Zeven symbolen van de heilige Geest

ZEVEN SYMBOLEN VAN DE HEILIGE GEEST

De dynamische kracht van de Geest van God

Gods Woord reikt ons een aantal beelden aan waarmee de heilige Geest kan worden vergeleken. Om ons tegemoet te komen in onze behoefte aan een meer concreet begrip van het werken van de heilige Geest komen deze symbolen in de Bijbel voor. Wij willen in kort bestek deze beelden nagaan en typeren wat ze ons te zeggen hebben.

De Geest van God is een HEILIGE Geest. “Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging. Daarom, wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u immers ook zijn heilige Geest geeft” (1 Tess. 4:7-8). Hebben wij een verlangen naar “nog veel meer”? Dat wil zeggen: Nog meer God behagen in onze wandel en nog veel meer broederliefde (1 Tess. 4:1,10). Laten wij daarom de zevenvoudige volheid van de heilige Geest zoeken.

1. Wind

In het Hebreeuws wordt het woord ‘ruach’ en in het Grieks ‘pneuma’ gebruikt en dat betekent Geest of geest, wind, adem. Wij zien de wind niet, maar de werking ervan zien en voelen we wel. Deze Geest als levensadem is zowel bij de schepping als in de herschepping actief. In Gen. 2:7 lezen we: “toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen”. In Ps. 33:6 staat: “Door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn mond al hun heer”. In de schepping van de onzichtbare wereld van de hemelen en al hun heer zijn Woord en Geest actief betrokken.

In het boek Hooglied wordt de harde, koude noordenwind en de warme, zachte zuidenwind gebruikt als een beeld van de heilige Geest en bidt de Bruid: “Ontwaak, noordenwind, en kom, zuidenwind, doorwaai mijn hof, opdat zijn balsemgeuren stromen. Mijn geliefde kome tot zijn hof en ete daarvan de kostelijke vrucht” (Hoogl. 4:16). De goddelijke wind blaast de doodsheid en de dorheid uit onze levenstuin. De lieflijke geur van de specerijen (beeld van de deugden, eigenschappen of karaktertrekken van Christus) mogen gaan uitvloeien naar anderen.

In de nieuwe schepping is het niet anders. In het bekende hoofdstuk van het gesprek tussen Jezus en Nicodémus over de wedergeboorte zien wij opnieuw de vergelijking van de werking van de Geest met de wind: “De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zo is ieder die uit de Geest geboren is” (Joh. 3:8). Gods Geest zet je dus in beweging en wil je leiden volgens Gods navigatiesysteem: “want allen die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods” (Rom. 8:14). Wij hebben Gods wind in onze zeilen hard nodig om vooruit te komen op de weg van Christus. Verlang je naar een heerlijke, stevige, nieuwe bries van Gods Geest in je leven? Dat is niet meer: ‘zoals de wind waait, waait mijn jasje’, want daarbij wordt je oordeel en je gedrag bepaald door de wisselende levensomstandigheden. Merk op dat de wind van Gods Geest nooit een tegenwind vormt ten opzichte van Gods Woord, waardoor het toetsbaar is.

Als begeleidend verschijnsel bij de uitstorting van de heilige Geest op de Pinksterdag zien wij de dynamische kracht waarmee dit gepaard ging: “En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren” (Hand. 2:2). Deze ‘kracht’ is in Hand. 1:8 de vertaling van ‘dunamis’, vergelijk onze woorden dynamo en dynamiet. Beeld van beweging, licht, energie en sterke kracht. De bedoeling is dat ons leven krachtig gestuwd zal worden door de wind van Gods Geest! Dat al het stof van tradities weggeblazen kan worden. Helaas gebeurt het gemakkelijk dat er een ‘windstilte’ heerst in het christenleven. Veel gelovigen geven de voorkeur aan een lichte, zwakke of matige wind, niet alleen als natuurlijk weerbericht, maar ook in hun geestelijk ronddobberen en niet verder komen in geestelijke ontwikkeling. Zo’n afgepaste, gematigde houding geeft geen leven maar is eerder een geloof zonder werken en dat is dood (Jak. 2:17,26).

