossing van een in de zonde vervallen mensheid, om de mens terug te voeren en te herstellen tot diens originele staat van beelddrager Gods. Hij werd als onzer één – Zoon des mensen – en Hij schaamt Zich niet ons broeders te noemen (Hebr.2:10-14). Ook wij werden uit God geboren – wedergeboren (vgl. Jezus’ geboorte, verwekt door Heilige Geest) – en worden geheiligd en gebracht tot zoonschap. Dit proces vraagt om onze volledige inzet, in afhankelijkheid van de Geest van God. Wij verwachten het van de bijstand van de heilige Geest (Hand.9:31) en zo blijven we “bijstandtrekkers”!

Er is er maar één, die de heerlijke ontwikkeling van mensen Gods wil stuiten en torpederen en dat is de boze. Voortdurend tracht hij ons af te remmen of zelfs te blokkeren, want hij wil geen zonen Gods op de troon, die overwinnen, gelijk Jezus heeft overwonnen (Openb.3:21). Jezus heeft hij niet tegen kunnen houden of verhinderen in zijn loop. De overste van deze wereld kwam en had aan Hem niets, kon geen enkel aanknopingspunt bij Hem vinden (Joh.14:30).

Jezus overwon en is nu gezeten aan de rechterhand des Vaders op de troon en Hij pleit en bidt voor ons, die in de strijd staan! Nu volgen wij Hem in zijn voetstappen, maar de boze blijft erop uit ons te vloeren en ons af te leiden van het doel van God met ons mensen. Het is echter voluit mogelijk “dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht al onze dagen” (Luk.1:74-75).

In de geestelijke wereld wees Jezus de duivel aan als de mensenmoorder van den beginne en de vader (= verwekker) der leugen (Joh.8:44). Hij ontmaskerde de boze als de dief, die komt niet dan om te stelen, te slachten en te verdelgen ( Joh.10:10a). Aan het kruis heeft Hij de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd (Kol.2:15). Hij leerde ons de naam van de Vader te heiligen, dat is af te zonderen van de boze, absoluut niet in verbinding te brengen met het kwade ( Matth.6:9). Tevens riep Hij op te bidden: “Verlos ons van de boze”! (Matth.6:13). “Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem” (Hand.10:38). “Immers door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men”( 2 Petr. 2:19).

 

De ware oorzaak van alle kwaad

Velen zien de mens als zondaar als de “grote slechte”, uit wiens hart de zonde ontspringt. Zij vragen zich niet af hoe de zonde dan in dat hart van die mens is gekomen en hoe het komt dat de mens zo slecht is geworden, daar God hem immers goed gemaakt heeft. De demonenblindheid is vaak groot, ook onder christenen. Zij beseffen onvoldoende dat – vóór de mens in “verval” raakte door de zonde – er eerst een zondeval in de engelenwereld plaatsgreep. Daarom staat er glashelder: “Wie de zonde doet, is uit de duivel, want de duivel zondigt van den beginne” (1 Joh. 3:8a). Daarbij lezen we over de bevrijding van dit juk, dat drukte, door Jezus Christus: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” (1 Joh. 3:8b). Jakobus 1:14-15 spreekt in klare taal over de bevruchting van onze begeerte door de verzoeker, die zonde baart. Ook in het Oude Testament vinden we reeds aanwijzingen in deze richting. In Psalm 7:15 staat: “Zie, wie met ongerechtigheid bevrucht werd, is zwanger van onheil en baart leugen”. Jesaja 59:5 spreekt over het uitbroeden van eieren van giftige slangen met als resultaat onder andere: “zwanger gaan van leugentaal” (Jes.59:13). In het  – onder ons niet gezaghebbende, maar soms wel leerzame – apocriefe boek De Wijsheid van Salomo 2:23-24 vinden we een interessante variant op Romeinen 5:12. Deze luidt als volgt: “God schiep de mens tot onvergankelijkheid en vormde hem tot een beeld van zijn eigen wezen; maar door de afgunst van de duivel is de dood de wereld binnen gekomen, en deze dood ervaren zij die de duivel toebehoren”. Een goede aansporing voor onze strijd tegen de boze vinden we in Jakobus 4:7: “Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden”.

 

Gezag in Jezus’ Naam

In het bekende Efeze 6:12 zien we duidelijk tegen wie we onze strijd hebben te voeren. Nooit tegen andere mensen en ook niet tegen eigen “bloed en vlees”! Van het geknok tegen jezelf word je doodmoe en je komt er ondanks alle ernstige, goedbedoelde pogingen niet wezenlijk verder mee. Onze strijd is tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Uiteraard zijn we er zelf verantwoordelijk voor, om de duivel geen voet te geven (Efeze 4:27). Wij zullen ons lichaam tuchtigen en het in bedwang houden (1 Kor.9:27). De oorzaak van verleiding ligt bij de machten, die we zullen bestrijden, maar wij zullen ook op een gezonde wijze onszelf aanpakken en niet onze verantwoordelijkheid van ons afschuiven.

Het is een bevrijdend inzicht de mens te leren scheiden van de machten der duisternis met hun gewoonte- en denkpatronen. Daarbij kan het soms lijken alsof deze patronen bij je horen, maar – lof en dank – het hoort niet meer bij ons, die in Christus een nieuwe schepping zijn en die verder vernieuwd willen worden naar Zijn beeld. Wij hoeven niet zomaar alles meer te “nemen” wat op ons afkomt vanuit het rijk der duisternis! Ook bijvoorbeeld niet alle opklopperij, ophitserij en aandikkerij met alle opblazen en opjutten vandien in ons gevoelsleven (geest van hysterie). We mogen ons daar tegenover opstellen in de naam van Jezus!

De opdracht: “In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven” (Marc.16:17) is nog springlevend en volop actueel. Niet als een toverformule of een standaardkreet, maar vanuit gezag in Jezus’ naam verleend, met zijn Woord (Matth.8:16) en door zijn Geest (Matth. 12:28). De boze geesten kijken naar onze identiteit: “Wie zijt gij?” (Hand. 19:15). Jezus zei: “Zie Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand en niets zal u enig kwaad doen” (Luk.10:19).

De gedachten van de vijand mogen ons niet onbekend zijn (2 Kor.2:11). Het is heerlijk dat de Heer de laatste tientallen jaren inzichten heeft geschonken, om de geesten der duisternis in mensen aan te pakken. We denken aan zonde-, ziekte- en leugenmachten. Aan geesten van onreinheid, van geweld, occulte machten, demonen vanuit het voorgeslacht en “vrome” leergeesten. Aan geesten van verwerping, weerspannigheid en hysterie. Het werk van Jezus wordt voortgezet tot bevrijding van mensen! We ervaren dat naarmate we meer op de Heer gaan lijken, de boze geesten moeten wijken! Onze goede God staat ons terzij, mensen komen opnieuw tot hun bestemming en Satan lijdt de nederlaag!

We verheugen ons dat we een steeds duidelijker inzicht krijgen in de werkingen van de vijand. En dat we mogen werken vanuit een goed Godsbeeld, een gezond mensbeeld en een scherp “‘satansbeeld”. Daardoor kunnen we medearbeiders Gods zijn tot verder herstel van alles wat nog niet heel is. Geloof dat de Heer ook daarin gaat doorwerken tot de volle overwinning is bereikt!

 

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.