Toch is er hoop tot herleving, zoals bij de ‘dorre doodsbeenderen’ het geval was: “Profeteer tot de geest, profeteer, mensenkind, en zeg tot de geest: zo zegt de Here Here: kom van de vier wind(!)streken, o geest, en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven. Toen profeteerde ik, zoals Hij mij bevolen had; en de geest kwam in hen en zij herleefden en gingen op hun voeten staan, een geweldig groot leger” (Ezech. 37:9-10).

Toen Jezus door de heilige Geest uit de doden opgestaan was, verscheen Hij aan zijn discipelen. Tot tweemaal toe sprak de Meester: “Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide: Ontvangt heilige geest” (Joh. 20:21-22, letterlijk). Hiermee ontvingen zij een vernieuwde menselijke geest, want door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft Hij hen doen wedergeboren worden tot een levende hoop (1 Petr. 1:3). Op de Pinksterdag ontvingen zij als in een windvlaag de belofte van de Vader in de vervulling met de heilige Geest.

Op weg naar het einddoel zucht niet alleen de schepping, maar ook wij die de Geest als eerste gave hebben ontvangen zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam” (Rom. 8:23). Bovendien pleit de Geest voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen als Hij onze zwakheid te hulp komt en wij niet weten wat we moeten bidden naar behoren (Rom. 8:26). Samen zuchten wij: wij hunkeren, snakken en verlangen naar het herstel van ons eigen leven, naar het herstel van de gemeente (‘Kom doorwaai Uw huis’) en tenslotte naar het herstel van de schepping. Hierin hoeven wij niet kortademig te worden, maar mogen we doorademen en op adem komen bij onze God die onze rust en ons vertrouwen is. Hij zal het maken en voleindigen, maar Hij wil ons in Zijn plan gebruiken en zal ons doorademen met Zijn Geest en waar nodig ‘opluchting’ geven om de moed niet te verliezen.

2. Water

Water geeft de frisheid aan van een leven in de Geest. Dat is als een bruisende waterval. De Bijbel vergelijkt de werking van de Geest van God met vroege en late regen (Joël 2:23; Jak. 5:7), rivieren (Ps. 46:5; Openb. 22:1), bronnen en beken (Jes. 65:10), een springende fontein (Joh. 4:14) en stromen van levend water (Joh. 7:38, vergelijk Openb. 22:1,17). Christen-zijn mag nooit verworden tot een mechanische sleur. Onze hond kan als trucje bidden. Wanneer je het commando roept “Lizzy, bidden”, dan kruist ze haar poten over elkaar. Als christenen moeten we stoppen met zulke kunstjes en rituelen zonder inhoud en levend geloof. Gebed in de frisheid van de heilige Geest kan nooit zomaar iets opdreunen zijn, zoals een Rozenkrans, maar het wordt gevoed en geleid door het leven uit God en is daarom sprankelend. De geesteshouding daarbij is: door gebed wordt alles anders! Het volk Israël in het Oude Verbond ontving de leiding van God door wolk- en vuurkolom in de woestijn die hen voorging op weg naar het beloofde land. Als de bovenleiding bij ons verstopt zit, krijgen we slechts een miezerig stroompje in onze ervaring en is de vitale, bruisende waterval van de heilige Geest ver weg en hoogstens nog een langzaam voortkabbelend beekje. Hoe gemakkelijk kan de volheid of de vloedgolf van de Geest in je leven wegebben door de omstandigheden. Elia geloofde in het geruis van een stortregen en bad er tot zeven keer toe om tot hij een wolkjes zo klein als de hand van een man uit de zee zag opstijgen (1 Kon. 18:41-46). Uiteindelijk viel er een zeer zware stortregen.

De Geest is heilig en verdraagt de ‘modder’ van onreinheid in ons seksuele leven niet. De zuiging van porno mag in ons leven verbroken zijn, omdat wij willen kappen met de onreine geest die de lusten uitleeft. De Heer wil dat wij met zulke zaken breken, zodat Hij ons kan verkwikken met levend water in onze woestijn. Vaak gedragen wij ons als lekkende vergieten, waar het water doorheen sijpelt. Dit is wel een voorbeeld hoe gemakkelijk we de frisse zegen van de Geest weer kwijt raken, in plaats van ons voortdurend ons uit te strekken naar de bronnen van het heil om levend water te putten. Aan God ligt het nooit: Hij wil graag Zijn Geest uitgieten (Jes. 44:3). Laten wij ons werpen in Zijn stroom: “dan zult gij met vreugde water scheppen uit de bronnen des heils” (Jes. 12:3). Laten we een zuiver leven leiden voor Gods aangezicht, dan hoeven we nooit ‘in troebel water te vissen’.

3. Vuur

De heilige Geest wordt vergeleken met vuur, maar ook de boze geesten richten hun ‘vurige pijlen’ (Ef. 6:16) op ons af, waartegen wij het schild van het geloof mogen opheffen. Als de heilige Geest vergeleken wordt met vuur, dan gaat het om verlichting, verwarming, heiliging, zuivering en loutering. ‘Dwars door het vuur, maakt U mij rein en puur’ (Opw. 427). Bij de drie vrienden van Daniël kun je ook zeggen: dwars door het demonische vuur heen (Daniël 3). Het vuur van de boze is negatief: het wil verschroeien, verzengen, vernietigen en verwoesten. Bij het lezen in de Bijbel moeten wij er goed op letten welk vuur er bedoeld wordt, anders raken we in de war. In een apart hoofdstuk wordt uitgewerkt wat de ‘doop in vuur’ wil zeggen.

In Lev. 6:12-13 lezen we twee keer met betrekking tot het brandofferaltaar: “Een vuur zal altijd brandende gehouden worden op het altaar, het mag niet uitgaan”. Hoe is het met het vuur op het altaar van ons hart: gloeien en vlammen wij werkelijk voor God en zijn we in vurige passie voor Hem? Of smeult het vuur alleen een beetje na? Laat de as en de slakken van zonden en zorgen weggedaan worden, opdat het vuur in je leven weer hoog oplaait en helder brandt van ijver voor de Heer. Gods vuur wil de zonden in je leven wegbranden. In Jesaja 4:4 wordt gesproken over een Geest van oordeel en van uitbranding (HSV) en die brandt uit je weg wat niet bij de Heer hoort, zodat je een zuiver leven krijgt.

Op de Pinksterdag wordt er met betrekking tot de heilige Geest gezegd: “En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen” (Hand. 2:3). Wij zeggen wel eens dat iemand in ‘vuur en vlam’ voor God staat. Zo iemand heeft een brandend hart voor God. Zo’n enthousiasme van de Geest werkt aanstekelijk. Ik moet denken aan een oud lied dat hierover spreekt:

Er ‘s een vuur dat brandt in mijn hart, dat verlangt
Te getuigen van Jezus die leeft.
Er’s een kracht die mij sterkt en verbreekt satans werk
En ’t waarachtige leven mij geeft.
Heer mijn God,‘k prijs uw macht bij dag en bij nacht
Uw genade zo rijk en vrij.
Maak mij vurig van geest, dat ik zoek allermeest,
Dat ook and’ren U vinden door mij.
O, heil’ge Geest, maak m’onbevreesd,
Geef dat ik in deez’ taak, draag Jezus’ licht,
Vervul mijn plicht en tot zijn komst steeds waak.

(Breekt uit in gejuich 24)

In dit lied zien we de strekking van onder andere Rom. 12:11 ”In ijver onverdroten (wees niet traag wat uw inzet betreft, HSV), vurig van geest, dient de Here” of met de NBV “Laat uw enthousiasme niet bekoelen, maar laat u aanvuren door de Geest en dien de Heer”. Wij mogen in lichterlaaie voor God staan! Dit vuur van de Geest moeten we niet uitdoven of uitblussen (1 Tess. 5:19). Tenslotte wordt er in Openb. 4:5 aangegeven: “En zeven vurige fakkels brandden voor de troon; dit zijn de zeven Geesten Gods” (vergelijk Ezech. 1:13; Openb. 1:4 en Openb. 5:6; Jes. 11:2-3).

4. Olie

Het eerste wat ons in gedachten komt, is de gouden kandelaar met zijn zeven armen, beeld van de zeven Geesten Gods. De lampen brandden op de olie in de toevoerbuizen. Vervolgens denken we aan de zalfolie die bereid werd voor de tabernakel en het priesterambt (Ex. 30:22-33 en Ex. 37:29).
In Ps. 133:2 lezen we over de overvloed aan zalfolie op het hoofd van de hogepriester Aäron die naar beneden neervloeit. We denken ook aan de zalving van koningen, zoals David door Samuël: “Samuël nam de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broeders. Van die dag af greep de Geest des Heren David aan” (1 Sam. 16:13). Hij was van buiten toegerust met kracht.

We denken aan de geschiedenis van Elia en de weduwe van Sarefat, die enkel een handvol meel in de pot had en een weinig olie in de kruik. Elia zei tot haar: “Vrees niet, ga het thuis bereiden, zoals gij gezegd hebt, doch bereid mij eerst een kleine koek en breng mij die hier; voor u en uw zoon kunt gij het later bereiden”. Het meel in de pot raakte niet op en de olie in de kruik ontbrak niet, naar het woord des Heren, dat Hij door de dienst van Elia gesproken had (1 Kon. 17:7-16). Wij kennen ook het verhaal van Elisa bij de weduwe met het kruikje, waaruit de olie maar bleef stromen tot alle lege vaten van alle buren (en dat waren er veel) vol waren (2 Kon. 4:1-7).

In Ps. 92:11 kom je het bijzondere getuigenis van de Psalmist tegen die zich uit met: “ik ben met verse olie overgoten”. Gezegend als je zulke mensen tegenkomt waarbij je deze verse olie proeft, mensen die fris, levend en nieuw zijn in de Geest. Als je in zo’n ontmoeting merkt dat je zelf droog staat of je dor voelt, dan is het een machtige stimulans om ook deze Geest van wijsheid en openbaring te zoeken (Ef. 1:17).

In het Nieuwe Verbond zien wij de zalving met olie tot genezing van zieken in Jakobus 5:14-16, waarbij de olie een beeld is van de doorwerking van de heilige Geest. Bij de dwaze en wijze maagden in Matt. 25:1-13 zien we dat er verschil is tussen olie in de lamp (uiterlijk lichtend getuigenis) bij de dwaze maagden en extra olie in de kruik (innerlijke kracht van de Geest door een verborgen leven). Zonder olie gaan de lampen uit. Zonder de kracht van de heilige Geest zijn christelijke gemeenten zwak. In Ex. 27:20 en Lev. 24:2 lezen we over “zuivere olie uit gestoten olijven, om voortdurend een lamp te laten branden”. Dit willen we overzetten en toepassen op deze gelijkenis waar sprake is van olie. Het is niet aangenaam naar het vlees om in stilte olijven te ‘stoten’ als je in situaties jezelf van binnen oordeelt (1 Kor. 11:31), dingen erkent en jezelf reinigt, om niet slechts een mooi getuigenis te hebben voor de mensen zoals de dwaze maagden. Daarmee zijn de wijzen niet tevreden, maar tegelijkertijd willen zij in de stilte olie verzamelen in de kruik van het verborgen leven met Christus in God (Kol. 3:3). Deze olievoorraad of reserveolie komt van pas als het echt moeilijk wordt in de nacht die komt (vergelijk Rom. 13:11-12). Vergelijk eens in het natuurlijke met de peilstok waarmee je het oliepeil van je auto controleert: hoe staat het met je geestelijk oliepeil?

Er wordt in Jes. 61:1 geprofeteerd “De Geest des Heren HEREN is op mij, omdat de HERE mij gezalfd heeft” en Jezus haalt dit woord aan en zegt “Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld” (Luk. 4:18-21). Van de Zoon van God lezen we ook dat Hij gerechtigheid heeft liefgehad en ongerechtigheid heeft gehaat en dat God Hem daarom met vreugdeolie heeft gezalfd boven zijn deelgenoten (Hebr. 1:9). Deze zalving van de Geest geldt ook de gelovige: “Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd” (2 Kor. 1:21, vergelijk 1 Joh. 2:20,27).

5. Wijn

We weten dat wijn een symbool kan zijn van het bloed van Christus. In het avondmaal denken we aan die betekenis.

Daarnaast kan wijn ook een beeld zijn van de vreugde van de heilige Geest. In Ps. 104:15 lezen we over de wijn die de harten van de mensen verheugt en Zach. 10:7 geeft aan: hun hart zal zich verheugen als van wijn. Hanna werd door de priester Eli aangezien als een beschonkene, terwijl zij indringend en intensief bad: “Toen zij lang bleef bidden voor het aangezicht des Heren, lette Eli op haar mond; en omdat Hanna bij zichzelf sprak en slechts haar lippen bewogen, maar haar stem niet te horen was, dacht Eli dat zij dronken was. En Eli zeide tot haar: Hoelang zult gij u als een beschonkene gedragen? Zorg dat gij uw roes kwijtraakt. Doch Hanna antwoordde: Neen, mijn heer, ik ben een diepbedroefde vrouw; wijn noch bedwelmende drank heb ik gedronken, maar ik heb mijn hart uitgestort voor het aangezicht des Heren. Houd uw dienstknecht niet voor een nietswaardige (dochter van Belial, St. Vert.); want door zorg en grote smart gekweld heb ik zo lang gesproken” (1 Sam. 1:12-16). Bij Johannes de Doper zien wij de parallel tussen wijn en de Geest: “Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet drinken EN met de heilige Geest zal hij vervuld worden reeds van de schoot zijner moeder aan” (Luk. 1:15).

In Matt. 9:16-17 lezen wij erover dat men jonge wijn in nieuwe zakken doet. De nieuwe wijn van de heilige Geest in het Nieuwe Verbond conformeert zich niet aan de oude, onbekeerde mens en evenmin aan de mens die de oude wijn van de wet en de tradities nog voortreffelijk vindt (Luk. 5:37-39). Een nieuwe vorm en een nieuwe inhoud is nodig en daarmee een heel nieuwe levenspraktijk.

Toen men op de Pinksterdag de 120 discipelen ieder van hen hoorde spreken in hun eigen taal van de grote daden Gods (Hand. 2:8-10) was de reactie “En zij waren allen buiten zichzelf en geheel met de zaak verlegen, en zij zeiden de een tot de ander: Wat wil dit toch zeggen? Maar anderen zeiden spottend: Zij hebben teveel zoete wijn gehad” (Hand. 2:11-13). De respons van Petrus daarop was: “Deze mensen zijn niet dronken, zoals gij onderstelt, want het is de derde ure van de dag; maar dit is het waarvan gesproken werd door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees..” (Hand. 2:15-17). Het vol worden van de heilige Geest deed de mensen in eerste instantie denken aan dronkenschap of het met dubbele tong praten, waarop Petrus een verklaring aflegt dat dit het is waarvan gesproken is door de profeet Joël over de uitstorting van de heilige Geest. Paulus zou later schrijven: “Want hetzij wij in geestvervoering waren, het was in dienst van God, hetzij wij nuchter van zin zijn, het is ter wille van u” (2 Kor. 5:13). Bent u altijd de nuchtere Hollander of bent u ook wel eens verrukt in de Heer>

In Ef. 5:18 zien wij dat de apostel Paulus de tegenstelling, maar ook de vergelijking maakt tussen het dronken worden en het vervuld worden met de heilige Geest. Daar staat: “En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid (=los van banden of losbandigheid) is, maar wordt vervuld met de heilige Geest”. God zoekt mensen met Zijn goddelijke ‘spirit’! Van Billy Graham is een verhaal bekend dat hij om advies werd gevraagd hoe men in een gemeente moest handelen met een oudste die dronken was geweest. Toch gaf de evangelist geen directe raad, maar Billy Graham stelde hoofd voor hoofd aan de andere oudsten de persoonlijke vraag: “Bent u vervuld met de heilige Geest”? Niemand durfde deze vraag met “ja” te beantwoorden. Sommigen sloegen hun ogen neer en anderen antwoordden eerlijk met “nee”. Vervolgens sprak de evangelist: “Net zomin als die dronken oudste niet als oudste kon functioneren, zo kunnen ook jullie niet functioneren als oudsten van de gemeente als jullie niet vervuld worden met de heilige Geest”!

6. Duif

In Gen. 1:2 lezen we “De Geest Gods zweefde over (broedde op, St. Vert.) de wateren” en dit doet ons al denken aan het beeld van de duif. Na de zondvloed zien we dat Noach tot drie keer toe de duif uitlaat (Gen. 8:8-12). Opnieuw was de duif een beeld is van het nieuwe leven en van de nieuwe schepping. Noach vernam van de duif, die met een olijfbad in haar snavel kwam aanvliegen, dat er weer gewas op aarde groeide en dat de vrede op de aarde zou terugkeren. Denk aan de zogenaamde vredesduif.

Ten slotte zien wij dat toen Jezus in water gedoopt werd en in gebed was, de hemel zich opende en de heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif op hem neerdaalde en dat er een stem kwam uit de hemel: Gij zijt Mijn Zoon, de geliefde, in U heb Ik Mijn welbehagen” (Luk. 3:21-22). In Joh. 1:32-33 zien we het als volgt: “En Johannes getuigde en zeide: Ik heb aanschouwd, dat de Geest nederdaalde als een duif uit de hemel en Hij bleef op Hem. De duif is een vogel die geen gal bezit en daarom geen aas eet van dode karkassen. De vredesduif vanuit de hemel daalde op het Lam neer. In Jezus kwam nooit gal of bitterheid tevoorschijn in de verzoekingen waarin Hij terecht kwam, maar Hij bleef altijd zachtmoedig en nederig van hart (Matt.11:29). Van Hem staat er: Hij IS onze vrede! (Ef. 2:14). Voor ons staat er in één adem: “Bedroef de heilige Geest Gods niet, door welke gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing” en dan meteen: “Alle bitterheid…worde uit uw midden gebannen” (Ef. 4:30-31). Dit is mogelijk als de heilige Geest blijvend in ons kan werken en wij Hem niet bedroeven door toe te geven aan bitterheid. Wij denken aan het lied uit Opwekking 358:

Uw tederheid genas, wat er bitter in mij was, uw heil neem ik aan, o Heer
Uw liefde overwon, keerde al mijn boosheid om.
Uw heil neem ik aan, o Heer! (3x)

Als dit speelt bij jou, laat je ervan door Gods liefdevolle tederheid genezen en ga heel bewust Gods heil aannemen, waardoor al je boosheid kan worden omgekeerd. Zelf weet ik ook hoe gemakkelijk je aan de rand van bitter water kunt komen als je onrechtvaardig behandeld bent door anderen. Als je niet uitkijkt kan bitterheid en wrok je leven verwoesten en de heilige Geest van God bedroeven. Gods zalf en balsem wil je innerlijk genezen van verwondingen.

Vanuit Hebr. 12:15 weten wij dat als er een bittere wortel kan opschieten, dat dit zeer velen kan besmetten en daarmee een hele gemeente kapot kan gaan, vandaar de waarschuwing: “Ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods, dat er geen bittere wortel opschiete en verwarring stichte, en daardoor zeer velen zouden besmet worden”. Als wij zondigen, is de duif gauw gevlogen! Het is gemakkelijk de duif te verjagen. De duif wil ons juist liefelijk op de schouder tikken: let op en tuin er niet in, blijf in de vrede en de rust! Het is onze roeping te blijven in Christus, dat wil zeggen in de nederige Lamsgestalte met de dynamische kracht van de heilige Geest.

7. Zegel

Het ‘zegel’ (Openb. 7:2) of de ‘verzegeling’ (Openb. 7:3) is een beeld van de doop in de heilige Geest die christenen kunnen ontvangen. Zo moesten de discipelen die bekeerd en wedergeboren waren tot de Pinksterdag in Jeruzalem wachten op de belofte van de Vader (Hand.1:4), dat is de doop in of het ontvangen van de heilige Geest. Paulus ontmoette nadat hij door de bovenlanden gereisd was en in Efeze kwam enige discipelen die niet verzegeld met de heilige Geest waren, doordat ze zelfs niet gehoord hadden dat er een heilige Geest is. Dit bleek toen Paulus hun de prikkelende vraag gesteld had: “Hebt u de heilige Geest ontvangen toen u tot geloof kwam”? (Hand. 19:2). Natuurlijk wisten zij uit het Oude Testament wel van het bestaan van de heilige Geest af, want zij waren in de doop van Johannes gedoopt, maar zij hadden niet vernomen dat de heilige Geest in Jeruzalem (Hand. 2), in Samaria (Hand. 8) en in Caesarea (Hand. 10) was uitgestort. Paulus legde hen uit dat Johannes een doop van bekering doopte en tegen het volk zei dat zij moesten geloven in Hem, die na hem kwam, dat is in Jezus. “En toen zij dit hoorden lieten zij zich (over)dopen in de naam van de Here Jezus, en toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de heilige Geest over hen en zij spraken in tongen en profeteerden. En het waren in het geheel ongeveer twaalf mannen” (Hand. 19:1-7). Deze twaalf mannen kunnen gezien worden als de ‘eerstelingen’ van de gemeente te Efeze. Op deze gebeurtenis ziet Ef. 1:13-14 terug: “In Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt (nadat gij tot geloof kwaamt, St. Vert.) OOK verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand (voorschot of aanbetaling) is van onze erfenis, tot verlossing van Zijn volk” (vergelijk Ef. 4:30).

In 2 Kor. 1:21-22 zegt de apostel: “Hij nu die ons met u bevestigd in de Gezalfde, en ons heeft gezalfd (opnieuw een beeld van de doop in de heilige Geest) is God, die ook Zijn zegel (bevestiging, bekrachtiging) op ons gedrukt heeft en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft”. Dit zegel is een herkenningsteken van toerusting met kracht. De zegelring van een koning gaf macht, gezag en autoriteit. Hierin is Jezus ons voorgegaan. Van Hem staat er: “Want op Hem heeft God, de Vader, Zijn zegel gedrukt” (Joh. 6:27). In Openb. 7:2-3 wordt gesproken over een zegel aan het voorhoofd (vergelijk Ezech. 9:4). Dit wijst op de bescherming voor de aanvallen en de schade die het rijk der duisternis wil aanrichten. In Openbaring 13:16 lezen we immers over het tegenovergestelde: het geven van het merkteken van het beest op de rechterhand of het voorhoofd. Tevens ziet de aanbrenging van het zegel van de levende God aan het voorhoofd op de vernieuwing van denken door Woord en Geest en het schrijven van de wetten van de Geest in ons verstand (Hebr. 8:10; Hebr. 10:16). Het gevolg van deze ‘metamorfose’ van ons denken (Rom.12:2) is dat wij het denken van de Heer over leren nemen (Kol. 3:1-2) en Hij ons zo mag bestempelen dat wij ook veranderen in ons spreken en ons handelen. Op deze manier functioneren wij in twee werelden: als Nederlander en als ‘Bovenlander’ tegelijk! Laten wij een afdruk worden van Gods wezen en laat Hij altijd Zijn stempel op ons leven kunnen zetten!

Jildert de Boer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.